Verzoekers, voormalige vennoten van een onderneming, dienden een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) vanwege een schuldenlast van €189.819,63, ontstaan door zakelijke schulden en psychische problematiek.
De rechtbank constateerde dat verzoekers niet volledig te goeder trouw waren ten aanzien van zakelijke schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek, maar dat zij met de beëindiging van de onderneming en adequate hulpverlening de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle hebben gekregen. Dit vormde een geslaagd beroep op de hardheidsclausule.
De Wsnp werd toegewezen voor een termijn van 18 maanden, ingaand op 25 november 2025, drie maanden eerder dan het verzoek, omdat verzoekers reeds vrijwillig aflossingen hadden gedaan ondanks ontheffing van de sollicitatieplicht.
De rechtbank benoemde een rechter-commissaris en gaf last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaren gerichte correspondentie. Het vonnis werd gewezen door mr. H.J. Idzenga en uitgesproken op 18 februari 2026.