AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbrekende formele en materiële connexiteit
Verzoekster heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, gericht tegen het college van burgemeester en wethouders van Groningen. Het verzoek heeft betrekking op duidelijkheid over zaken bij de Autoriteit Persoonsgegevens, gerelateerd aan een lopende procedure met kenmerk LEE 26/178.
De voorzieningenrechter beoordeelt dat een verzoek om voorlopige voorziening moet voldoen aan formele en materiële connexiteit, zoals vereist in artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. Formele connexiteit houdt in dat er een beroep of bezwaar moet zijn ingesteld tegen een besluit, terwijl materiële connexiteit inhoudt dat het verzoek betrekking moet hebben op de inhoud van dat besluit.
In deze zaak is het beroep met kenmerk LEE 26/178 niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het verzoek niet voldoet aan het formele connexiteitsvereiste. Daarnaast kan het college geen duidelijkheid geven over de zaken bij de Autoriteit Persoonsgegevens, omdat deze betrekking hebben op een kwestie tussen verzoekster en de gemeente Amsterdam, waardoor ook het materiële connexiteitsvereiste ontbreekt.
Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van formele en materiële connexiteit.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/897
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2026 in de zaak tussen
[naam uit woonplaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen, het college
(gemachtigde: R. Bakker ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Volgens artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningen-rechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
Uit de functie van artikel 8:81 vanPro de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is nodig dat tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld (formele connexiteit). Wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken, moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat besluit (materiële connexiteit). [1]
2.2.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter het volgende verzocht ‘ Ik wil dat de gemeente Groningen naar aanleiding van de lopende zaak Lee 26/178 duidelijkheid geeft over de zaken bij de Autoriteit Persoonsgegevens (de AP) met zaaknummer [zaaknummer 1] en [zaaknummer 2]’.
2.3.
In de periode van 12 november 2025 tot en met 16 november 2025 heeft verzoekster vijf correctieverzoeken ingediend in het kader van de Wet basisregistratie personen. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar verzoeken. Dat is de procedure met kenmerk LEE 26/178. Het college heeft op 29 januari 2026 alsnog een besluit genomen op haar verzoeken. Het bezwaar van verzoekster is op 18 februari 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 3 april 2026 heeft de rechtbank het beroep met kenmerk LEE 26/178 niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening niet voldoet aan het formele connexiteitsvereiste.
2.4.
Verzoekster wil dat het college duidelijkheid geeft over zaken bij de AP. Zij heeft in haar verzoek toegelicht dat ze correspondentie van de AP heeft ontvangen die betrekking heeft op een kwestie tussen verzoekster en de gemeente Amsterdam. De door verzoekster gevraagde duidelijkheid kan het college niet geven, zodat het verzoek om voorlopige voorziening niet voldoet aan het materiële connexiteitsvereiste.
2.5.
Uit wat in 2.4 en 2.5 is overwogen volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening wegens het ontbreken van formele en materiële connexiteit niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2.6.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.