AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging uitspraak op bezwaar wegens onbevoegdheid bestuursorgaan bij legesaanslag
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een legesaanslag van € 91.523,23 voor een omgevingsvergunning. De heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de rechtbank stelde vragen over de bevoegdheid van het bestuursorgaan dat de aanslag oplegde en dat uitspraak deed op het bezwaar.
De rechtbank concludeerde dat de legesaanslag niet door het bevoegde bestuursorgaan was opgelegd, omdat alleen de directeur Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp daartoe bevoegd is. De uitspraak op bezwaar was gedaan door de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, die niet bevoegd was omdat geen ondermandaat was verleend en de directeur van het Noordelijk Belastingkantoor niet bevoegd is om heffingsambtenaren aan te wijzen.
Hoewel het bevoegdheidsgebrek bij de legesaanslag door bekrachtiging is hersteld, is het gebrek bij de uitspraak op bezwaar niet hersteld. Daarom vernietigt de rechtbank de uitspraak op bezwaar en beveelt dat het bevoegde bestuursorgaan alsnog uitspraak doet. Tevens wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd wegens onbevoegdheid en het bevoegde bestuursorgaan moet alsnog uitspraak doen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/914
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.W. Hilbrands),
en
de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: mr. [naam 1] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsamtenaar van 21 januari 2025.
1.1.
Aan eiseres is een legesaanslag opgelegd van € 91.523,23 in verband met de aanvraag van een omgevingsvergunning.
1.2.
De heffingsamtenaar heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsamtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft bij bericht van 12 februari 2026 partijen een aantal punten voorgelegd die betrekking hebben op de bevoegdheid van zowel het bestuursorgaan dat de legesaanslag heeft opgelegd als het bestuursorgaan dat uitspraak heeft gedaan op het bezwaar. De rechtbank heeft partijen gevraagd daarover een standpunt in te nemen.
1.5.
Eiseres heeft op 19 februari 2026 gereageerd op het verzoek van de rechtbank.
1.6.
De heffingsambtenaar heeft op 20 februari 2026 gereageerd op het verzoek van de rechtbank. De heffingsambtenaar heeft daarbij een aantal nadere stukken overgelegd.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres bijgestaan door [naam 2] (kantoorgenoot), [naam 3] en [naam 4] (bestuurders van eiseres), en de gemachtigde van de heffingsambtenaar bijgestaan door [naam 5] en [naam 6] .
Feiten
2.1.
Eiseres heeft met dagtekening 20 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor bouwactiviteiten en uitwegactiviteiten.
2.2.
Met dagtekening 13 december 2023 is aan eiseres de verzochte omgevingsvergunning verleend.
2.3.
Bij e-mail van 25 juli 2024 van afdeling Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) van de gemeente Groningen is aan eiseres een aanslag leges verzonden die ziet op de vergunningsaanvraag van 20 september 2023. De legesaanslag luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“ U hebt op 20 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor [adres 1] en [adres 2] . Het betreft het plaatsen van een [bedrijf] .
Leges
Wij behandelen uw aanvraag en brengen hiervoor de volgende kosten in rekening, ook wel leges genoemd:
Bouwkosten (excl. BTW):
€ 2.242.739,00
Leges bouwactiviteit art 2.1 lid 1 onder a Wabo (GBA)
€ 91.215,49
Leges uitwegactiviteit (GII)
€ 307,74
Totaal leges:
€ 91.523,23
U ontvangt hiervoor binnenkort een factuur.
(…)Aanvullende informatie over de bouwkosten
Wij hebben gevraagd een document aan te leveren over de bouwkosten zodat wij de bouwleges kunnen vaststellen. Wij hebben dit document ontvangen en beoordeeld. Wij gaan echter niet akkoord met de extra ontvangen gegevens. Als gevolg hiervan hebben wij zelf de bouwkosten vastgesteld op basis van kengetallen en ervaringscijfers.
Wij verwijzen u hiervoor naar:
- Verordening op de heffing en invordering van leges 2023 (zie link)
- Kengetallen toetsing bouwkosten (zie link)
Bezwaar
Als u van mening bent dat het legesbedrag niet klopt, kunt u schriftelijk bezwaar maken. Dit dient u binnen zes weken na de datum van deze brief te doen. Stuur uw ondertekende bezwaarschrift naar: Noordelijk Belastingkantoor, Postbus 88, 9700 AB Groningen. Tevens adviseren we u om bij uw bezwaar gelijk uitstel van betaling aan te vragen.
Het bericht van de rechtbank van 12 februari 2026 aan partijen (zie 1.4.) luidt als volgt:
“ De rechtbank vraagt uw aandacht voor het volgende.
Bij de bestudering van het dossier zijn een aantal formeelrechtelijke punten naar voren gekomen die zien op (mogelijke) bevoegdheidsproblemen bij de totstandkoming van zowel de legesaanslag als de uitspraak op bezwaar. De rechtbank deelt hierna eerst haar voorlopige bevindingen. Daarna formuleert de rechtbank een aantal vragen/verzoeken aan partijen.
Legesaanslag opgelegd door Burgermeester en Wethouders
De legesaanslag is opgelegd namens burgemeester en wethouders van Groningen. Dat is gedaan door [naam 7] / [functie 1] , handelend namens de directeur Ruimtelijk Beleid & Ontwerp.
Uit het ‘Directiemandaat en aanwijzingsbesluit(en) Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp gemeente Groningen 2022’ volgt dat voor wat betreft de leges waar de legesaanslag op ziet, de directeur Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp is aangewezen als heffingsambtenaar.
Omdat de directeur Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp in deze de heffingsambtenaar is, had hij de legesaanslag op eigen titel moeten opleggen, en niet als (gesteld) gemandateerde namens burgemeester en wethouders van Groningen. Burgemeester en wethouders van Groningen zijn niet aangewezen als heffingsambtenaar voor de bouwleges en om die reden ook niet bevoegd om de legesaanslag op te leggen. De legesaanslag is dan niet opgelegd door het daartoe bevoegde bestuursorgaan.
Verder bevat het dossier geen stukken waaruit volgt dat [naam 7] gemandateerd is om namens de directeur Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp op te treden.
Uitspraak op bezwaar door heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor
Uit het ‘Mandaatbesluit belastingen Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp gemeente Groningen 2024’ volgt dat de directeur Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp de directeur van het Noordelijk Belastingkantoor mandaat heeft verleend om namens hem uitspraak op bezwaar te doen (en op te treden in beroepsprocedures) inzake onder meer procedures over bouwleges. Het dossier bevat geen stukken waaruit volgt dat de directeur van het Noordelijk Belastingkantoor ter zake van die bevoegdheden een ondermandaat heeft verleend aan de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor. Uit het mandaatbesluit volgt voorts ook niet dat ondermandaat toegestaan is.
De uitspraak op bezwaar is gedaan door de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor. Voor zover uit de stukken volgt was hij daartoe niet bevoegd. De uitspraak op bezwaar is dan niet gedaan door het daartoe bevoegde bestuursorgaan.
Geen herstel van bevoegdheidsgebrek legesaanslag
Een door het verkeerde bestuursorgaan opgelegde legesaanslag hoeft niet zonder meer te leiden tot vernietiging van die aanslag. Een dergelijk bevoegdheidsgebrek kan hersteld worden door, na een inhoudelijke beoordeling van de aanslag, het doen van uitspraak op bezwaar door het bevoegde bestuursorgaan (vergelijk Hoge Raad 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0396). Omdat in dit geval niet het bevoegde bestuursorgaan uitspraak op het bezwaar heeft gedaan, is het bevoegdheidsgebrek niet hersteld.
Vragen/verzoeken van de rechtbank
De rechtbank verzoekt eiseres:
- een standpunt in te nemen ter zake van de hiervoor genoemde punten.
De rechtbank verzoekt de heffingsambtenaar:
- een standpunt in te nemen ter zake van de hiervoor genoemde punten;
- nog niet overgelegde mandaatbesluiten die van belang kunnen zijn in deze procedure alsnog te overleggen aan de rechtbank;
- er zorg voor te dragen dat bij de zitting ook een persoon aanwezig is die bevoegd is om te beslissen ter zake van de legesaanslag.
De rechtbank verzoekt partijen uiterlijk 10 dagen voor zitting hun reactie te overleggen.”
2.5.
De reactie van de heffingsambtenaar op het bericht van de rechtbank luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“ Ten tijde van het opleggen van de aanslag 25 juli 2024 (25-07-2024) was het Directiemandaat en aanwijzingsbesluit(en) Stadsontwikkeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Uitvoering gemeente Groningen 2023 van toepassing.
Directiemandaat en aanwijzingsbesluit(en) Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp gemeente Groningen 2023 | Lokale wet- en regelgeving https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR698597/2
Daarin wordt met betrekking tot de (aanwijzing van de) heffingsambtenaar vermeld.
Aanwijzing heffings- en invorderingsambtenaar
De directeur Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp wordt aangewezen als de heffings- en invorderingsambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdelen b en c, van de Gemeentewet, voor zover het betreft:*
- De leges als bedoeld in titel 1, hoofdstukken 7, 8 en 12, titel 2 en titel 3, hoofdstuk 4 van de tarieventabel behorend bij de Legesverordening.
In het ‘Ondermandaat van de directie Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp
2023’
Ondermandaat van de directie Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp 2023 |
Gelet hierop zijn zowel de directeur Ruimtelijk Beleid als ook [naam 7] [functie 1]
bevoegd tot opleggen van de legesaanslag.
Hierboven sprak ik van een brief. De legesaanslag maakt onderdeel uit van deze brief. Het is een brief vanuit de afdeling VTH met betrekking tot (de afronding van de aanvraag van) een omgevingsvergunning. Bevestigd wordt door Burgemeester en Wethouders dat een vergunning is aangevraagd en dat hiervoor leges in rekening worden gebracht.
Onderdeel van de brief is de legesaanslag en de daarbij behorende bezwaar mogelijkheid. Hoewel het woord ‘namens’ hier erg ongelukkig is met betrekking tot de legesaanslag, ben ik van mening dat deze door een bevoegd heffingsambtenaar is vastgesteld.
De mening dat de aanslag is opgelegd door een met betrekking tot de aanslagoplegging ‘onbevoegd bestuursorgaan’, het College van Burgemeester en Wethouders deel ik dan ook niet.
Dat gezegd hebbende is besloten de aanslag zoals is opgelegd door de bevoegd heffingsambtenaar te laten bekrachtigen. Ik verwijs naar de bijlage.
Tevens treft u als bijlage een toelichting aan inzake de bouwkosten waarop ter zitting een
nadere toelichting zal worden gegeven.
Met vriendelijke groet,
Namens de heffingsambtenaar,
[naam 8]
[functie 2]
Bijlagen:
Directiemandaat en aanwijzingsbesluit(en) Stadsontwikkeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Uitvoering gemeente Groningen 2023
Ondermandaat van de directie Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp 2023
Bekrachtiging aanslag
Toelichting bouwkosten”
Beoordeling door de rechtbank
3. Ter zake van zijn bevoegdheid heeft de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift hyperlinks opgenomen naar de volgende regelingen:
- Directiemandaat en aanwijzingsbesluit(en) Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp gemeente Groningen 2022 [1] (hierna: het directiemandaat 2022);
- Mandaatbesluit belastingen Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp gemeente Groningen 2024 [2] (hierna: het mandaatbesluit 2024);
- Gemeenschappelijke regeling Noordelijk Belastingkantoor [3] (hierna: de gemeenschappelijke regeling);
- Aanwijzingsbesluit WOZ-ambtenaar, heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar, belastingambtenaren en belastingdeurwaarder [4] (hierna: het aanwijzingsbesluit).
4. Het directiemandaat 2022 waarnaar de heffingsambtenaar verwijst is vervallen per 11 juli 2023. Ten tijde van het opleggen van de legesaanslag gold het Directiemandaat en aanwijzingsbesluit(en) Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp gemeente Groningen 2023. [5] Vanaf 4 oktober 2024 is het Directiemandaat en aanwijzingsbesluit(en) Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp gemeente Groningen 2024 [6] geldend (hierna: het directiemandaat 2024). In al deze besluiten wordt door het college van burgemeester en wethouder van de gemeente Groningen de directeur Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp aangewezen als de heffings- en invorderingsambtenaar voor (onder meer) leges als bedoeld in titel 2 van de Legesverordening.
5. In het mandaatbesluit 2024 besluit de directeur Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp aan de directeur van het Noordelijk Belastingkantoor mandaat te verlenen tot het doen van uitspraak op bezwaarschriften en het voeren van procedures in (hoger) beroep met betrekking tot de leges als bedoeld in (onder meer) hoofdstuk 2 van de tarieventabel behorend bij de Legesverordening. Het mandaatbesluit 2024 is geldend vanaf 30 januari 2024.
6. Uit artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de gemeenschappelijke regeling volgt dat het bestuur van het Noordelijk Belastingkantoor de taak heeft tot het uitvoeren van heffing en invordering van alle belastingen op grond van artikel 219 GemeentewetPro die door de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten aan het samenwerkingsverband zijn overgedragen. Welke heffingen zijn overgedragen door de gemeente Groningen volgt niet uit de gemeenschappelijke regeling. Op grond van artikel 14 vanPro de gemeenschappelijke regeling kan de het bestuur van het Noordelijke Belastingkantoor (eigen) heffingsambtenaren aanwijzen.
7. Het aanwijzingsbesluit is per 1 juni 2025 in werking getreden. In het aanwijzingsbesluit besluit het bestuur van het Noordelijk Belastingkantoor (onder meer) om de teammanager van het team heffingen van het Noordelijk Belastingkantoor aan te wijzen als heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor. Het aanwijzingsbesluit vervangt het voorgaande aanwijzingsbesluit dat gold vanaf 24 juli 2023 tot en met 31 mei 2025. In het voorgaande aanwijzingsbesluit wees het bestuur van het Noordelijk Belastingkantoor de directeur van het Noordelijk Belastingkantoor aan als heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor.
8. De hiervoor aangehaalde regelingen geven geen compleet beeld van de bevoegdheid van de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor. Dat komt doordat nergens uit blijkt ter zake van welke belastingen de heffing en invordering is overgedragen aan het Noordelijk Belastingkantoor.
9. Omdat het college van burgemeester en wethouder van Groningen zelf een heffingsambtenaar aanwijst voor (onder meer) leges als bedoeld in titel 2 van de Legesverordening, ligt het in de rede dat de heffing van die leges nietis overgedragen aan het Noordelijk Belastingkantoor. Ook het gegeven dat die heffingsambtenaar van de gemeente Groningen de directeur van het Noordelijk Belastingkantoor mandateert om namens hem op bezwaarschriften te beslissen (en hem te vertegenwoordigen in rechtelijke procedures) wijst daarop. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank in haar bericht van 12 februari 2026 partijen gevraagd naar een standpunt over de bevoegdheid van de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor om te beslissen op het bezwaar (zie 2.4.).
10. In zijn reactie van 20 februari 2026 (zie 1.5. en 2.4.) heeft de heffingsambtenaar in het kader van de ondertekening van de legesaanslag door [naam 7] verwezen naar het Ondermandaat van de directie Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp 2023 [7] (hierna: het ondermandaat) waarin is opgenomen dat aan het afdelingshoofd/teamleider ondermaat wordt verleend op grond van artikel 19 vanPro het Algemeen Mandaatbesluit.
11. Het Algemeen Mandaatbesluit 2023 [8] regelt in artikel 19 datPro de directeuren (van de organisatieonderdelen van de gemeente Groningen) worden aangewezen als de heffings- en invorderingsambtenaar, voor zover het betreft de leges als bedoeld in titel 1, hoofdstukken 1 en 13 en titel 3, hoofdstuk 6 van de tarieventabel behorend bij de Legesverordening. Die aanwijzing ziet dus nietop leges behorend bij titel 2 behorend bij de Legesverordening. Deze verwijzing van de heffingsambtenaar snijdt reeds om die reden geen hout.
12. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende conclusie. Nog los van het feit dat niet kan worden vastgesteld dat het afdelingshoofd/teamleider bevoegd was de legesaanslag te ondertekenen, is de legesaanslag opgelegd in naam van burgemeester en wethouders van Groningen. Dat is niet het bestuursorgaan dat bevoegd is om de legesaanslag op te leggen. Voor zover uit de stukken volgt is namelijk enkel de directeur Stadsontwikkeling Ruimtelijk Beleid en Ontwerp van de gemeente Groningen bevoegd om de legesaanslag op te leggen.
13. Om het bevoegdheidsgebrek ten aanzien van de legesaanslag te repareren heeft de heffingsambtenaar (van het Noordelijk Belastingkantoor) bij zijn reactie van 20 februari 2026 een op 19 februari 2026 gedagtekende brief overgelegd, afkomstig van [naam 9] , directeur Ruimtelijk Beleid en Ontwerp van de gemeente Groningen. In die brief schrijft [naam 9] dat hij, in zijn hoedanigheid van heffingsambtenaar, voor zover nodig de legesaanslag bekrachtigt. Ter zitting is deze bekrachtiging met partijen besproken. De rechtbank is, met partijen, van oordeel dat hiermee het aan de legesaanslag klevende bevoegdheidsgebrek is geheeld.
14. De heffingsambtenaar heeft in zijn brief van 20 februari 2026 niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een standpunt in te nemen ten aanzien van zijn (on)bevoegdheid om uitspraak op het bezwaar te doen.
15. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar gesteld dat hij wel bevoegd was om op het bezwaar te beslissen. De heffingsambtenaar heeft daarvoor de volgende redenering. De directeur van het Noordelijk Belastingkantoor is op grond van de gemeenschappelijke regeling bevoegd om een heffingsambtenaar aan te wijzen. Dat heeft hij ook gedaan. Daarom was de heffingsambtenaar ook bevoegd om op het bezwaar te beslissen.
16. De rechtbank ziet dit anders. Anders dan de heffingsambtenaar stelt is de directeur van het Noordelijk Belastingkantoor niet bevoegd om de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor aan te wijzen. Die bevoegdheid rust op grond van artikel 14 vanPro de gemeenschappelijke regeling bij het bestuur van het Noordelijk Belastingkantoor (waar de directeur geen onderdeel van uitmaakt). Voorts kan een heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor uit hoofde van zijn aanwijzing als heffingsambtenaar enkel bevoegd zijn ter zake van heffingen die aan het Noordelijke Belastingkantoor zijn overgedragen. Voor zover uit de stukken volgt is dat niet het geval voor leges behorend bij titel 2 behorend bij de Legesverordening.
17. Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie. De directeur van het Noordelijk Belastingkantoor is bevoegd om op het bezwaar van eiseres te beslissen. Voor zover uit de stukken volgt heeft hij heeft die bevoegdheid nietgemandateerd aan de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor. De heffingsambtenaar is ook anderszins niet bevoegd om uitspraak te doen op het bezwaar. De uitspraak op bezwaar is daarom gedaan door een bestuursorgaan dat daar niet toe bevoegd was. Gelet daarop ziet de rechtbank zich genoodzaakt de uitspraak op bezwaar te vernietigen.
18. De rechtbank heeft geen mogelijkheid gezien om de onbevoegdheid van de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor te passeren of er op enige manier een mouw aan te passen. Daarvoor was ten minste de betrokkenheid van het wel bevoegde bestuursorgaan nodig. Aan het verzoek van de rechtbank om er zorg voor te dragen dat bij de zitting een persoon aanwezig zou zijn die bevoegd is om te beslissen over de legesaanslag (zie 2.4.), heeft de heffingsambtenaar echter geen gehoor gegeven.
19. De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat eiseres het bezwaar wel naar het juiste postadres gezonden heeft, namelijk aan het Noordelijk Belastingkantoor. Het bezwaar had aldaar echter opgepakt moeten worden door de directeur, en niet door de heffingsambtenaar. Dat zal alsnog moeten gebeuren.
20. De rechtbank merkt tot slot op dat zij bij deze stand van zaken geen inhoudelijk oordeel kan geven over de legesaanslag. De rechtbank spreekt evenwel haar hoop uit dat de inhoudelijke bespreking van de geschilpunten op de zitting een bijdrage zal leveren aan een vruchtbare bezwaarprocedure.
Conclusie en gevolgen
21. De uitspraak op bezwaar moet vernietigd worden omdat die gedaan is door een bestuursorgaan dat daartoe niet bevoegd was. Het beroep is daarom gegrond. Het bevoegde bestuursorgaan zal alsnog op het bezwaar moeten beslissen.
22. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsamtenaar het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De heffingsamtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen vergoedingen verzocht.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 9 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Gemeenteblad 15 december 2022, nr. 554023.
2.Gemeenteblad 19 januari 2024, nr. 45131.
3.Staatscourant 30 juni 2017, nr. 32149.
4.Blad gemeenschappelijke regeling 27 mei 2025, nr. 1249.