ECLI:NL:RBNNE:2025:750
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslagen en afwaardering vordering in inkomstenbelasting 2019-2021
Eiser, die samen met zijn broer een vennootschap onder firma dreef die in 2002 werd gestaakt, voerde in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2019, 2020 en 2021 afwaarderingen op een vordering op die vennootschap op. De inspecteur legde navorderingsaanslagen op waarbij deze afwaarderingen niet werden erkend, omdat reeds eerdere afwaarderingen in eerdere jaren waren meegenomen en de vordering daarmee volledig was afgewaardeerd.
Eiser stelde beroep in tegen de navorderingsaanslagen, maar kon niet aannemelijk maken dat een verdere afwaardering gerechtvaardigd was. De rechtbank stelde vast dat eiser geen inzicht gaf in het ontstaan, de omvang of het voortbestaan van de vordering in de betwiste jaren. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde, omdat eiser geen concrete toezeggingen of gedragingen van de inspecteur kon aantonen die rechtvaardigen dat hij mocht vertrouwen op verdere afwaardering.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en handhaafde de aanslagen en belastingrente. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De rechtbank behandelde tevens de ontvankelijkheid van de bezwaren en het rechtstreekse beroep tegen afwijzing van verzoeken om ambtshalve vermindering, en concludeerde dat de beroepen inhoudelijk konden worden beoordeeld.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV over 2019, 2020 en 2021 worden ongegrond verklaard en de aanslagen blijven in stand.