Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1253

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
LEE 25/3319
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen aanslag erfbelasting en belastingrente na weigering partnervrijstelling

Eiser maakte bezwaar tegen een aanslag erfbelasting van €11.146 en de daarbij behorende belastingrente van €1.103 over het jaar 2022, opgelegd door de inspecteur. Hij voerde aan dat hij met zijn moeder als partners samenleefde en daarom aanspraak zou moeten maken op de partnervrijstelling. Daarnaast stelde hij een vordering op zijn moeder te hebben die in mindering gebracht kon worden op de nalatenschap.

De rechtbank oordeelde dat de wetgever bewust heeft gekozen om kinderen die hun ouders verzorgen niet gelijk te stellen aan partners voor de erfbelasting. Ondanks de mantelzorg en samenwoning als partners, is de partnervrijstelling niet van toepassing. De aanslag is daarom terecht berekend met de vrijstelling voor kinderen.

Wat betreft de vordering op de moeder, rust de bewijslast bij eiser. Hij kon niet aannemelijk maken dat er nog een openstaande vordering was, mede omdat hij grotendeels is terugbetaald voor gemaakte kosten en hij geen bewijsstukken kon overleggen. De rechtbank concludeerde dat de aanslag en belastingrente correct zijn vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag erfbelasting en belastingrente wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/3319
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Zwolle, de inspecteur
(gemachtigde: mr. [naam 1] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 augustus 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2022 een aanslag in de erfbelasting opgelegd van € 11.146.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser € 1.103 belastingrente in rekening gebracht.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van inspecteur, bijgestaan door
mr. [naam 2] .
1.6.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. Aan eiser is een aanslag erfbelasting opgelegd voor de verkrijging uit een erfenis van [naam 3] (de moeder van eiser). De aanslag is als volgt berekend:
De nalatenschap
€ 133.022
Vrijstelling voor kinderen
€ 21.559
Te verdelen saldo
€ 133.022
Totale verkrijging uit de erfenis
€ 133.022
Belaste verkrijging uit de erfenis
€ 111.463
Erfbelasting (10%)
€ 11.146
3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag erfbelasting terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Partnervrijstelling
4. Eiser heeft aangevoerd dat hij samen met zijn moeder leefde als ware hij gelijkwaardig aan een partner, en daarom aanspraak zou moeten kunnen maken op de partnervrijstelling voor de erfbelasting.
5. De wetgever heeft bewust een keuze gemaakt om kinderen die hun ouders verzorgen
niet(meer) gelijk te stellen aan een partner. Die keuze kan aan eiser tegengeworpen worden. Zelfs als eiser met zijn moeder heeft samengeleefd zoals partners dat zouden doen, en ondanks dat eiser door de verleende mantelzorg de samenleving mogelijk veel geld bespaard heeft, is dat geen reden om eiser aanspraak te laten maken op die (hogere) partnervrijstelling. Eiser moet het dus met de vrijstelling voor kinderen doen, die in de aanslag ook is toegepast.
Verkrijging uit de erfenis
6. Voor wat betreft de verkrijging zelf heeft eiser aangevoerd dat hij nog een vordering had op zijn moeder die in mindering kan worden gebracht op het saldo van de nalatenschap.
7. De bewijslast voor het bestaan en de omvang van die vordering rust op eiser. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij vooral tot eind jaren ’80 geld in de woning heeft gestoken waar hij en zijn moeder samen hebben geleefd (tot aan de verkrijging van twee hypotheken), en dat het om zo’n 50.000 gulden zou gaan. Niet in geschil is dat eiser tot twee keer toe grond heeft gekocht van zijn moeder en dat de koopsommen - van in totaal € 30.000 – zijn ‘weggestreept’ tegen de vordering die eiser op zijn moeder had vanwege de door hem voor de woning gemaakte (verbouw)kosten. De rechtbank concludeert daarom dat eiser (grotendeels) is terugbetaald door zijn moeder voor de kosten die hij gemaakt heeft, zelfs als er met de inflatie rekening zou worden gehouden. Als er al niet terugbetaalde kosten (en daarmee dus een vordering op moeder) overblijven, dan heeft eiser de omvang daarvan niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank begrijpt dat eiser, mede gelet op het tijdsverloop, geen bonnetjes en bankafschriften meer heeft, maar dat is een risico dat voor eiser als procespartij in deze procedure komt.
8. Gelet op al het voorgaande is de aanslag juist vastgesteld en daarmee ook de beschikking belastingrente.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en beschikking belastingrente in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van
mr.A.A. van der Terp, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.