Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1130

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
LEE 23/5414
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Uitvoeringsregeling BPM 1992Art. 10 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens fysieke schouw meer dan een maand vóór RDW-keuring

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 6.197, die is verlaagd naar € 5.802 na bezwaar. De aanslag is gebaseerd op een taxatierapport dat is opgesteld op 15 augustus 2022, na een fysieke schouw op 12 augustus 2022, terwijl de RDW-keuring plaatsvond op 15 september 2022. De rechtbank oordeelt dat het taxatierapport niet gebruikt kan worden omdat de fysieke opname meer dan een maand vóór de keuring heeft plaatsgevonden, in strijd met artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM 1992.

Eiseres voerde overmacht aan vanwege de lange doorlooptijd bij de RDW en de overschrijding van slechts drie dagen, maar de rechtbank wijst dit af omdat eiseres pas tien dagen na de fysieke opname contact zocht met de RDW. Hierdoor is de overschrijding aan haar toe te rekenen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn voor de berechting is overschreden met circa 15 maanden, wat leidt tot een vergoeding van immateriële schade (ISV) van € 1.500. Deze wordt verdeeld tussen de inspecteur (€ 500) en de Minister van Justitie en Veiligheid (€ 1.000). Tevens worden proceskosten toegekend aan eiseres, maar het griffierecht wordt niet teruggegeven omdat de termijnoverschrijding niet bestond bij het arrest van 31 mei 2024.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/5414

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. van Dam ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst Centrale administratieve processen/Auto/BPM, de inspecteur.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
de Minister van Justitie en Veiligheid(de Minster).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 december 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiseres een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.197.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiseres € 1 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard en daarbij de naheffingsaanslag Bpm verlaagd naar een bedrag van € 5.802.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: R. Lammers (de kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres) en namens de inspecteur mr. [naam 1] , mr. [naam 2] , [naam 3] ,

Feiten

2. Eiseres heeft aangifte Bpm gedaan voor een Audi A5 Cabriolet 2.0 TFSI MHEV quattro (de auto). De auto is oorspronkelijk afkomstig uit de Verenigde Staten, vervolgens geïmporteerd naar Duitsland en daarna geleverd naar Nederland. In de aangifte is een CO2-uitstoot op basis van NEDC vermeld van 257 gram per kilometer en een datum eerste toelating van 6 augustus 2018. De verschuldigde Bpm heeft eiseres aan de hand van een taxatierapport berekend op € 6.787. Het taxatierapport, dat is opgesteld op 15 augustus 2022 naar aanleiding van een fysieke schouw die heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2022, vermeldt een handelswaarde van de auto van € 16.617. Die handelsinkoopwaarde is berekend door een bedrag van € 14.203 (bestaande uit een aftrek van € 7.103 wegens schade, een aftrek van € 3.500 in verband met ‘geen oordeel km-stand’, een aftrek van
€ 4.000 in verband met schadeverleden en een bijtelling van € 400 wegens correctie Xray Matrix) in mindering te brengen op de handelsinkoopwaarde volgens een Xray koerslijst van € 30.820.
2.1.
De auto is door de RDW gekeurd op 15 september 2022. De door de RDW vastgestelde CO2-uitstoot op basis van NEDC bedraagt van 261 gram per kilometer. De RDW heeft de uitstoot naderhand aangepast naar 257 gram CO2 per kilometer.
2.2.
Op 27 januari 2023 heeft de inspecteur aan eiseres een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 6.197. Daarbij is de inspecteur uitgegaan van de handelsinkoopwaarde van € 30.820, zoals vermeld in het taxatierapport van eiseres, zonder daarbij rekening te houden met de verminderingen of bijtelling.
2.3.
In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur eiseres met betrekking tot de CO2-uitstoot in het gelijk gesteld. De naheffingsaanslag is op grond van een CO2-uitstoot op basis van NEDC van 257 gram per kilometer verminderd naar een bedrag van € 5.802.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Eiseres stelt dat zij, hoewel het door haar gebruikte taxatierapport meer dan een maand vóór de keuring bij de RDW is opgemaakt, aangifte mocht doen via de taxatiemethode, omdat er volgens haar sprake is van overmacht. De overschrijding van slechts drie dagen is naar de mening van eiseres namelijk te wijten aan de lange doorlooptijd bij de RDW en valt haar niet aan te rekenen.
6. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het taxatierapport niet kan dienen. Er kleven volgens de inspecteur diverse formele en materiele gebreken aan het door eiser ingebrachte taxatierapport, zo ontbreekt een inkoopfactuur en is het niet ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment opgesteld. Op de zitting heeft de inspecteur verklaard dat uit e-mail contact blijkt dat eiseres tien dagen na de fysieke opname op 12 augustus 2022 pas contact heeft gezocht met de RDW.
7. Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. In de toelichting op de regeling is hierover verder het volgende vermeld:

Artikel 8, vierde lid, UR BPM 1992 wordt aangepast zodat de fysieke opname door de inspecteur moet gebeuren binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Dat betekent automatisch ook dat het taxatierapport moet zijn opgesteld binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment bij de inschrijving van een gebruikt motorrijtuig in het kentekenregister is het inschrijvingsonderzoek van de RDW. Tevens moet de staat van het motorrijtuig in het taxatierapport overeenkomen met de staat van het motorrijtuig ten tijde van het inschrijvingsonderzoek. [1]
8. De rechtbank stelt vast dat het afschrijvingsmoment voor de auto 15 september 2022 betreft en dat de fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport op 12 augustus 2022 heeft plaatsgevonden. Hiermee staat vast dat de fysieke schouw van de auto heeft meer dan een maand vóór de keuring bij de RDW heeft plaatsgevonden. Hiermee is niet voldaan aan de voorwaarde dat het bij de aangifte ingediende taxatierapport is opgemaakt ten hoogste één maand voor het tijdstip dat de belasting is verschuldigd. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven aangehaalde bepalingen het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van Pro de Wet BPM. Het beroep van eiseres op overmacht brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat onweersproken is gesteld dat eiseres pas tien dagen na de fysieke opname door de taxateur contact heeft gezocht met de RDW om een afspraak te maken om een EU-typegoedkeuring te krijgen. Eiseres danwel haar taxateur had er rekening mee moeten houden dat de procedure bij de RDW langer zou kunnen duren omdat de auto uit de Verenigde Staten komt. Dat zij tien dagen laat verstrijken voordat zij een afspraak maakt met de RDW, komt voor haar eigen rekening en risico. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar en naheffingsaanslag in stand blijven.
Vergoeding van immateriële schade
10. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg (ISV).
11. De rechtbank stelt vast dat in de procedure de redelijke termijn is overschreden, nu er op de dag waarop deze uitspraak is gedaan meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de dag waarop de inspecteur het bezwaar heeft ontvangen. Tot en met de datum van deze uitspraak zijn er 3 jaar en (afgerond naar boven) 3 maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn met afgerond 15 maanden is overschreden. Dit leidt tot een ISV van € 1.500. Het bezwaar is door de inspecteur ontvangen op 30 januari 2023. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 21 december 2023. De termijnoverschrijding is voor (afgerond naar boven) 5 maanden toe te rekenen aan de inspecteur en voor 10 maanden aan de rechtbank. De rechtbank veroordeelt daarom de inspecteur tot vergoeding van de immateriële schade voor een bedrag van € 500 (1/3 * € 1.500) en de Minister voor de rest van het bedrag, zijnde € 1.000.
11. Gelet op de omvang van het bedrag dat door de Minister dient te worden vergoed, hoeft hij niet als partij in deze procedure te worden gehoord. [2]
Proceskosten en griffierecht
13. Omdat het verzoek om de vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen, komt eiseres in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Voor de rechtsbijstand door de gemachtigde kent de rechtbank 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25. [3] De proceskostenvergoeding bedraagt dus € 233,50. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan zowel de inspecteur als de Minister is toe te rekenen, wordt deze evenredig aan de toegerekende termijnoverschrijding verdeeld.
14. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug, omdat de redelijke termijn niet was overschreden ten tijde van het arrest van 31 mei 2024. [4]

Beslissing

De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Minister tot betaling aan eiseres van een vergoeding wegens immateriële schade van € 1.000;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 77,83;
- veroordeelt de Minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 155,67.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 7 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Besluit van 28 december 2021 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen, nr. 2021-0000025821 (Stcrt. 2021, 48636, p. 36).
2.Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935,Stcrt. 2014, 20210.
3.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
4.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.