ECLI:NL:RBNNE:2026:1100

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
17/880262-10
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38d SrArt. 38e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging terbeschikkingstelling met dwangverpleging wegens borderline persoonlijkheidsstoornis

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 24 februari 2026 besloten de terbeschikkingstelling (TBS) van de veroordeelde met twee jaren te verlengen. De veroordeelde is sinds 2017 ter beschikking gesteld wegens doodslag en verblijft sinds 2024 in een forensisch psychiatrisch centrum (FPC). De verlenging volgt op een advies van het behandelteam en een deskundige, die aangeven dat de behandeling nog in een vroeg stadium is en dat intensieve begeleiding noodzakelijk blijft.

De veroordeelde lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis en vertoont een vijandige en dreigende houding, wat heeft geleid tot een spoedoverplaatsing en een aanvraag van een EVBG-status. Ondanks de afhankelijkheid van intensieve begeleiding en het risico op agressieve escalaties, verblijft hij sinds september 2025 op een reguliere sociaal-therapeutische afdeling. De behandeling omvat onder meer het afronden van een delictanalyse en verdere psychotherapeutische modules.

De officier van justitie vorderde de verlenging met twee jaren, terwijl de raadsvrouw van de veroordeelde instemde met verlenging maar pleitte voor een termijn van één jaar om de voortgang te kunnen blijven toetsen. De rechtbank oordeelde dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid dit vereisen en dat de behandeling naar verwachting meer dan twee jaar zal duren. Daarom werd de verlenging met twee jaren toegewezen.

De beslissing is genomen met inachtneming van de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht en is uitgesproken door een meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met twee jaren vanwege de noodzaak van voortzetting van behandeling en het risico op gewelddadig gedrag.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 17/880262-10
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 24 februari 2026 in de rechtbank Noord-
Nederland
in de zaak tegen

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , verblijvende in [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank de termijn van terbeschikkingstelling van de veroordeelde zal verlengen met twee jaren.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026, waarbij aanwezig waren de veroordeelde, zijn raadsvrouw mr. S. Marjanovic, advocaat te Den Haag, de officier van justitie mr. S. Broekstra en mevrouw
F. de Reus als deskundige.
De rechtbank heeft acht geslagen op de stukken, waaronder met name het door het plaatsvervangend hoofd van de inrichting ondertekende rapport met advies van
18 december 2025, van het behandelteam van de instelling waar de veroordeelde van overheidswege wordt verpleegd en de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde.

Motivering

De opgelegde terbeschikkingstelling
Bij arrest van 22 december 2011 heeft het gerechtshof Leeuwarden de veroordeelde wegens doodslag ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.
De terbeschikkingstelling is aangevangen op 21 februari 2017 en laatstelijk op 20 februari 2024 verlengd met twee jaren.
Het advies van de instelling
In het verlengingsadvies wordt geadviseerd de termijn van de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren. In dit verlengingsadvies is onder meer het volgende aangegeven, zakelijk weergegeven:
Veroordeelde is een 40-jarige man bij wie sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis.
Sinds de verlengingszitting in februari 2024 is veroordeelde overgeplaatst naar [verblijfplaats] in het kader van een vierde behandelpoging. Zijn behoefte tot zelfbepaling en het slecht verdragen van autoriteit resulteren veelvuldig in een vijandige en dreigende houding. Dit heeft geleid tot een spoedoverplaatsing en een aanvraag van een EVBG-status (Extreem Vlucht- en Beheersgevaarlijk). Ondanks dat voortdurende intensieve begeleiding, begrenzing en toezicht noodzakelijk is om escalaties te voorkomen, is het mogelijk gebleken de beveiliging en begeleiding af te schalen naar de norm van een reguliere afdeling binnen de kliniek. Daarom verblijft veroordeelde sinds 29 september 2025 op afdeling [afdeling] , een sociaal-therapeutische behandelafdeling voor patiënten met een persoonlijkheidsstoornis. Veroordeelde is krenkbaar, heeft behoefte aan zelfbepaling en verdraagt autoriteit slecht. Hij blijkt voor zijn dagelijks functioneren afhankelijk van intensieve begeleiding in een afdelingsmilieu dat structurerend en begrenzend van karakter is. Ook voor het voorkomen van agressieve escalaties is hij afhankelijk van een dergelijke externe structuur. Zijn huidige opname betreft een vierde behandelpoging, eerdere pogingen kenmerken zich door onder andere zijn ambivalente houding ten opzichte van behandeling, het opzeggen van de samenwerking met het behandelteam en verscheidene incidenten. De risico's hangen vooral samen met zijn persoonlijkheidspathologie.
Bij het huidige verblijf in het FPC binnen de tbs-maatregel is het risico op gewelddadig gedrag nog matig tot hoog. De verwachting is dat bij toenemende vrijheden en vermindering van de intensiteit van de begeleiding de risico's toenemen. Langdurige psychotherapeutische behandeling is noodzakelijk om het recidiverisico te verlagen.
Veroordeelde verblijft nog relatief kort op een reguliere afdeling binnen het FPC. Er wordt de komende periode ingezet op het starten en continueren van geïndiceerde behandelmodulen, waaronder het afronden van de delictanalyse. De afwikkeling van het behandel- en resocialisatietraject van veroordeelde zal nog meer dan twee jaar in beslag nemen.
De deskundige mevrouw F. de Reus heeft tijdens de zitting van 10 februari 2026 het advies bevestigd en nader toegelicht. Deze toelichting houdt - zakelijk weergegeven - in:
Veroordeelde staat nog aan het begin van zijn behandeltraject en er zijn nog een belangrijk aantal stappen die gezet moeten worden. Daar werkt veroordeelde ook aan, maar daarbij is het vaak zoeken naar het
behouden van de behandelrelatie. De komende tijd zal eerst gekeken moeten worden of het lukt om de delictanalyse af te ronden. Het afronden van de delictanalyse is een belangrijk onderwerp in de behandeling. Er zijn wisselingen geweest in sociotherapeuten maar dat is niet de enige reden dat de analyse niet is afgerond. Veroordeelde stelt steeds randvoorwaarden, zodat het vaak meer over de randzaken gaat dan waar het inhoudelijk over zou moeten gaan.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij haar vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met twee jaren.
Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsvrouw
De veroordeelde en zijn raadsvrouw hebben zich niet verzet tegen een verlenging van de terbeschikkingstelling, maar wel tegen de gevorderde duur van de verlenging.
De raadsvrouw heeft dit standpunt als volgt toegelicht:
Aan de formele vereisten voor een verlenging van de terbeschikkingstelling is voldaan. Het zwaartepunt ligt bij de duur van de verlenging. Veroordeelde is zich ervan bewust dat hij in deze kliniek aan de start staat van zijn behandeling. Ook ziet hij in dat er stappen gezet moeten worden en dat zijn behandeling nog lang zou kunnen duren. De tbs-maatregel van veroordeelde kent een lange voorgeschiedenis en in andere klinieken is het niet gelukt om zinnige stappen te zetten. Veroordeelde heeft de grootste tijd in deze klinieken in afzondering verbleven en is hierdoor geschaad. Dit heeft grote gevolgen gehad voor het traject en twee jaar terug zat er een heel ander persoon voor uw rechtbank. De raadsvrouw acht het van belang dat de rechtbank een vinger aan de pols houdt en de voortgang blijft toetsen en verzoekt de rechtbank de termijn van de terbeschikkingstelling met één jaar te verlengen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de terbeschikkingstelling niet in duur beperkt is en dus verlengd kan worden.
Op grond van de inhoud van voormeld advies, de door de deskundige gegeven toelichting en hetgeen overigens uit het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen vereist dat de termijn van de dwangmaatregel wordt verlengd.
Uitganspunt is dat wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling van de terbeschikkinggestelde meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar, de terbeschikkingstelling verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren. Dit kan anders zijn indien het verloop van de behandeling daartoe aanleiding geeft.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de verlengingstermijn het volgende. Ter zitting heeft de deskundige toegelicht dat veroordeelde nog aan het begin van zijn behandeltraject staat. Er is geen sprake is van een vastgelopen behandelrelatie en er lijken op dit moment voorzichtige stappen te worden gezet in de behandeling. Uit het verlengingsadvies volgt dat de afwikkeling van het behandel- en resocialisatietraject van veroordeelde nog meer dan twee jaar in beslag zal nemen. Gelet hierop ziet de rechtbank dan ook geen redenen om af te wijken van voornoemd algemeen uitgangspunt.
De rechtbank zal de terbeschikkingstelling, overeenkomstig de vordering en het verlengingsadvies, met twee jaren verlengen.
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van de veroordeelde met twee jaren.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.C.L. Vreugdenhil, voorzitter, mr. M.M. Spooren en mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 februari 2026.