ECLI:NL:RBNNE:2025:5851

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
C/18/249059 / FT RK 25/1104
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b FwArt. 305 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek moratorium wegens niet tijdige huurbetaling en onvoldoende draagkracht

Verzoeker heeft op 13 oktober 2025 een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium op grond van artikel 287b Faillissementswet, gelijktijdig met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft op 16 oktober 2025 een tussenvonnis gewezen en de zaak verwezen naar de zitting van 26 november 2025, waarbij een tijdelijke voorziening werd getroffen.

Verzoeker is niet verschenen bij de zitting, ondanks behoorlijke oproeping. De schuldhulpverlener en beschermingsbewindvoerder waren wel aanwezig. Uit het tussentijdse verslag bleek dat de huur van oktober 2025 op tijd was voldaan, maar de huur van november 2025 werd eerst gestorneerd en later alsnog betaald. Verzoeker ontvangt een WW-uitkering die eind november 2025 afloopt en heeft een aanvraag voor een Participatiewet-uitkering ingediend, maar de gemeente heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen vanwege het niet verschijnen van verzoeker op een afspraak.

De verhuurder heeft aangevoerd dat verzoeker niet aan de voorwaarden van het tussenvonnis heeft voldaan en dat er sprake is van overlast, waardoor buren tijdelijk elders wonen. De rechtbank oordeelt dat de gevraagde voorziening niet gerechtvaardigd is omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van tijdige huurbetaling en onvoldoende vaststaat dat verzoeker de lopende verplichtingen kan nakomen. Tevens weegt het belang van de verhuurder zwaarder. Het verzoek wordt afgewezen en verzoeker wordt opgedragen binnen twee weken aan te geven of het verzoek tot schuldsanering wordt gehandhaafd.

Uitkomst: Het verzoek tot het instellen van een moratorium wordt afgewezen wegens niet tijdige huurbetaling en onvoldoende draagkracht van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/249059 / FT RK 25/1104

vonnis van 3 december 2025

in de zaak van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen verzoeker,
tegen
Stichting WoonFriesland,
vertegenwoordigd door LAVG Gerechtsdeurwaarders,
correspondentieadres: Postbus 774, 9700 AT Groningen,
hierna te noemen de verhuurder.

PROCESGANG

Op 13 oktober 2025 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw).
Op 16 oktober 2025 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Daarbij is de behandeling van de zaak verwezen naar de zitting van 26 november 2025, en is ter overbrugging van de tussenliggende periode een tijdelijke voorziening getroffen. Bij de behandeling van de zaak zijn verschenen:
  • de heer [schuldhulpverlener van schuldhulpbureau] ;
  • mevrouw [beschermingsbewindvoerder ] (beschermingsbewindvoerder).
  • namens de verhuurder mevrouw [werknemer verhuurder 1] en mevrouw [werknemer verhuurder 2] , werkzaam bij Stichting WoonFriesland , en de heer [gemachtigde] , werkzaam bij LAVG.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is verzoeker niet verschenen.

RECHTSOVERWEGINGEN

De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw Pro teneinde een ontruiming van de woning op 22 oktober 2025 te voorkomen.
Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij poogt een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers overeen te komen dan wel - als dat niet lukt - toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens verzoeker noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.
Op 19 november 2025 heeft de heer [schuldhulpverlener] tussentijds verslag gedaan. Hieruit blijkt het volgende. De huur van de maand oktober 2025 is op 10 oktober 2025 voldaan en de huur van de maand november 2025 op 3 november 2025. Verzoeker heeft een WW-uitkering, die volgens de beschermingsbewindvoerder eindigt, en er is een Participatiewet-uitkering aangevraagd.
Op 21 november 2025 heeft de heer [schuldhulpverlener] bericht dat de automatische incasso van de huur van de maand november 2025 op 3 november 2025 door de bank is gestorneerd wegens onvoldoende saldo en dat de huur van de maand november 2025 op 19 november 2025 is overgemaakt.
De heer [schuldhulpverlener] heeft ter zitting verklaard dat de gemeente de aanvraag van verzoeker om een Participatiewet-uitkering te ontvangen niet in behandeling heeft genomen omdat verzoeker niet is verschenen op een afspraak bij de gemeente. De WW-uitkering van verzoeker eindigt eind november 2025.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat verzoeker haar heeft meegedeeld dat hij geen zin had om te verschijnen op deze zitting. Verzoeker krijgt van de gemeente nog één kans om te verschijnen in verband met zijn aanvraag Participatiewet-uitkering.
De verhuurder voert verweerder, en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft niet voldaan aan de voorwaarden in het tussenvonnis. De huur van de maand november is te laat betaald. Daarnaast veroorzaakt verzoeker nog steeds overlast, waardoor zijn buren aan weerszijden inmiddels tijdelijk elders woonachtig zijn.
De rechtbank overweegt dat beslissend is de vraag of de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is teneinde verzoeker in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming met de schuldeisers te komen over een minnelijke schuldregeling. De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat niet is voldaan aan de voorwaarde zoals gesteld in het vonnis van 16 oktober 2025 dat de lopende huurtermijnen tijdig moeten worden voldaan. Voorts staat onvoldoende vast dat verzoeker in staat is om de lopende huurverplichtingen te voldoen, nu de WW-uitkering eind november 2025 stopt en de gemeente de aanvraag om een Participatiewet-uitkering te ontvangen vooralsnog niet in behandeling heeft genomen.
Verzoeker is niet ter terechtzitting verschenen om één en ander toe te lichten. Het voorgaande roept naar het oordeel van de rechtbank ernstige twijfels op ten aanzien van de vraag in hoeverre verzoeker gemotiveerd is om zijn problematische schuldsituatie op te lossen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde voorziening niet gerechtvaardigd is en het belang van verhuurder zwaarder moet wegen.
De gevraagde voorziening zal dan ook worden afgewezen. Verzoeker dient binnen twee weken na heden aan te geven of het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt gehandhaafd. Indien verzoekster niet binnen twee weken reageert, zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van dit verzoek.

BESLISSING

De rechtbank
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en in het openbaar uitgesproken op
3 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.