Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1238

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
26/566
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 AlcoholwetArt. 8 lid 4 AlcoholwetArt. 11c AlcoholwetArt. 2:28 Algemene Plaatselijke Verordening Het Hogeland
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder bestuursdwang wegens ontbreken vergunningen horeca

Verzoekster exploiteert een horecabedrijf zonder de vereiste alcohol- en exploitatievergunningen. De burgemeester heeft daarom op 24 december 2025 een last onder bestuursdwang opgelegd om het horecabedrijf te sluiten.

Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 4 maart 2026 werd vastgesteld dat verzoekster niet over de benodigde vergunningen beschikt en dat de leidinggevende, de heer [naam 1], niet voldoet aan de uitzondering in artikel 8, vierde lid, van de Alcoholwet.

Er is besproken dat een andere persoon, [naam 2], mogelijk als feitelijk leidinggevende en bestuurder kan optreden en een nieuwe vergunning kan aanvragen. Omdat deze aanvraag nog niet is ingediend, ziet de voorzieningenrechter geen grond om de voorlopige voorziening toe te kennen.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, waardoor de last onder bestuursdwang in stand blijft. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de last onder bestuursdwang blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/566
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. H.G. Ruis),
en

de burgemeester van Het Hogeland, de burgemeester

(gemachtigde: M. Smit en J. Hoogwerf).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van de burgemeester van 24 december 2025 over het sluiten van het horecabedrijf aan de [adres] te [plaats] zolang verzoekster geen alcoholvergunning of exploitatievergunning heeft.
1.1.
Met het bestreden besluit van 24 december 2025 heeft de burgemeester verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd. Het hotel is gesloten op grond van artikel 3 van Pro de Alcoholwet en artikel 2:28 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Het Hogeland. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.2.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van de burgemeester.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Verzoekster exploiteert een horecabedrijf onder de naam [naam bedrijf] te [plaats] . [naam 1] is via [naam holding] enig aandeelhouder van [verzoekster] en enig bestuurslid. Vanaf maart 2025 hebben enkele controlebezoeken door toezichthouders plaatsgevonden. Gebleken is dat verzoekster niet beschikt over de benodigde alcoholvergunning om het horecabedrijf geopend te hebben. Ook beschikt zij niet over de benodigde exploitatievergunning om een openbare inrichting te exploiteren. De burgemeester heeft met het bestreden besluit een last onder bestuursdwang opgelegd.
3.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster niet over de benodigde vergunningen beschikt. Blijkens de wetsgeschiedenis geldt dat de ondernemer van een horecabedrijf geldt als leidinggevende. [1] Die leidinggevende is de heer [naam 1] . Uit de stukken, onder meer de controlerapporten, blijkt niet dat sprake is van een ‘
zeer uitzonderlijke geval’ waarin [naam 1] ‘
geen enkele bemoeienis’ heeft met de bedrijfsvoering of exploitatie van het horecabedrijf. [2] Zo heeft hij de alcoholvergunning aangevraagd en het Bibob vragenformulier ingediend. Verder wordt hij gebeld tijdens de controles vanwege de vraag naar de vergunningen. [naam 1] voldoet daarom niet aan de uitzondering in artikel 8, vierde lid, van de Alcoholwet.
3.2.
Op de zitting is de mogelijkheid besproken dat [naam 2] de vergunning(en) aanvraagt. Zij is feitelijk leidinggevende van [naam bedrijf] . Zij zal mogelijk als bestuurder van [verzoekster] worden aangesteld. Zij is inmiddels ingeschreven in het Register sociale hygiëne, genoemd in artikel 11c van de Alcoholwet. De burgemeester heeft aangegeven voortvarend te zullen handelen bij een dergelijke nieuwe aanvraag.
3.3.
Onder deze omstandigheden, een nieuwe aanvraag is nog niet ingediend, ziet de voorzieningenrechter geen mogelijkheid om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026 door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 969, nr. 3, p. 21.
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009, 32 022, nr. 3, p. 8: ‘[…]