ECLI:NL:RBNNE:2026:1012

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
12084099 \ VV EXPL 26-8
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning na rechtmatige opzegging begeleidingsovereenkomst en huurovereenkomst

LIMOR en [gedaagde] sloten een begeleidingsovereenkomst in november 2024 en een tijdelijke huurovereenkomst in juni 2025, waarbij LIMOR een woning ter beschikking stelde voor de duur van de begeleiding. LIMOR ontving meldingen van overlast en constateerde dat [gedaagde] zich niet aan afspraken hield, waaronder het niet meewerken aan begeleiding. Na twee waarschuwingsbrieven en een incident waarbij een medewerker werd mishandeld, zegde LIMOR de begeleidingsovereenkomst op 5 januari 2026 op en verzocht [gedaagde] de woning te verlaten, wat niet gebeurde.

LIMOR vorderde in kort geding ontruiming van de woning en betaling van een gebruiksvergoeding. De kantonrechter oordeelde dat de begeleidingsovereenkomst en huurovereenkomst onlosmakelijk verbonden zijn en dat het zorgelement overheerst, waardoor geen huurbescherming geldt. De beëindiging van de begeleidingsovereenkomst was terecht vanwege overlast en grensoverschrijdend gedrag, wat ook de huurovereenkomst beëindigde.

De vordering tot ontruiming werd toewijsbaar geacht, met een termijn van veertien dagen na betekening. Ook werd de gebruiksvergoeding toegewezen vanaf 1 maart 2026 tot ontruiming, met rente vanaf de verzuimdata. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [gedaagde] werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de huurder tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening wegens rechtmatige beëindiging van de begeleidingsovereenkomst en huurovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 12084099 \ VV EXPL 26-8
Vonnis in kort geding van 30 maart 2026
in de zaak van
LANDELIJKE INSTELLING VOOR MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN REHABILITATIE,
te Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: LIMOR,
gemachtigde: mr. B.J. van den Berg,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de nagezonden producties van LIMOR,
- de mondelinge behandeling van 16 maart 2026, waarbij namens LIMOR mevr. [naam] en mr. Van den Berg zijn verschenen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken,
- de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagde ter zitting.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen LIMOR en [gedaagde] zijn een (eerste) begeleidingsovereenkomst in november 2024 en een tijdelijke huurovereenkomst in juni 2025 tot stand gekomen. In het kader van de begeleiding van LIMOR heeft LIMOR een woning aan [gedaagde] ter beschikking gesteld voor de duur van de begeleiding, liggend aan de [adres] .
2.2.
LIMOR heeft meldingen van overlast ontvangen over [gedaagde] . Daarnaast constateerde zij zelf dat [gedaagde] zich niet aan de gemaakte afspraken, met name het toestaan en meewerken aan de begeleiding, hield. Op 14 oktober 2025 heeft LIMOR daarom aan [gedaagde] een eerste waarschuwingsbrief gestuurd. Op 12 december 2025 is er, na aanhoudende klachten, een tweede waarschuwingsbrief gestuurd.
2.3.
Op onder andere 29 december 2025 heeft er een incident plaatsgevonden tussen een medewerker van LIMOR en [gedaagde] . (De medewerker van) LIMOR heeft daarop aangifte gedaan van mishandeling.
2.4.
LIMOR heeft de begeleidingsovereenkomst vervolgens per 5 januari 2026 opgezegd. Bij brief van 12 januari 2026 is [gedaagde] de kans gegeven om de woning per direct vrijwillig te verlaten. [gedaagde] heeft hieraan geen gehoor gegeven.
2.5.
Vervolgens is LIMOR de onderstaande procedure begonnen.

3.Het geschil

3.1.
LIMOR vordert samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ontruiming van de woning aan [adres] binnen veertien dagen na dit vonnis en betaling van een gebruiksvergoeding van € 630,99 per maand (of een evenredig percentage) tot en met de maand van ontruiming, te vermeerderen met de rente en kosten.
3.2.
LIMOR legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met de begeleidingsovereenkomst, waardoor LIMOR deze rechtmatig heeft opgezegd. Als gevolg van die opzegging is ook de huurovereenkomst, volgens LIMOR, rechtmatig geëindigd. [gedaagde] dient daarom de woning te ontruimen.
3.3.
[gedaagde] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend ter zitting.

4.De beoordeling

Het spoedeisend belang
4.1.
Uit de aard van de vordering blijkt naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam dat er sprake is van spoedeisend belang aan de zijde van LIMOR.
De beoordeling in kort geding
4.2.
In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de vordering van LIMOR in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorlopige voorziening. Nu het om een ingrijpende maatregel van ontruiming gaat, met verstrekkende gevolgen voor [gedaagde] , is voor toewijzing alleen plaats wanneer de bodemrechter, als het geschil aan haar wordt voorgelegd, met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid tot toewijzing van de vordering zal komen.
De inhoudelijke beoordeling
4.3.
In de onderhavige procedure gaat het om de vraag of de begeleidingsovereenkomst en de huurovereenkomst in de rechtsverhouding tussen LIMOR en [gedaagde] onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en het zorgelement daarin overheerst. Indien dat zo is, dient de kantonrechter vervolgens te beoordelen of de begeleidingsovereenkomst terecht is beëindigd en daarmee ook de huurovereenkomst is beëindigd, waardoor [gedaagde] de woning dient te ontruimen.
4.4.
Volgens LIMOR zijn de begeleidingsovereenkomst en de huurovereenkomst onlosmakelijk met elkaar verbonden, waardoor er geen sprake is van huurbescherming. Zij verwijst daarbij onder andere naar artikel 3 van Pro de begeleidingsovereenkomst en artikel 11.1 van de huurovereenkomst. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de overeenkomsten inderdaad onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat het zorgelement overheerst. In beide overeenkomsten staat expliciet vermeld dat de huurovereenkomst eindigt, indien de begeleidingsovereenkomst eindigt. Daarnaast volgt uit beide overeenkomsten en het zorgplan dat de zorg vooropstaat. [gedaagde] komt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen wettelijke huurbescherming toe. De kantonrechter komt daarom toe aan de volgende vraag.
4.5.
LIMOR stelt dat zij de begeleidingsovereenkomst heeft beëindigd op grond van het niet meewerken aan de behandeling, het veroorzaken van overlast in de woning en het vertonen van grensoverschrijdend gedrag. LIMOR stelt dat [gedaagde] zich sinds het begin van de begeleiding niet aan de afspraken houdt, dat zij meerdere overlastmeldingen van omwonenden heeft ontvangen, en dat [gedaagde] tijdens één incident grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond en tijdens één incident een medewerker heeft mishandeld. [gedaagde] heeft, nu hij niet is verschenen, deze stellingen niet weerlegd. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat LIMOR voldoende onderbouwd heeft gesteld dat er sprake is van overlast en van zeer ongewenst gedrag door [gedaagde] . Het vertoonde - en niet weersproken - gedrag voldoet naar het oordeel van de kantonrechter aan de directe beëindigingsgronden van artikel 4.3.1. sub a, sub b, sub c en sub e van de begeleidingsovereenkomst. De begeleidingsovereenkomst en daarmee ook de huurovereenkomst zijn daarom naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter op goede grond geëindigd.
4.6.
Ondanks de beëindiging van de begeleidingsovereenkomst en de huurovereenkomst, heeft [gedaagde] de woning niet ontruimd. Nu de vordering de kantonrechter op grond van het voorgaande niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt én er een grote kans bestaat dat ook de bodemrechter zal oordelen dat de huurovereenkomst is beëindigd, is de vordering van LIMOR tot ontruiming van de woning toewijsbaar. De ontruimingstermijn wordt bepaald op een termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis.
4.7.
De vordering met betrekking tot de gebruiksvergoeding tot en met de maand van ontruiming komt de kantonrechter ook niet onrechtmatig of ongegrond voor. De wettelijke rente over deze vergoeding zal niet worden toegewezen vanaf 1 maart 2026, nu dit deel van de vordering dan (nog) niet opeisbaar is. De kantonrechter zal daarom de rente toewijzen vanaf de respectievelijke verzuimdata van de gebruiksvergoeding, telkens aanvangende op de tweede dag van die maand.
De uitvoerbaarheid bij voorraad-verklaring
4.8.
LIMOR vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kantonrechter is van oordeel dat het belang van LIMOR, bestaande uit de omstandigheid dat zij na beëindiging van de begeleiding de woning niet meer ter beschikking kan stellen aan [gedaagde] , zwaarder weegt dan het (kenbare) belang van [gedaagde] , bestaande uit zijn woonbelang. Het vonnis zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
De proceskosten
4.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van LIMOR worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.013,02
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van LIMOR zijn, en de sleutels af te geven aan LIMOR,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om met ingang van 1 maart 2026 tot en met de dag dat hij de woning aan de [adres] zal hebben ontruimd en verlaten, aan LIMOR een gebruiksvergoeding ten bedrage van € 630,99 per maand te betalen, of een evenredig percentage daarvan indien hij de woning gedurende de maand ontruimt en verlaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke verzuimdata van de gebruiksvergoeding tot en met de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.013,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Bootsma en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.
58180