Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1172

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/18/253884 / FT RK 26/84
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 1346/2000Art. 6 lid 3 FaillissementswetArt. 6:58 BWArt. 6:61 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing faillissementsaanvraag wegens ontbreken vorderingsrecht en schuldeisersverzuim

De verzoekende partij heeft bij de rechtbank Noord-Nederland een verzoek tot faillietverklaring van Wayland Group B.V. ingediend. De rechtbank heeft dit verzoek behandeld in raadkamer op 31 maart 2026. Namens verzoeker verscheen een advocaat, namens verweerder de bestuurder van Wayland Group B.V.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 6 lid 3 Faillissementswet Pro een faillissement op verzoek van een schuldeiser alleen kan worden uitgesproken indien summierlijk blijkt dat de schuldeiser een vorderingsrecht heeft en dat de schuldenaar is opgehouden te betalen. In deze zaak bleek niet summierlijk dat de verzoeker een vorderingsrecht had.

De incassogemachtigde van verzoeker had Wayland Group B.V. per brief gesommeerd een bedrag van €231,78 plus rente en incassokosten te betalen, alsmede €2.100,00 aan faillissementskosten. Verweerder bood direct na ontvangst van de brief aan de hoofdsom met rente en incassokosten te voldoen, zonder de faillissementskosten. Dit aanbod werd geweigerd. Vervolgens vroeg verzoeker het faillissement aan, waarna verweerder alsnog de volledige hoofdsom met rente en kosten betaalde.

De rechtbank oordeelde dat verzoeker ten onrechte het aanbod tot nakoming had geweigerd en daardoor in schuldeisersverzuim was geraakt. Hierdoor ontbrak een vorderingsrecht en werd het faillissementsverzoek afgewezen. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen omdat verweerder geen rechtsbijstand had ingeschakeld en geen aanspraak maakte op vergoeding.

Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring van Wayland Group B.V. wordt afgewezen wegens ontbreken van een vorderingsrecht en schuldeisersverzuim.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/253884 / FT RK 26/84
beschikking d.d. 2 april 2026
inzake
[verzoeker], wonende te [woonplaats] .
verzoekende partij,
advocaat mr. S.K. Tuithof,
strekkende tot faillietverklaring van
Wayland Group B.V., statutair gevestigd te Groningen,
kantoorhoudende te Neptunusstraat 28, 9742 JM Groningen,
tevens handelend onder de namen Wayland Management, Pt78 Records, Into The Limelight Records, Bleeding Ears Studio, Your Music Tools, Wayland IT services, SentinelText, ParseGenius,
KvK-nummer: 85043869,
verwerende partij.

1.PROCESGANG

1.1.
De verzoekende partij heeft ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend. Het verzoek strekt er toe dat de rechtbank de verwerende partij in staat van faillissement zal verklaren.
1.2.
De behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden in raadkamer van 31 maart 2026 van deze rechtbank. Namens verzoeker is ter zitting verschenen mr. E.R. Postma, waarnemer van mr. S.K. Tuithof.
Namens verweerder is verschenen de heer [bestuurder verweerder] , bestuurder van verwerende partij.

2.RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van Purioso in Nederland ligt. De rechtbank overweegt als volgt over het verzoek.
2.2.
Artikel 6 lid 3 van Pro de Faillissementswet bepaalt dat een faillissement op verzoek van een schuldeiser wordt uitgesproken als aan twee voorwaarden is voldaan. Er moet summierlijk blijken van het bestaan van een vorderingsrecht van de verzoeker en van het bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet summierlijk is gebleken van het bestaan van een vorderingsrecht van de verzoeker. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
2.4.
De incassogemachtigde van verzoeker heeft verweerder per brief van 12 februari 2026 gesommeerd om de verschuldigde hoofdsom van € 231,78 te betalen, vermeerderd met rente en incassokosten. In die brief werd tevens betaling gevorderd van een bedrag van € 2.100,00 ter zake van een aangekondigde faillissementsprocedure.
2.5.
Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij direct na ontvangst van deze brief, half februari, contact heeft opgenomen met de gemachtigde en heeft aangeboden om de volledige hoofdsom met alle gevorderde rente en kosten te betalen, dit tegen finale kwijting dus zonder de opgevoerde faillissementskosten van € 2.100,00. Volgens verweerder heeft de gemachtigde dat betalingsaanbod geweigerd omdat aanspraak werd gemaakt op de faillissementskosten. Vervolgens heeft verzoeker op 9 maart 2026 het faillissement van verweerder aangevraagd. Verweerder heeft op 30 maart 2026 alsnog de volledige hoofdsom met rente en kosten voldaan.
Verzoeker heeft de ontvangst van deze betaling ter zitting erkend. Verzoeker heeft de door verweerder geschetste gang van zaken niet weersproken, zodat de rechtbank die als vaststaand aanneemt.
2.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker ten onrechte een behoorlijk aanbod tot nakoming geweigerd. Verweerder heeft immers aangeboden om de gevorderde hoofdsom met rente en incassokosten te betalen. Een faillissementsverzoek was op dat moment nog niet aanhangig gemaakt en verzoeker kon dus ook geen aanspraak maken op een proceskostenvergoeding. Verzoeker is door de weigering in schuldeisersverzuim geraakt (art. 6:58 BW Pro). Daarmee eindigt weliswaar het schuldenaarsverzuim (art. 6:61 lid 1 BW Pro), maar de schuldenaar blijft verplicht tot vergoeding van de reeds ontstane schade en van de kosten. Die heeft verweerder samen met de hoofdsom op 30 maart 2026 voldaan. Van een vorderingsrecht van de verzoeker is niet gebleken. Het faillissementsverzoek zal daarom worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding omdat verweerder daar geen aanspraak op heeft gemaakt en geen rechtsbijstand heeft ingeschakeld bij het voeren van verweer.
BESLISSING
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. van Gessel, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.