Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1098

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
18/730381-13
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38d SrArt. 38e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging terbeschikkingstelling met dwangverpleging wegens hoog recidiverisico

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 24 februari 2026 besloten de terbeschikkingstelling (TBS) van de veroordeelde met twee jaren te verlengen. De veroordeelde is eerder veroordeeld wegens medeplegen van moord en ondergaat sinds 2020 een TBS-maatregel met dwangverpleging. De verlenging volgt op een advies van het behandelteam van de kliniek waar de veroordeelde verblijft, waarin wordt gesteld dat de veroordeelde nog niet voldoende vaardigheden bezit om zelfstandig te wonen en een hoog risico op recidive blijft bestaan.

Tijdens de zitting op 10 februari 2026 bevestigde een deskundige het advies en lichtte toe dat de incidentenanalyse was afgerond en dat het contact van de veroordeelde met zijn vriendin zorgwekkend is. De veroordeelde is teruggeplaatst naar de kliniek na ongeoorloofde afwezigheid en het intrekken van zijn verlofmachtiging. Er is een stappenplan opgesteld voor een mogelijke toekomstige overplaatsing naar een transmurale voorziening, waarvoor een termijn van twee jaren noodzakelijk wordt geacht.

De officier van justitie vorderde de verlenging met twee jaren, terwijl de raadsman pleitte voor een verlenging van één jaar, stellende dat het programma slechts een tijdelijke terugval kende. De rechtbank oordeelde dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid dit niet toelaten en dat de behandeling meer tijd vergt dan één jaar. Daarom werd de TBS-maatregel met twee jaren verlengd, conform het advies en de vordering.

De beslissing is genomen op basis van de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht en is uitgesproken door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met twee jaren vanwege het hoge recidiverisico en onvoldoende draagkracht van de veroordeelde.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/730381-13
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 24 februari 2026 in de rechtbank Noord-Nederland
in de zaak tegen

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , thans verblijvende in [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank de termijn van terbeschikkingstelling van de veroordeelde zal verlengen met twee jaren.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026, waarbij aanwezig waren de veroordeelde, zijn raadsman mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden, de officier van justitie mr. S. Broekstra en mevrouw
B.S. Wemekamp als deskundige.
De rechtbank heeft acht geslagen op de stukken, waaronder met name het door het plaatsvervangend hoofd van de inrichting ondertekende rapport met advies d.d.
24 december 2025, van het behandelteam van de instelling waar de veroordeelde van overheidswege wordt verpleegd en de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde.

Motivering

De opgelegde terbeschikkingstelling
Bij arrest van 1 oktober 2015 heeft het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden veroordeelde wegens het medeplegen van moord ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.
De terbeschikkingstelling is aangevangen op 27 februari 2020 en laatstelijk op 29 februari 2024 verlengd met twee jaren.
Het advies van de instelling
In het verlengingsadvies wordt geadviseerd de termijn van de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren. In dit verlengingsadvies is onder meer het volgende aangegeven, zakelijk weergegeven:
Veroordeelde is een 48-jarige man bij wie sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en vermijdende trekken, zwakbegaafdheid en ernstige afhankelijkheid van alcohol en cocaïne (thans in langdurige remissie).
Op 1 mei 2025 is veroordeelde van de transmurale voorziening van FPC [verblijfplaats] overgeplaatst naar begeleid zelfstandig wonen [instelling] . Na een positieve start van dit verblijf is veroordeelde op 18 augustus 2025 wegens ongeoorloofde afwezigheid teruggeplaatst naar de kliniek en is zijn verlofmachtiging ingetrokken. Er is begonnen met het uitvoeren van een incidentenanalyse van de ongeoorloofde afwezigheid, waarbij veroordeelde zich meewerkend opstelt.
Bij beëindiging van de tbs-maatregel wordt het risico op recidive ingeschat als hoog. In de afgelopen periode is gebleken dat veroordeelde nog niet over de draagkracht en de vaardigheden beschikt die nodig zijn bij het zelfstandig wonen binnen verlaagde begeleidingskaders. De kernproblematiek rondom de ongeoorloofde afwezigheid, impulsief gedrag en omgang met risicovolle contacten, dient nader getoetst en behandeld te worden.
Veroordeelde heeft begeleiding nodig om niet opnieuw te vervallen in risicovol en regelovertredend gedrag. Op dit moment heeft veroordeelde onvoldoende vaardigheden om in een setting te verblijven met een minder hoog beveiligingsniveau dan een FPC.
Het voornemen voor de komende periode is om de draagkracht en begeleidingsbehoefte van veroordeelde te onderzoeken en aan de hand daarvan vanuit de transmurale voorziening van het FPC de uitstroommogelijkheden te toetsen. In maart 2026 zal transmuraal verlof worden aangevraagd. Bij een positief advies zal veroordeelde, na het doorlopen van een stappenplan, in de zomer worden overgeplaatst naar de transmurale voorziening van het FPC [verblijfplaats] .
Om deze stappen te ondernemen, de invloed van de medicatie op veroordeelde te kunnen observeren en reguleren en het vormgeven van een uitstroomtraject welke past bij de draagkracht van veroordeelde, is een verlenging met twee jaren noodzakelijk.
De deskundige heeft tijdens de terechtzitting van 10 februari 2026 het advies bevestigd en nader toegelicht. Deze toelichting houdt - zakelijk weergegeven - in:
De incidentenanalyse is inmiddels afgerond. Hieruit blijkt dat bij het wegvallen van structuur en toezicht veroordeelde zijn keuzes onvoldoende overziet. Ook heeft de kliniek zorgen over het contact van veroordeelde met zijn vriendin. Wanneer de aanvraag voor transmuraal verlof wordt goedgekeurd zullen
we starten met het nieuwe stappenplan. In dit stappenplan wordt de uitstroomstap overgeslagen. Er zal worden gestart vanaf het moment dat het eerder goed ging, namelijk de transmurale voorziening. Er wordt dus een grotere stap gemaakt dan normaal. We moeten dan ook niet te snel willen. Om het hele traject te doorlopen is tijd nodig en hiervoor is een termijn van twee jaren zeker nodig.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij haar vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met twee jaren.
Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat volstaan kan worden met een verlenging met één jaar. De raadsman heeft dit standpunt als volgt toegelicht: er is vorig jaar augustus iets misgegaan, waardoor geconstateerd zou kunnen worden dat het programma te licht is geweest. Dat hoort bij vallen en opstaan. Gesteld kan worden dat men bezig was met een plan en dat dat plan in augustus een nieuwe fase is ingegaan. Gelet hierop kan over een jaar worden gekeken of er voldoende argumenten zijn om de tbs-maatregel voorwaardelijk te beëindigen. De raadsman verzoekt dan ook om de tbs-maatregel met één jaar te verlengen in plaats van met twee jaren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de overwegingen in het onderliggende arrest vast dat de terbeschikkingstelling niet in duur beperkt is en dus verlengd kan worden.
Op grond van de inhoud van voormeld advies, de door de deskundige gegeven toelichting en hetgeen overigens uit het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen vereist dat de termijn van de dwangmaatregel wordt verlengd.
Uitganspunt is dat wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling van de terbeschikkinggestelde meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar, de terbeschikkingstelling verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren. Dit kan anders zijn indien de reële kans bestaat dat de maatregel al na verloop van één jaar kan worden gewijzigd of beëindigd dan wel indien het verloop van de behandeling daartoe aanleiding geeft.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de verlengingstermijn dat er geen gronden aanwezig zijn om te verwachten dat de verpleging van overheidswege na één jaar voorwaardelijk zal worden beëindigd.
Veroordeelde is in de afgelopen periode overgeplaatst naar een begeleid zelfstandig wonen locatie. Hij is echter teruggeplaatst naar de kliniek wegens ongeoorloofde afwezigheid en zijn verlofmachtiging is eveneens ingetrokken. Uit het verlengingsadvies en de toelichting van de deskundige ter zitting volgt dat er een aanvraag voor transmuraal verlof zal worden ingediend, waarna veroordeelde kan worden overgeplaatst naar de transmurale voorziening van de kliniek. Daar kunnen passende uitstroommogelijkheden worden onderzocht. Ter terechtzitting heeft de deskundige bevestigd dat voor dit traject zeker een termijn van twee jaren nodig zal zijn. Gelet hierop ziet de rechtbank dan ook geen
redenen om af te wijken van voornoemd algemeen uitgangspunt.
De rechtbank zal de terbeschikkingstelling, overeenkomstig de vordering en het verlengingsadvies, met twee jaren verlengen.
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van de veroordeelde met twee jaren.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 februari 2026.