ECLI:NL:RBNNE:2025:750

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2025
Publicatiedatum
3 maart 2025
Zaaknummer
LEE 24/2236, 2237, 2238
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.6 Wet IB 2001Art. 7:1a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslagen en afwaardering vordering in inkomstenbelasting 2019-2021

Eiser, die samen met zijn broer een vennootschap onder firma dreef die in 2002 werd gestaakt, voerde in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2019, 2020 en 2021 afwaarderingen op een vordering op die vennootschap op. De inspecteur legde navorderingsaanslagen op waarbij deze afwaarderingen niet werden erkend, omdat reeds eerdere afwaarderingen in eerdere jaren waren meegenomen en de vordering daarmee volledig was afgewaardeerd.

Eiser stelde beroep in tegen de navorderingsaanslagen, maar kon niet aannemelijk maken dat een verdere afwaardering gerechtvaardigd was. De rechtbank stelde vast dat eiser geen inzicht gaf in het ontstaan, de omvang of het voortbestaan van de vordering in de betwiste jaren. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde, omdat eiser geen concrete toezeggingen of gedragingen van de inspecteur kon aantonen die rechtvaardigen dat hij mocht vertrouwen op verdere afwaardering.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en handhaafde de aanslagen en belastingrente. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De rechtbank behandelde tevens de ontvankelijkheid van de bezwaren en het rechtstreekse beroep tegen afwijzing van verzoeken om ambtshalve vermindering, en concludeerde dat de beroepen inhoudelijk konden worden beoordeeld.

Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV over 2019, 2020 en 2021 worden ongegrond verklaard en de aanslagen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 24/2236, 24/2237 en 24/2238

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 maart 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam 1] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Amsterdam, de inspecteur
(gemachtigde: mr. [naam 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 10 maart 2023 en 1 maart 2024.
Zaaknummer LEE 24/2236
1.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 17 september 2022 aan eiser over het jaar 2019 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.207. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur eiser € 458 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar eveneens behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft dat verzoek bij een beschikking van 10 maart 2023 afgewezen.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld bij Rechtbank Noord-Holland. Omdat Rechtbank Noord-Nederland bevoegd is kennis te nemen van het beroep, heeft Rechtbank Noord-Holland bij brief van 5 april 2024 het beroep doorgezonden.
1.5.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Zaaknummer LEE 24/2237
1.6.
De inspecteur heeft met dagtekening 17 september 2022 aan eiser over het jaar 2020 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.302. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur eiser € 24 belastingrente in rekening gebracht.
1.7.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
1.8.
De inspecteur heeft het bezwaar eveneens behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft dat verzoek bij beschikking van 10 maart 2023 afgewezen.
1.9.
Eiser heeft beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland. Omdat de rechtbank Noord-Nederland bevoegd is kennis te nemen van het beroep, heeft de rechtbank Noord-Holland bij brief van 5 april 2024 het beroep doorgezonden.
1.10.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Zaaknummer LEE 24/2238
1.11.
De inspecteur heeft met dagtekening 28 december 2022 aan eiser voor het jaar 2021 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.646. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser € 71 belastingrente in rekening gebracht.
1.12.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser afgewezen.
1.13.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Alle zaaknummers
1.14.
De rechtbank heeft beroepen op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de inspecteur. Eiser en zijn gemachtigde waren, hoewel zij op de juiste wijze zijn uitgenodigd voor de zitting, niet aanwezig.

Feiten

2.1.
Eiser dreef in de vorm van een vennootschap onder firma tezamen met zijn broer [naam 1] een onderneming genaamd [naam onderneming] . De onderneming is in 2002 gestaakt. Eiser was voor 50% gerechtigd tot het vermogen en het resultaat van de vennootschap onder firma. De onderneming had een vordering van € 91.482 (ƒ 201.600) op [naam 3] (hierna: de vordering).
2.2.
In zijn aangifte IB/PVV 2019, 2020 en 2021 heeft eiser respectievelijk -/- € 15.000, -/- € 5.000 en -/- € 10.000 opgegeven als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Deze bedragen hebben betrekking op afwaarderingen op de vordering.
2.3.
Voor het jaar 2021 is de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV afgeweken van de aangifte van eiser. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag het door eiser opgegeven negatieve belastbare resultaat uit overige werkzaamheden niet in aanmerking genomen.
2.4.
Voor de jaren 2019 en 2020 heeft de inspecteur de aanslagen IB/PVV vastgesteld overeenkomstig de aangiften. Middels navorderingsaanslagen heeft de inspecteur ten aanzien van deze jaren het aanvankelijk in aanmerking genomen negatieve belastbare resultaat uit overige werkzaamheden gecorrigeerd. De navorderingsaanslagen zijn berekend zonder het in aanmerking nemen van het negatieve belastbare resultaat uit overige werkzaamheden.
2.5.
In zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2009, 2014 en 2015 heeft eiser ook negatieve belastbare resultaten uit overige werkzaamheden aangegeven van in totaal € 50.000. Deze negatieve resultaten hadden eveneens betrekking op afwaarderingen op de vordering. Bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV voor die jaren zijn deze negatieve resultaten wel in aanmerking genomen. De inspecteur heeft voor deze jaren geen navorderingsaanslagen opgelegd.
2.6.
Eiser heeft ook ten aanzien van de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2016, 2017 en 2018 geprocedeerd. Daarbij was in geschil of de inspecteur de ook in die jaren opgegeven negatieve belastbare resultaten uit overige werkzaamheden, die eveneens zagen op afwaarderingen op de vordering, terecht had geweigerd. Eiser is in die procedures niet in het gelijk gesteld. [1]

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de belastingaanslagen niet te hoog heeft vastgesteld en terecht geen rekening heeft gehouden met de negatieve belastbare resultaten uit overige werkzaamheden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de belastingaanslagen niet te hoog heeft vastgesteld omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat afwaardering van de vordering in de in geschil zijnde jaren gerechtvaardigd was. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf: inzake de ontvankelijkheid van het bezwaar en het rechtstreekse beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering (jaren 2019 en 2020)
5. De inspecteur heeft de bezwaren van eiser tegen de navorderingsaanslagen over 2019 en 2020 niet-ontvankelijk verklaard, omdat die te laat waren ingediend. Bij brief van 16 mei 2023 heeft de rechtbank Noord-Holland eiser er op gewezen dat zijn bezwaren niet-ontvankelijk waren verklaard en dat zijn beroepsgronden mede betrekking moeten hebben op die niet-ontvankelijkverklaring. Eiser heeft in beroep geen gronden aangevoerd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de inspecteur de bezwaren van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank zal de beroepen van eiser voor zover deze zijn gericht tegen de uitspraken op bezwaar ten aanzien van de jaren 2019 en 2020, daarom ongegrond verklaren.
6. De inspecteur heeft de bezwaren van eiser – terecht – tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslagen 2019 en 2020. [2] De inspecteur heeft daarop beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking (zie 1.3. en 1.8.). Eiser heeft geen bewaar gemaakt tegen deze beschikkingen. Voordat beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank geldt als uitgangspunt dat wel eerst de bezwaarfase moet worden doorlopen. Dit kan anders zijn indien beide partijen instemmen met een rechtstreeks beroep en aldus met het overslaan van de bezwaarfase.
7. De inspecteur heeft in dit geval verzocht om de beroepen eveneens op te vatten als rechtstreekse beroepen tegen de afwijzende beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering. Eiser heeft zich in zijn beroepsschriften niet uitdrukkelijk uitgelaten over een rechtstreeks beroep. Omdat eiser niet aanwezig was op de zitting heeft de rechtbank het hem ook niet kunnen voorhouden. Eiser heeft in zijn beroepsschriften enkel inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de hoogte van de navorderingsaanslagen. De rechtbank begrijpt daaruit dat eiser een inhoudelijk oordeel wil van de rechtbank over de navorderingsaanslagen 2019 en 2020 en dus zou willen instemmen met een rechtstreeks beroep tegen de afwijzende beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering. Dat is immers de enige manier voor de rechtbank om in deze beroepen tot een inhoudelijke beoordeling van het voorgelegde geschil te komen. De rechtbank zal daarom – mede om redenen van proceseconomie – de beroepschriften eveneens aanmerken als rechtstreekse beroepen tegen de afwijzende beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering en daarop beslissen. [3]
Kan eiser in 2019, 2020 en 2021 ter zake van de afwaardering van de vordering negatieve belastbare resultaten uit overige werkzaamheden in aanmerking nemen?
8. Eiser stelt dat de afwaardering van de vordering (ook) in de jaren 2019, 2020 en 2021 tot een negatief belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden leidt.
9. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op enige aftrek in verband met de vordering. De inspecteur heeft als uitgangspunt genomen dat de vordering ten tijde van de staking van de onderneming in 2002 bestond, dat deze toen in totaal € 91.482 bedroeg en dat, gelet op de winstverdeling van de vennootschap onder firma, de vordering voor 50% aan eiser toebehoorde (dus voor € 45.471). De inspecteur heeft er vervolgens op gewezen dat in de jaren 2009, 2014 en 2015 al afwaarderingen op de vordering van in totaal € 50.000 in aanmerking zijn genomen. Daarmee is volgens de inspecteur de vordering al volledig afgewaardeerd en bestaat er dus in onderhavige jaren geen recht op verdere afwaardering van de vordering.
10. Omdat het in aanmerking nemen van een negatief belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden de belastingaanslagen verlaagt, rust op eiser de bewijslast. Dit betekent dat eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aannemelijk moet maken, dat in de onderhavige jaren een (verdere) afwaardering van de vordering gerechtvaardigd was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser het van hem verlangde bewijs niet geleverd. Eiser heeft geen inzicht gegeven over het ontstaan van de vordering, de vraag of de vordering in onderhavige jaren nog bestond, en zo ja, wat de omvang daarvan was en welk deel de vordering hem nog toekwam en of in voorkomend geval aanleiding bestond de vordering af te waarderen. De inspecteur heeft reeds daarom de negatieve belastbare resultaten uit overige werkzaamheden terecht niet in aanmerking genomen.
Beroep op het vertrouwensbeginsel
11. Voor zover eiser zich (ook) op het standpunt stelt dat de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de afwaardering van de vordering in de onderhavige jaren mogelijk was overweegt de rechtbank als volgt.
12. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat een belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [4] Eiser heeft enkel verwezen naar over eerdere jaren (2012 t/m 2015) met de inspecteur gemaakte afspraken. Daarmee heeft eiser niet het van hem verlangde bewijs geleverd. De rechtbank merkt hierbij nog op dat eiser in dit kader niets anders of meer heeft aangevoerd dan in de eerdere procedures bij het gerechtshof Amsterdam over de jaren 2016 en 2017. Het gerechtshof heeft in die procedures geoordeeld dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel niet kon slagen. [5] Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook nu niet.
Belastingrente
13. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan hetgeen de inspecteur daarover in zijn verweerschriften heeft gesteld, wat daar verder ook van zij.

Conclusie en gevolgen

14. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de belastingaanslagen en de belastingrentebeschikkingen in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2025.
w.g. griffier
w.g. rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie Gerechtshof Amsterdam 12 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2743, voor de uitspraak in het hoger beroep ten aanzien van de jaren 2016 en 2017. De rechtbankuitspraken zijn niet gepubliceerd.
2.In de zin van artikel 9.6 van de Wet IB 2001.
3.Op de voet van artikel 7:1a van de Awb.
4.Zie Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.
5.Zie Gerechtshof Amsterdam 12 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2743.