Verzoeker heeft gelijktijdig met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium op grond van artikel 287b Faillissementswet om ontruiming van zijn woning te voorkomen. De rechtbank heeft een tussenvonnis gewezen en een tijdelijke voorziening getroffen, waarna de zaak op 26 november 2025 is behandeld.
De verhuurder heeft meerdere keren ontruimingsvonnissen verkregen en stelt dat verzoeker een zeer forse huurschuld heeft en dat andere huurders zich bedreigd voelen. Verzoeker ontkent bedreigingen en stelt dat hij goed contact heeft met de buren. De schuldhulpverlener bevestigt dat verzoeker de lopende huur kan betalen, maar er is geen spaarcapaciteit en een minnelijk traject lijkt niet te worden opgestart.
De rechtbank overweegt dat het moratorium bedoeld is als adempauze om een minnelijk traject voort te zetten, maar dat hier kennelijk geen minnelijk traject wordt nagestreefd. Gezien de omstandigheden, waaronder een eerdere beëindiging van de WSNP zonder schone lei vanwege niet-naleving van verplichtingen en ontoelaatbare communicatie, acht de rechtbank toelating tot de WSNP niet aannemelijk.
De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van de verhuurder, die het ontruimingsvonnis wil uitvoeren, zwaarder weegt dan het belang van verzoeker. Daarom wordt het verzoek tot voorlopige voorziening en moratorium afgewezen. Een beslissing op het verzoek tot toelating tot de WSNP volgt bij afzonderlijk vonnis.