ECLI:NL:RBNNE:2025:5870

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
96-319164-23
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 SvArt. 9a SrWegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schadevergoeding na verdenking rijden onder invloed

Verzoeker werd verdacht van het besturen van een auto onder invloed van alcohol. Na een ademtest bleek het alcoholgehalte 315 ug/l te zijn, en verzoeker erkende alcoholgebruik binnen 24 uur voorafgaand aan de staandehouding.

Het Openbaar Ministerie seponeerde de zaak wegens verjaring. Verzoeker vroeg vervolgens vergoeding van gemaakte kosten voor rechtsbijstand en het indienen van het verzoek.

De rechtbank oordeelde dat ondanks het sepot niet automatisch recht bestaat op vergoeding. Omdat verzoeker zichzelf in de situatie bracht door te rijden onder invloed, moeten de nadelige gevolgen en kosten voor zijn rekening blijven.

Daarom werd het verzoek tot vergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van kosten wordt afgewezen omdat verzoeker zelf verantwoordelijk is voor de situatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Locatie Assen
parketnummer : 96-319164-23
raadkamernummer : 25-013839
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.
Advocaat: mr. N.J.H. Lina, advocaat te Groningen

Procesverloop

Het Openbaar Ministerie heeft op 17 april 2025 de onderhavige strafzaak geseponeerd met als reden dat het feit inmiddels te oud was.
Op 27 mei 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
-
de kosten van rechtsbijstand die door verzoeker zijn gemaakt ten gevolge van de tegen haar gevoerde strafzaak tot een bedrag van 865,15
- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van
340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 3 juni 2025 en de reactie van de advocaat van 24 juni 2025.
De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en de officier van justitie besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift.

Beoordeling

De strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Dit betekent echter niet dat verzoekster zonder meer in aanmerking komt voor vergoeding van zijn kosten. Per geval dient te worden bekeken of er gronden van billijkheid (art. 534 Sv Pro) aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Het gaat daarbij om de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoekster dienen te worden gelaten dan wel dat deze geheel of gedeeltelijk door de Staat moeten worden gedragen.
Verzoeker werd ervan verdacht dat hij een auto had bestuurd terwijl hij onder invloed was van alcohol. Uit het dossier blijkt dat verbalisant de auto van verzoeker heeft doen stilhouden ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften. Nadat het voorlopige ademonderzoek als resultaat A aangaf is verzoeker gevorderd mee te werken aan een ademonderzoek.
Het onderzoeksresultaat van dit onderzoek bedroeg 315 ug/l. Verzoeker heeft tijdens zijn verhoor erkend in de 24 uren voorafgaande aan de staandehouding alcohol te hebben genuttigd. Deze verdenking wordt in het verzoekschrift tot schadevergoeding bovendien niet betwist.
Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verzoeker zichzelf in een situatie heeft gebracht die ertoe zou kunnen leiden en er ook toe heeft geleid dat hij kosten heeft moeten maken in verband met rechtsbijstand. Nu verzoeker het aan zichzelf heeft te wijten dat hij deze kosten heeft moeten maken, dienen de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoeker te worden gelaten.
Het verzoek zal worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. J. de Vroome, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier.