ECLI:NL:RBNNE:2025:5861

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
18-336805-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 lid 3 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding voor onterechte inverzekeringstelling na geweldincident

Verzoekster werd op 22 oktober 2024 in verzekering gesteld op verdenking van vuurwapenbezit, terwijl zij slachtoffer was van vuurwapengeweld door haar partner. De inverzekeringstelling duurde één dag, waarna zij op 23 oktober 2024 werd vrijgelaten.

De zaak werd door het Openbaar Ministerie geseponeerd omdat verzoekster ten onrechte als verdachte was aangemerkt. Verzoekster vroeg een schadevergoeding van 520 euro, waarbij zij de standaardvergoeding van 130 euro per dag inverzekeringstelling verdubbelde vanwege de impact van de situatie.

De rechtbank oordeelde dat bijzondere omstandigheden aanwezig waren, gezien het trauma en de onterechte behandeling als verdachte, en kende de verdubbelde vergoeding toe. Daarnaast werd een vergoeding van 340 euro voor de kosten van het verzoek toegekend. Verrekening met geldsommen aan de Staat werd niet toegepast in afwachting van landelijke afspraken.

Uitkomst: De rechtbank kent verzoekster een schadevergoeding van 860 euro toe wegens onterechte inverzekeringstelling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Locatie Assen
parketnummer : 18-336805-24
raadkamernummer : 25-001073 en 25-001074
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoekster.
Advocaat: mr. E. Albayrak, advocaat te Heerenveen.

Procesverloop

Het Openbaar Ministerie heeft op 23 oktober 2024 de onderhavige strafzaak geseponeerd met als reden dat verzoekster ten onrechte als verdachte was aangemerkt.
Op 10 januari 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
- schade geleden als gevolg van ondergane inverzekeringstelling tot een bedrag van
520-;
- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 17 maart 2025, de reactie van de advocaat van 29 juni 2025 en de reacties van de officier van justitie van 17 november 2025 en 1 december 2025.
De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en de officier van justitie besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift.

Beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Op grond van art. 533 Sv Pro maakt verzoekster derhalve aanspraak op vergoeding van ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling geleden schade, voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster op 22 oktober 2024 in verzekering is gesteld en op 23 oktober 2024 weer in vrijheid is gesteld. Verzocht wordt de standaardvergoeding van 130,- per dag inverzekeringstelling te verdubbelen naar 260,- in verband met kort gezegd de omstandigheden waaronder de inverzekeringstelling van verzoekster heeft plaatsgevonden en de impact die dat op haar heeft (gehad).
Bij de beoordeling of er gronden van billijkheid aanwezig zijn voor een verhoging van het aan verzoekster toe te kennen schadevergoedingsbedrag stelt de rechtbank voorop dat voor toekenning van een hogere vergoeding is slechts onder bijzondere omstandigheden aanleiding.
In het onderhavige geval ziet de rechtbank in de door verzoekster aangevoerde bijzondere omstandigheden aanleiding om de standaardvergoeding te verdubbelen. Daaruit blijkt dat verzoekster in haar eigen woning slachtoffer was geworden van vuurwapengeweld door haar partner waarbij zij ook het nodige letsel had opgelopen. Bij vonnis van 6 juni 2025 is haar partner ook veroordeeld voor onder andere het voorhanden hebben van een vuurwapen en mishandeling van verzoekster. Verzoekster is echter ook aangemerkt als verdachte en aangehouden op verdenking van bezit van een vuurwapen en heeft twee dagen in een politiecel doorgebracht. Naar eigen zeggen is ze ernstig getraumatiseerd geraakt door na een dergelijke ervaring niet als slachtoffer maar als verdachte te worden gezien en behandeld en twee dagen in angst en paniek in een politiecel door te hebben moeten brengen. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat verzoekster extra heeft geleden onder de inverzekeringstelling en zal daarom het verzochte bedrag van 520,- toekennen.
De rechtbank zal voorts, conform de LOVS-richtlijnen, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift, een vergoeding inclusief BTW toekennen van 340,-.
De officier van justitie heeft voorts verzocht om de toe te kennen vergoeding op grond van artikel 534 lid 3 Sv Pro te verrekenen met aan de Staat verschuldigde geldsommen. De rechtbank overweegt dat de
verrekening van aan de Staat verschuldigde geldsommen voor wat betreft de werkwijze en executie onderwerp van bespreking is in een landelijk overleg. In afwachting van landelijk geldende afspraken ziet de rechtbank aanleiding om op dit moment niet over te gaan tot verrekening.

Beslissing

De rechtbank kent aan verzoekster ten laste van de Staat een vergoeding toe van 860,-.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.S. Venema-Dietvorst, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van 860,- (zegge: achthonderdzestig euro), over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Terpstra Albayrak strafrechtadvocaten, onder vermelding van “dossier [nummer] ”.