Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1128

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/18/255052 / KG RK 26/240
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in strafzaak Finestre

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 7 april 2026 een wrakingsverzoek van een verdachte in de strafzaak Finestre tegen drie rechters die belast zijn met de zaak. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid vanwege een tussenbeslissing waarin onderzoekswensen van de verdachte werden afgewezen.

De verzoeker stelde dat de afwijzing van onderzoekswensen, gericht op de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van het onderzoek, de schijn van vooringenomenheid wekte omdat de rechters vooruitliepen op de inhoudelijke beoordeling. De rechters verweerden zich door te stellen dat het een tussenbeslissing betrof, gemotiveerd op basis van het noodzakelijkheidscriterium, en dat de standpunten nog bij pleidooi aan bod konden komen.

De rechtbank oordeelde dat een tussenbeslissing geen grond voor wraking kan vormen, tenzij de motivering objectief niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid. Dit was niet het geval. De afwijzing was gebaseerd op het ontbreken van noodzaak voor nader onderzoek en geen reeds gevormd oordeel over de zaak. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de procedure werd voortgezet zoals die was.

De beslissing werd uitgesproken door de voorzitter en twee rechters, en is onherroepelijk. De rechtbank benadrukte het vermoeden van onpartijdigheid van rechters en het belang van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Wrakingskamer
Locatie Leeuwarden
zaaknummer: C/18/255052 / KG RK 26/240
Beslissing van 7 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de verzoeker,
bijgestaan door mr. L. de Leon en mr. R.D.A van Boom, advocaten te Utrecht,
strekkende tot de wraking van
mr. R.B. Maring,
mr. M.E. Joha,
mr. C. Brouwer,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de processen-verbaal van 7 april 2026 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechters van 7 april 2026;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek van 7 april 2026.
De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 7 april 2026 waarbij, voor zover van belang, aanwezig waren de verzoeker en zijn advocaten mr. L. de Leon en mr. R.D.A. van Boom. De rechters hebben op voorhand laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. R.B. Maring, mr. M.E. Joha en mr. C. Brouwer, strafrechters, die belast zijn met de behandeling van de strafzaak met parketnummer [zaaknummer] en de ontnemingszaak met parketnummer [zaaknummer] . In voornoemde strafzaak is de verzoeker aangemerkt als verdachte. De strafzaak maakt deel uit van een strafrechtelijke procedure tegen meerdere verdachten, bekend onder de onderzoeksnaam Finestre. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen de verzoeker is op 7 april 2026 aangevangen. Ter terechtzitting hebben de rechters in afwijzende zin beslist op de onderzoekswensen die namens de verzoeker ter zitting zijn ingediend. Naar aanleiding daarvan is ter terechtzitting namens de verzoeker een wrakingsverzoek ingediend.
2.2
Namens de verzoeker is – blijkens het mondelinge wrakingsverzoek en de daarop gegeven toelichting tijdens de mondelinge behandeling – aangevoerd dat de rechters met de motivering van de afwijzing van de onderzoekswensen de schijn van vooringenomenheid hebben gewekt. Daartoe is gesteld dat namens de verzoeker onderzoekswensen zijn ingediend die betrekking hebben op de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van het onderzoek, in het bijzonder het horen van getuigen en het verrichten van nader onderzoek naar de start van het onderzoek. Door deze onderzoekswensen af te wijzen met de overweging dat geen sprake is van een begin van aannemelijkheid van onrechtmatigheden, zijn de rechters vooruitgelopen op de beoordeling van de zaak en hebben zij aldus de schijn van vooringenomenheid gewekt. Een dergelijk oordeel had pas bij de beraadslaging mogen worden gegeven. Nu de rechters zich hierover reeds hebben uitgelaten terwijl het dossier volledig is en geen nieuwe informatie meer wordt verwacht, ligt daarin impliciet besloten dat een verweer gericht op onrechtmatigheden rondom de start van het onderzoek zinloos is, omdat de rechters hun oordeel daarover al hebben gevormd. Er is dan ook sprake van een situatie waarin de motivering van de tussenbeslissing van de rechters in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid (vgl. ECLI:NL:HR:2018:1413).

3.Het standpunt van de rechters

3.1
De rechters hebben niet berust in de wraking en hebben hun standpunt over het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt per e-mail van 7 april 2026.
3.2
De rechters hebben gesteld dat geen sprake is van een omstandigheid die een grond voor wraking oplevert. Daartoe hebben de rechters aangevoerd dat de afwijzing van de ingediende onderzoekswensen een tussenbeslissing betreft. De onderzoekswensen zijn gemotiveerd afgewezen op basis van het noodzakelijkheidscriterium, nu al eerder en vaker onderzoekswensen zijn ingediend. Daarbij is opgemerkt dat de betreffende standpunten nader bij pleidooi naar voren kunnen worden gebracht.

4.De beoordeling

4.1
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
4.2
Ingevolge artikel 512 Sv Pro kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 512 Sv Pro en artikel 6 EVRM Pro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend.
4.3
De rechtbank stelt voorop dat de door de rechters ter terechtzitting gegeven afwijzende beslissing op de ingediende onderzoekswensen moet worden aangemerkt als een tussenbeslissing. Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek heeft de rechtbank acht geslagen op het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413). Daaruit valt onder meer af te leiden dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke tussenbeslissing geen grond kan vormen voor een wraking, ook niet indien door de rechter bij de beoordeling een onjuist criterium is gehanteerd of de beslissing onbegrijpelijk dan wel summier is gemotiveerd. De beoordeling daarvan is namelijk voorbehouden aan een rechter die in geval van aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Dit is slechts anders indien de motivering van de tussenbeslissing bezien in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden opgevat dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter.
4.4
Uit de processen-verbaal leidt de rechtbank af dat de rechters de onderzoekswensen hebben afgewezen, omdat geen noodzaak bestaat tot nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de start van het onderzoek en omdat ten aanzien van de getuigenverzoeken geen begin van aannemelijkheid van enige onrechtmatigheid is gebleken. Zoals hiervoor onder 4.3 is overwogen, komt de rechtbank geen oordeel toe over de juistheid van het door de rechters gehanteerde criterium. Die beoordeling is immers voorbehouden aan een rechter in hoger beroep. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de motivering van de afwijzende beslissing niet kan worden afgeleid dat de rechters hun beslissing (mede) hebben gebaseerd op door hen reeds vastgestelde feiten of op een reeds gevormd oordeel over de vragen die bij een eindbeslissing aan de orde dienen te komen. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een situatie waarin de motivering van de rechters in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid.
4.5
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
wijst het verzoek tot wraking af;
5.2
bepaalt dat de procedure met zaaknummer [zaaknummer] wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
5.3
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan:
- de verzoeker en zijn advocaten mr. L. de Leon en mr. R.D.A. van Boom;
- de gewraakte rechters, mr. R.B. Maring, mr. M.E. Joha en mr. C. Brouwer;
- de betrokken partij(en).
Deze beslissing is gegeven door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr. F. van der Meulen, rechters, bijgestaan door mr. M.A. Toussaint, griffier, en direct uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026.
- de griffier - de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.