ECLI:NL:RBNNE:2026:105

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
C/18/251252 / KG RK 25/405
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek rechter in bestuursrechtelijke procedure kennelijk ongegrond verklaard

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 20 januari 2026 een wrakingsverzoek van een partij tegen mr. E. Hardenberg, bestuursrechter belast met een bestuursrechtelijke procedure. De verzoeker stelde twijfels over de deskundigheid, objectiviteit en eerlijkheid van de rechter, verwijzend naar een tussenuitspraak en het buiten beschouwing laten van stukken zonder kennisgeving.

De rechter verwierp het verzoek en stelde dat het te laat was ingediend en dat het enkele feit dat procesbeslissingen niet in het voordeel van verzoeker waren, geen aanwijzing voor partijdigheid vormde. De rechtbank toetste het verzoek aan artikel 8:15 Awb Pro en artikel 6 EVRM Pro, waarbij onpartijdigheid van rechters wordt vermoed tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel bewijzen.

De rechtbank oordeelde dat een rechterlijke tussenuitspraak geen grond voor wraking kan zijn, tenzij deze onbegrijpelijk is anders dan als blijk van vooringenomenheid, wat hier niet het geval was. Er werden geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die vooringenomenheid of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor aannemelijk maakten. Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard en de procedure voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de bestuursrechter is kennelijk ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Wrakingskamer
Locatie Leeuwarden
zaaknummer: C/18/251252 / KG RK 25/405
Beslissing van 20 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker
strekkende tot de wraking van
mr. E. Hardenberg
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van 24 december 2025;
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 13 januari 2026.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. E. Hardenberg, bestuursrechter die belast is met de behandeling van de bestuursrechtelijke procedure met zaaknummer [nummer] .
2.2.
De verzoeker heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek, kort samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat er bij hem twijfels bestaan over de deskundigheid, de objectiviteit en de eerlijkheid van de rechter. Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit de tussenuitspraak van de rechter blijkt dat de rechter niet bekend is met de relevante regelgeving. Daar komt bij dat tijdens de terechtzitting is gebleken dat ingediende stukken buiten beschouwing zouden worden gelaten, zonder dat de verzoeker daarvan op de hoogte was gesteld. De rechter lijkt vooringenomen te zijn ten aanzien van de standpunten van de gemeente.

3.Het standpunt van de rechter

3.1.
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking en heeft zijn standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt per brief van 13 januari 2026.
3.2
De rechter heeft zich primair op het standpunt gesteld dat voor zover het wrakingsverzoek betrekking heeft op de behandeling ter zitting, het verzoek te laat is ingediend omdat de verzoeker al bekend was met de feiten en omstandigheden. Subsidiair heeft de rechter zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van enige (schijn van) partijdigheid aan zijn zijde. Daartoe heeft de rechter aangevoerd dat het enkele feit dat er procesbeslissingen zijn genomen waarmee de verzoeker het mogelijk niet eens is, niet maakt dat sprake is van enige (schijn van) vooringenomenheid of partijdigheid.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 8:15 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
4.2.
Ingevolge artikel 8:15 Awb Pro kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 Awb Pro en artikel 6 EVRM Pro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend.
4.3.
De rechtbank overweegt dat het verzoek tot wraking zich richt op de tussenuitspraak van de rechter. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt met zich dat een rechterlijke (tussen)beslissing nooit een grond kan vormen voor wraking. [1] Dit is alleen anders indien (de motivering van) die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is in casu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank overweegt verder dat aan het verzoek tot wraking geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit de vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is.
4.4.
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Nederland (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Noord-Nederland, meer regels en procedures, wraking, wrakingsprotocol).

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
5.2.
bepaalt dat de procedure met zaaknummer [nummer] wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
5.3.
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan:
- de verzoeker;
- de gewraakte rechter; mr. E. Hardenberg;
- de betrokken partij(en).
Deze beslissing is gegeven op 20 januari 2026 door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. I. Zetstra en mr. H.J. Idzenga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Toussaint als griffier.
- de griffier - de voorzitter
(De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen)
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.