Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procedure
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 24 december 2025;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 13 januari 2026.
Rechtbank Noord-Nederland
Op 20 januari 2026 heeft de rechtbank Noord-Nederland, zitting houdende in Leeuwarden, een wrakingsverzoek behandeld dat was ingediend door een verzoeker tegen mr. E. Hardenberg, de rechter die belast was met de behandeling van een bestuursrechtelijke procedure. Het wrakingsverzoek was ingediend op 24 december 2025 en de rechter had op 13 januari 2026 schriftelijk gereageerd. De verzoeker stelde dat hij twijfels had over de deskundigheid, objectiviteit en eerlijkheid van de rechter, en voerde aan dat de rechter niet bekend was met relevante regelgeving en dat er tijdens de zitting stukken buiten beschouwing waren gelaten zonder dat hij daarvan op de hoogte was gesteld. De rechter betwistte deze claims en stelde dat het verzoek tot wraking te laat was ingediend en dat er geen sprake was van partijdigheid.
De rechtbank overwoog dat volgens artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht een rechter gewraakt kan worden op basis van feiten die de onpartijdigheid van de rechter in gevaar kunnen brengen. De rechtbank benadrukte dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling vermoed wordt onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die dit tegenspreken. De rechtbank concludeerde dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond was, omdat het verzoek zich richtte op een tussenuitspraak van de rechter, wat volgens het gesloten stelsel van rechtsmiddelen geen grond voor wraking kan zijn. Er waren geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die de vrees voor vooringenomenheid van de rechter objectief gerechtvaardigd zouden maken. De rechtbank besloot het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond te verklaren en de procedure met het bijbehorende zaaknummer voort te zetten.