Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 288 FaillissementswetArt. 349a lid 1 Faillissementswet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling na staking onderneming en start loondienst
Verzoeker diende op 19 december 2025 een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De rechtbank behandelde het verzoek op 12 februari 2026, waarbij verzoeker en zijn schuldhulpverlener verschenen. Verzoeker had een totale schuldenlast van bijna twee miljoen euro, waaronder grote vorderingen van de Belastingdienst en het CJIB. Hij had van maart 2009 tot februari 2025 een onderneming, die hij staakte vanwege financiële problemen veroorzaakt door externe factoren zoals de coronapandemie en de oorlog in Oekraïne.
De rechtbank constateerde dat verzoeker niet volledig te goeder trouw was geweest ten aanzien van een deel van zijn schulden, met name de belasting- en CJIB-vorderingen. Desondanks werd op grond van de hardheidsclausule (artikel 288 lid 3 FaillissementswetPro) het verzoek toegewezen, omdat verzoeker zijn onderneming had gestaakt en nu fulltime in loondienst was, waardoor hij zijn lasten kan voldoen en de oorzaak van de schuldenproblematiek onder controle is.
De rechtbank stelde de duur van de schuldsaneringsregeling vast op 18 maanden vanaf de datum van het vonnis en wees een bewindvoerder en rechter-commissaris aan. Een eerdere ingangsdatum werd niet vastgesteld omdat daarvoor geen aanleiding was. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen via een advocaat.
Uitkomst: Verzoeker wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling voor een periode van 18 maanden op grond van de hardheidsclausule.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/26/1054 R
vonnis van25 februari 2026
in de zaak van: C/18/26/1054 R
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker
PROCESGANG
Verzoeker heeft op 19 december 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 12 februari 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met mevrouw [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] B.V.
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 vanPro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen. Verzoeker heeft een totale schuldenlast van € 1.960.937,56, waaronder een vordering van de belastingdienst van in totaal € 1.331.443,00 en vorderingen bij CJIB voor verkeersovertredingen.
Een deel van de vorderingen heeft betrekking op de onderneming van verzoeker. Verzoeker heeft in de periode van 20 maart 2009 tot 26 februari 2025 een onderneming gehad. Na het uitbreken van het Coronavirus waardoor omzet wegviel, het uitbreken van de oorlog in Oekraïne waardoor de prijzen van hout enorm stegen en het opzeggen van een vaste afnemer waren de inkomsten niet voldoende om de lasten op te brengen. Toen bleek dat de onderneming niet levensvatbaar was, heeft verzoeker zijn onderneming in februari 2025 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.
De onderneming is inmiddels volledig beëindigd en verzoeker is fulltime werkzaam in loondienst. De schuldhulpverlener heeft ter zitting aangegeven dat verzoeker wellicht te lang heeft geprobeerd zijn onderneming gaande te houden, maar met de intenties dat dit succesvol zou zijn. Tevens heeft zij aangegeven dat hij de lasten van zijn vrijlating kan voldoen en dat geen nieuwe schulden zijn ontstaan, behalve de verkeersboetes welke schuldenaar betaalde uit zijn inkomsten middels betalingsregelingen.
BEOORDELING
De rechtbank stelt vast dat verzoeker ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt Dit geldt met name voor de vordering van de Belastingdienst, almede de CJIB vorderingen.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 FwPro toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoeker heeft zijn onderneming gestaakt en is fulltime werkzaam in loondienst waardoor vaste lasten opgebracht kunnen worden. De rechtbank zal het verzoek tot toelating tot de Wsnp daarom toewijzen..
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
Ambtshalve toetsing: De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
BESLISSING
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
voorheen handelend onder de naam [bedrijf] ,
voorheen gevestigd te [adres] ,
ingeschreven bij KvK onder nummer [kvk-nummer] ;
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brievenen telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken op
25 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]
Voetnoten
1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.