Op 11 december 2024 vond een incident plaats waarbij verdachte en een medeverdachte een conflict hadden met het slachtoffer. Zij sloegen het slachtoffer meerdere keren op het hoofd en in het gezicht. Verdachte werd vervolgd voor huisvredebreuk, mishandeling en bedreiging met een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.
De rechtbank oordeelde dat huisvredebreuk niet wettig en overtuigend bewezen kon worden vanwege onduidelijkheid over het binnentreden van de woning. Ook was er onvoldoende bewijs voor bedreiging met een wapen, aangezien het slachtoffer het wapen niet had gezien en getuigen hierover niet konden bevestigen. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte samen met de medeverdachte het slachtoffer meerdere keren mishandelde, hetgeen medeplegen inhoudt.
Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand, met aftrek van het voorarrest. Gezien de duur van het voorarrest zag de rechtbank geen ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel. Daarnaast werden in beslag genomen goederen, waaronder kogelwerende vesten en telefoons, aan verdachte teruggegeven, terwijl een onderhoudsset voor een vuurwapen werd onttrokken aan het verkeer.