Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1055

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
26/570
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWmo 2015Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening beschermd wonen Wmo 2015 wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen inzake beschermd wonen op grond van de Wmo 2015. Het college had eerder besloten dat verzoeker in aanmerking kwam voor beschermd wonen van 31 juli 2025 tot 30 juli 2027. Na een time-out en pandverbod vanwege overtreding van verblijfvoorwaarden heeft verzoeker verzocht de indicatie per 12 februari 2026 in te trekken, wat het college heeft gedaan.

Verzoeker wilde dat de indicatie per 29 december 2025 werd beëindigd en stelde een spoedeisend belang vanwege mogelijke hogere eigen bijdrage en rechtsonzekerheid. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang bestaat omdat de indicatie inmiddels is beëindigd en er geen financiële noodzaak is gebleken.

Het bezwaar van verzoeker werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af zonder zitting, conform artikel 8:83 Awb Pro. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 13 maart 2026 door voorzieningenrechter H.J. Bastin.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/570

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen, het college

(gemachtigde: mr. M.S. Smith).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Het college heeft met het besluit van 22 augustus 2025 beslist dat verzoeker in aanmerking komt voor beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 [1] over de periode van 31 juli 2025 tot en met 30 juli 2027 (de indicatie). Met het bestreden besluit van 7 januari 2026 op het bezwaar van verzoeker is het college bij dit besluit gebleven.
1.2.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb [2] maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
3. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1.
Verzoeker verbleef in het kader van de indicatie bij de vestiging van de [instelling] in Groningen. Op 30 december 2025 heeft verzoeker van een medewerkster van deze Stichting een time-out en een pandverbod uitgereikt gekregen vanwege het schenden van de voorwaarden voor het verblijf. Op uitdrukkelijk verzoek van verzoeker heeft het college met het besluit van 19 februari 2026 de indicatie per 12 februari 2026 ingetrokken.
3.2.
Het bezwaar van verzoeker is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen procesbelang had. Enkel het onderzoeksverslag van 30 juli 2025 maakt onderdeel uit van het besluit van 22 augustus 2025. Dat is waarom verzoeker bezwaar had gemaakt.
3.3.
Verzoeker wil in deze procedure bereiken dat de indicatie wordt beëindigd per 29 december 2025, waarbij het spoedeisend belang voor hem gelegen is in een mogelijke hogere eigen bijdrage die het CAK zal innen en de voor hem bestaande rechtsonzekerheid.
4. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige voorziening, nu de indicatie beëindigd is en van een financiële noodzaak om een voorlopige voorziening te treffen niet is gebleken. De door verzoeker gestelde rechtsonzekerheid – wat daar verder ook van zij – leent zich niet voor een beoordeling in het kader van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

5. Hieruit volgt dat het verzoek kennelijk ongegrond is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
2.Algemene wet bestuursrecht.