ECLI:NL:RBNNE:2025:5864

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
18-390257-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding kosten en schadevergoeding na onterechte inverzekeringstelling thuis

De rechtbank Noord-Nederland behandelde een verzoek tot schadevergoeding van een persoon die ten onrechte als verdachte was aangemerkt en vier dagen in verzekering werd gesteld, maar dit thuis mocht doorbrengen. Het Openbaar Ministerie had de zaak geseponeerd omdat de verdachte ten onrechte als verdachte was aangemerkt.

De verzoeker vorderde vergoeding van advocaatkosten, schade door de inverzekeringstelling en kosten voor het indienen van het verzoek. De rechtbank beoordeelde dat de advocaatkosten redelijk waren en toekende deze volledig. De inverzekeringstelling vond thuis plaats, waardoor de vrijheidsbeperking relatief gering was. Daarom werd niet het standaardbedrag per dag toegekend, maar een lager bedrag passend bij de omstandigheden.

De rechtbank kende een vergoeding toe van in totaal €971,07 en wees het overige af. De beslissing is schriftelijk genomen met toestemming van partijen en kan in hoger beroep worden aangevochten.

Uitkomst: De rechtbank kent vergoeding toe voor advocaatkosten, schade door vier dagen inverzekeringstelling thuis en kosten van het verzoek, en wijst overige verzoeken af.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 18-390257-24
raadkamernummer : 25-006631 en 25-006632
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. T.W. Delhaye, advocaat te Leeuwarden.

Procesverloop

Het Openbaar Ministerie heeft op 9 december 2024 de onderhavige strafzaak geseponeerd met als reden dat verzoeker ten onrechte als verdachte was aangemerkt.
Op 7 maart 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
-
de kosten van rechtsbijstand die door verzoeker zijn gemaakt ten gevolge van de tegen hem gevoerde strafzaak tot een bedrag van 531,07;
  • schade geleden ten gevolge van 4 dagen ondergane inverzekeringstelling tot een bedrag van 520,-
  • de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, te vermeerderen
in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 7 april 2025, de reactie van de advocaat van 8 mei 2025, de reactie van de officier van justitie van 25 september 2025 en de reactie van de advocaat van 6 november 2025.
De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en de officier van justitie besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift.

Beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Op grond van art. 530 Sv Pro en art. 533 Sv Pro maakt verzoeker derhalve aanspraak op vergoeding van gemaakte kosten en ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling geleden schade, voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Advocaatkosten
Verzoeker is tijdens zijn strafzaak bijgestaan door mr. T.W. Delhaye. Verzoeker heeft derhalve kosten voor rechtsbijstand gemaakt. Deze kosten komen op grond van art. 530 Sv Pro voor vergoeding in aanmerking en de declaratie van de advocaat komt de rechtbank niet onredelijk voor zodat het gevorderde bedrag van
531,07zal worden toegewezen.
Schade ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling
Verzoeker is op 28 november 2024 aangehouden en diezelfde dag om 21:20 uur in verzekering gesteld. De inverzekeringstelling heeft verzoeker thuis door mogen brengen en is op 2 december 2024 opgeheven. Verzoeker is aldus vier dagen in verzekering gesteld geweest.
In het onderhavige geval doet de vraag zich voor of verzoeker in aanmerking komt voor een schadevergoeding nu de inverzekeringstelling thuis is doorgebracht.
Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het door de officier van justitie toegepaste toetsingskader in dit geval niet het juiste kader is. De officier van justitie past namelijk het criterium toe dat van toepassing is in gevallen waarin sprake is van een schorsing van de voorlopige hechtenis waarbij voor de vraag of in dergelijke gevallen gronden aanwezig zijn voor een vergoeding op grond van art. 533 Sv Pro van belang is of de vrijheidsbeperking in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis dusdanig is geweest dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. In het onderhavige geval is echter geen sprake van een schorsing van de voorlopige hechtenis, maar van een inverzekeringstelling die thuis is doorgebracht.
In het onderhavige geval is dan ook niet het criterium of de vrijheidsbeperking dusdanig is geweest dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. Het komt aan op de vraag in hoeverre er, alle omstandigheden in overweging genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn om een schadevergoeding toe te kennen. Daarbij kan wel meewegen hoe vrijheidsbeperkend het thuis doorbrengen van de inverzekeringstelling is geweest.
In dat kader overweegt de rechtbank het volgende. Wat er ook zij van de onduidelijkheid die er tussen het Openbaar Ministerie en verzoeker bestaat over de vraag of verzoeker wel of geen gebruik mocht maken van sociale media en in hoeverre hij wel of geen contact mocht hebben met anderen in deze zaak, de vrijheidsbeperking van verzoeker is relatief gering geweest nu hij zich in de vertrouwde, veilige omgeving van zijn eigen huis vrij kon bewegen, in zijn eigen bed kon slapen, zijn familie bij hem was en vrijetijdsbesteding zoals het kijken van televisie hem niet verboden was. De beperking van de vrijheid van verzoeker is aldus vele malen geringer geweest dan bij het doorbrengen van inverzekeringstelling in een politiecel, zoals gebruikelijk is. De rechtbank acht dan ook geen gronden van billijkheid aanwezig om over te gaan tot toekenning van het standaardbedrag van 130,- per dag inverzekeringstelling. Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden waaronder de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden acht de rechtbank een bedrag van 25,- per dag billijk en passend. De rechtbank zal daarom een bedrag van
100,-toekennen en het verzoek voor het overige afwijzen op dit punt.
De rechtbank zal, conform de LOVS-richtlijnen, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift een vergoeding inclusief BTW toekennen van
340,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van 971,07;
  • wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door mr. J. de Vroome, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.

BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van 971,07 (zegge:
negenhonderdéénenzeventig euro en zeven eurocent), over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Beek Advocaten onder vermelding van “ [nummer] / [verzoeker] ”.