Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1231

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
LEE 25/499
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken juiste machtiging namens commanditaire vennootschap

De rechtbank Noord-Nederland behandelde het beroep van een gemachtigde tegen een uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar over de waardebepaling van een onroerende zaak en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting.

De gemachtigde overlegde bij het beroep een machtiging die niet voldeed aan de vereisten om aan te tonen dat hij bevoegd was namens de commanditaire vennootschap op te treden. De rechtbank verzocht meerdere malen om een juiste machtiging, maar deze werd niet tijdig of correct aangeleverd.

Tijdens de zitting werd besproken dat onduidelijk was of de commanditaire vennootschap nog bestond en of de gemachtigde bevoegd was. Na het uitblijven van een juiste machtiging verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, waardoor de zaak niet inhoudelijk werd beoordeeld. De gemachtigde kreeg geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een juiste machtiging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/499
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , gesteld gemachtigde van [bedrijf A] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar

(gemachtigden: mr. [naam 1] en [naam 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat door [eiser] is ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar die de heffingsambtenaar op 20 december 2024 heeft gedaan ten aanzien van de commanditaire vennootschap [bedrijf A] ( [bedrijf A CV] ).
1.1.
De heffingsambtenaar heeft in een beschikking gericht tot [bedrijf A CV] de waarde van de onroerende zaak [adres] in Groningen op 1 januari 2023 vastgesteld op € 10.065.000. Met deze waardevaststelling is aan [bedrijf A CV] ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Groningen voor het jaar 2024 opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de onroerende zaak gehandhaafd.
1.3.
[eiser] heeft bij het indienen van het beroep een machtiging overgelegd met daarop als bedrijf: ‘ [bedrijf A] ’, getekend door [naam 3] en [naam 4] . [eiser] heeft daarbij een uittreksel uit het handelsregister overgelegd van [bedrijf A CV] .
1.4.
Omdat uit het in 1.3. bedoelde uittreksel of de overige ingediende stukken niet volgt dat [naam 3] en [naam 4] tezamen bevoegd zijn [bedrijf A CV] te vertegenwoordigen heeft de rechtbank [eiser] op 31 januari 2025 verzocht een nieuwe machtiging te overleggen.
1.5.
[eiser] heeft op 4 juni 2025 een nieuwe machtiging overgelegd. Deze machtiging is afgegeven door ‘ [bedrijf A B.V.] ’ en is getekend door [naam 5] en [naam 6] . Blijkens het bij de machtiging overgelegde uittreksel uit het handelsregister zijn [naam 5] en [naam 6] beiden bestuurders van [bedrijf A B.V.]
1.6.
In zijn verweerschrift heeft de heffingsambtenaar opgemerkt dat [bedrijf A CV] per 1 september 2024 niet meer is ingeschreven in het handelsregister.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 7] , als waarnemer van [eiser] , en de gemachtigden van de heffingsambtenaar.
1.8.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst.
1.9.
Op de zitting is met de waarnemer van [eiser] besproken dat geen juiste machtiging overgelegd is, en dat onduidelijkheid bestaat over de vraag of [bedrijf A CV] nog bestaat, althans bestond ten tijde van het instellen van beroep. Naar aanleiding van die bespreking is met de waarnemer van [eiser] afgesproken dat hij binnen drie weken na zitting duidelijkheid verschaft over, kort gezegd, de status van [bedrijf A CV] en de bevoegdheid van [eiser] om namens [bedrijf A CV] op te treden.
1.10.
Na het uitblijven van bericht van [eiser] heeft de rechtbank hem op 27 maart 2026 er op gewezen dat de in 1.9. bedoelde termijn van drie weken verstreken is. De rechtbank heeft hem daarbij verzocht om alsnog binnen twee weken duidelijkheid te verschaffen over het voortbestaan van [bedrijf A CV] , én om een juiste machtiging te overleggen.
1.11.
[eiser] heeft niet gereageerd.
1.12.
De rechtbank heeft partijen op 10 april 2026 bericht dat zij het onderzoek heeft gesloten en binnen zes weken uitspraak zal doen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat [eiser] geen juiste machtiging heeft overgelegd en dit verzuim niet heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [1] Als geen machtiging wordt overgelegd kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
4. Het beroepschrift is ingediend door [eiser] . Hij stelt daarin dat hij de gemachtigde is van ‘ [bedrijf A] ’. De rechtbank begrijpt dat hiermee [bedrijf A CV] wordt bedoeld, omdat de bestreden uitspraak op bezwaar is gericht aan [bedrijf A CV] .
5. Omdat een juiste machtiging bij het beroepschrift ontbrak, heeft de rechtbank [eiser] verzocht om uiterlijk 28 februari 2025 dit verzuim te herstellen (zie 1.4.). Daarbij heeft de rechtbank er op gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden indien niet tijdig aan dat verzoek wordt voldaan. Na het uitblijven van een reactie heeft de rechtbank bij berichten van 11 maart 2025 en 28 mei 2025 haar verzoek herhaald. [eiser] heeft vervolgens een machtiging afgegeven door [bedrijf A B.V.] overgelegd (zie 1.5.). Omdat met die machtiging nog steeds niet aangetoond wordt dat [eiser] namens [bedrijf A CV] beroep mocht instellen, is op de zitting afgesproken dat alsnog binnen drie weken een juiste machtiging overgelegd zou worden (zie 1.9.). Na het uitblijven van de machtiging heeft de rechtbank [eiser] verzocht om de machtiging alsnog uiterlijk 9 april 2026 te overleggen (zie 1.10.). Daarbij heeft de rechtbank opnieuw er op gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden indien niet tijdig aan het verzoek wordt voldaan. [eiser] heeft niet meer gereageerd (zie 1.11.).
6. Gelet op het voorgaande heeft [eiser] niet een machtiging overgelegd waaruit volgt dat hij beroep mocht indienen namens [bedrijf A CV] . De rechtbank gaat daarom ervan uit dat hij daartoe niet bevoegd was. De rechtbank zal het beroep op die grond niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. [eiser] krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.
Griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.