Volkswagen Pon Financial Services B.V. kreeg een boete opgelegd voor het rijden met 5 km/u te hard binnen de bebouwde kom op 26 mei 2024. Deze boete werd op 14 juni 2024 vernietigd door de officier van justitie, maar deze vernietiging werd pas op 5 augustus 2024 aan Volkswagen medegedeeld. Intussen had de gemachtigde van Volkswagen op 17 juni 2024 administratief beroep ingesteld tegen de boete.
De kantonrechter oordeelde dat vanaf het moment van verzending van de inleidende beschikking de officier van justitie het verantwoordelijke bestuursorgaan is en niet de opsporingsinstantie. De opsporingsinstantie had de beschikking niet ingetrokken, maar de officier van justitie had deze vernietigd. Omdat de vernietiging pas na het instellen van het beroep werd medegedeeld, was het beroep op proceskostenvergoeding gegrond.
De rechtbank vernietigde de beslissing van de officier van justitie voor wat betreft de proceskostenvergoeding en kende deze alsnog toe aan Volkswagen voor de professionele rechtsbijstand bij het administratief beroep en de fase bij de kantonrechter. De totale proceskostenvergoeding werd begroot op €550,25. De kantonrechter verklaarde zich onbevoegd over de wijze van uitbetaling van deze vergoeding.
Tenslotte werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na toezending van de beslissing.