Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1124

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
LEE 25/1181
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 2.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Integrale herbeoordeling kinderopvangtoeslag: geen schade door institutionele vooringenomenheid of hardheid

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de integrale herbeoordeling van het recht van eiser op kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 en 2012. Eiser betwistte het besluit van Dienst Toeslagen dat hij geen vergoeding ontvangt, stellende dat sprake is van institutionele vooringenomenheid en hardheid van het stelsel. De rechtbank oordeelt dat het besluit op bezwaar niet zorgvuldig is voorbereid omdat een aanvullende beschouwing niet tijdig is betrokken bij het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie. Hierdoor wordt het besluit op bezwaar vernietigd.

Desondanks beoordeelt de rechtbank inhoudelijk dat Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat er geen sprake is van schade door institutionele vooringenomenheid of hardheid. De gegevens uit de KOI-viewer over 2012 zijn juist en niet betwist, en de terugvordering over 2011 is gebaseerd op een hoger toetsingsinkomen dan vooraf opgegeven, wat wettelijk correct is uitgevoerd. De rechtsgevolgen van het besluit blijven daarom in stand.

De rechtbank veroordeelt Dienst Toeslagen tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter M. Lok en griffier H.A. Hulst op 10 april 2026. Eiser kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het besluit op bezwaar wordt vernietigd wegens procedurele onzorgvuldigheid, maar de inhoudelijke rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1181

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. B. van Dijk),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: mr. H.A.W. Oude Lenferink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de uitkomst van de integrale (her)beoordeling van het recht van eiser op kinderopvangtoeslag [1] . Eiser is het niet eens met het besluit dat hij geen recht heeft op vergoeding. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming niet zorgvuldig is verlopen, maar dat het besluit inhoudelijk juist is. Het besluit op bezwaar wordt daarom vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het bestreden besluit en procesverloop

2. Op 14 april 2021 heeft eiser Dienst Toeslagen verzocht om herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag. In de ‘beschikking eerste toets € 30.000’ van 1 maart 2022 heeft Dienst Toeslagen aan eiser medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor uitbetaling van het bedrag van € 30.000 van de Catshuisregeling.
2.1.
In het besluit van 24 november 2022 heeft Dienst Toeslagen na integrale beoordeling besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor vergoeding. Dienst Toeslagen heeft verwezen naar een advies van de Commissie van Wijzen van 14 november 2022. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
2.2.
Op 7 oktober 2024 heeft de bezwaarschriftenadviescommissie een hoorzitting gehouden. Hierbij waren aanwezig de echtgenote van eiser, de gemachtigde van eiser en de behandelend ambtenaar van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) [2] . Na bespreking van de zaak is het volgende afgesproken:
‘1. UHT zal ter completering van het dossier een uitdraai uit KOI-viewer voor toeslagjaar
2012 naar de gemachtigde sturen met de Commissie in de cc.
2. De behandelend ambtenaar zal met de vaktechnisch coördinator van UHT bespreken of de situatie omtrent de gestelde druk om het bezwaar over toeslagjaar 2011 in te trekken als hardheid dient te worden gezien.
De behandelend ambtenaar krijgt een week de tijd om een aanvullende beschouwing aan de
Commissie en de gemachtigde te sturen. De gemachtigde krijgt vervolgens een week de tijd hierop te reageren.’
2.3.
Op 24 oktober 2024 heeft de bezwaarschriftenadviescommissie haar advies uitgebracht. Op 28 oktober 2024 heeft de behandelend UHT-ambtenaar de aanvullende beschouwing aan de bezwaarschriftenadviescommissie toegezonden. Met het bestreden besluit van 26 februari 2025 heeft Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, met verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 2] namens eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. De aangevraagde compensatie kan worden verleend als schade is ontstaan door institutionele vooringenomenheid of van onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing van het wettelijke systeem. [3]
Voorbereiding van het bestreden besluit
4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat de bezwaarschriftenadviescommissie nog niet alle informatie had om een advies te kunnen geven.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de behandelend UHT-ambtenaar de aanvullende beschouwing niet binnen de afgesproken termijn van een week aan de bezwaarschriftenadviescommissie heeft toegezonden. De commissie heeft vervolgens advies uitgebracht zonder nog langer op deze aanvullende beschouwing te wachten. Dienst Toeslagen heeft in het besluit op bezwaar alleen verwezen naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie. Dienst Toeslagen heeft in dat besluit niet kenbaar de aanvullende beschouwing betrokken. Dit betekent dat eiser terecht aanvoert dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Om die reden is het beroep gegrond en zal het besluit op bezwaar worden vernietigd. De rechtbank zal hieronder beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit
5. De rechtbank stelt vast dat eisers beroepsgronden gaan over de toeslagjaren 2011 en 2012. Eiser stelt dat het bezwaar tegen de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag van 2011 onder druk van de behandelaar van Dienst Toeslagen is ingetrokken. Dit is volgens eiser een vorm van vooringenomenheid of hardheid.
Eiser heeft verder op de zitting naar voren gebracht dat het bezwaardossier geen stukken bevatte uit de KOI-viewer over 2012 en dat Dienst Toeslagen niet zomaar uit kan gaan van de KOI-viewer over 2012. [4]
5.1.
Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat de stelling van eiser over het intrekken van zijn bezwaar onder druk van Dienst Toeslagen, niet binnen het beleidskader van hardheid valt. Verder is de KOI-viewer over 2012 in de bezwaarprocedure aan eiser toegezonden en heeft eiser geen informatie overgelegd waardoor aan de informatie uit de KOI-viewer moet worden getwijfeld.
5.2.
De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser mocht afwijzen, omdat Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van vooringenomen handelen en/of hardheid van het stelsel in de toeslagjaren 2011 en 2012.
Toeslagjaar 2012
5.2.1.
De rechtbank stelt vast dat de behandelend UHT-ambtenaar de informatie uit de KOI-viewer over 2012 bij de aanvullende beschouwing heeft gevoegd. Deze informatie is ook naar de gemachtigde van eiser gezonden en maakt deel uit van het dossier in deze beroepszaak. Eiser heeft deze gegevens dus kunnen controleren.
5.2.2.
De rechtbank overweegt dat Dienst Toeslagen mag afgaan op de gegevens uit de KOI-viewer. Dat kan anders zijn als de Dienst Toeslagen in redelijkheid moet twijfelen aan die gegevens. Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat eiser geen informatie heeft overgelegd die doet twijfelen aan de KOI-viewer over 2012. Eiser heeft de informatie uit de KOI-viewer over 2012 ook niet betwist. Er zijn daarom geen aanknopingspunten voor twijfel aan de informatie uit de KOI-viewer over 2012. De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen mocht uitgaan van de gegevens uit de KOI-viewer over 2012. De beroepsgrond slaagt niet.
Toeslagjaar 2011
5.2.3.
De rechtbank stelt vast dat de behandelend UHT-ambtenaar de belnotitie van het gesprek tussen eiser en de behandelaar bij de aanvullende beschouwing heeft gevoegd, maar dat de belnotitie ook al deel uitmaakte van het bezwaardossier [5] .
5.2.4.
De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken dat de besluitvorming over het toeslagjaar 2011 heeft geleid tot schade als gevolg van institutionele vooringenomenheid of hardheid van de toepassing van het wettelijk stelsel, los van wat er in bezwaar is gebeurd in het gesprek tussen eiser en de behandelaar. Voor het aannemen van schade is namelijk in ieder geval nodig dat de terugvordering van kinderopvangtoeslag over het toeslagjaar 2011 het gevolg is van vooringenomenheid of hardheid [6] . Uit de stukken en uit wat eiser naar voren heeft gebracht, valt niet af te leiden dat dit het geval is geweest. Uit het bestreden besluit volgt namelijk dat de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2005 tot en met 2013 gelegen waren in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Voor het toeslagjaar 2011 geldt dat het toetsingsinkomen van eiser en zijn toeslagpartner hoger was dan het inkomen dat vooraf door hen was opgegeven. Hierdoor is de kinderopvangtoeslag naar beneden bijgesteld. Eiser heeft dit niet betwist. Eiser heeft ook de stelling van Dienst Toeslagen dat de bijstellingen overeenkomstig de wet zijn uitgevoerd, niet betwist. De beroepsgrond slaagt niet.
5.3.
De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit juist is, ondanks het gebrek in de voorbereiding. Om die reden laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsvereiste [7] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand [8] .
7. Omdat het beroep gegrond is, moet Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit op bezwaar van 26 februari 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. (…)
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1.
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.

Voetnoten

1.Op grond van hoofdstuk 2 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2.De UHT is een onderdeel van Dienst Toeslagen.
3.Artikel 2.1 van de Wht.
4.KOI staat voor kinderopvanginstelling. De KOI-viewer vermeldt per periode en per kind van hoeveel opvanguren gebruik werd gemaakt en welk uurtarief werd gehanteerd.
5.Pagina 25 van stuk 4.
6.De artikelsgewijze toelichting in de Memorie van Toelichting (TK 2021-2022, 36151, nr. 3) vermeldt: Een voorwaarde voor de toekenning van compensatie is dat de gedupeerde aanvrager schade heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid. Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid of hardheid heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade.
7.Artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8.Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.