Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1310

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
LEE 23/5006
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:4 AwbArt. 7:26 AwbArt. 6 WegenwetArt. 9 Wegenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke vernietiging besluit onttrekking wegdeel aan openbaar verkeer wegens gebrekkige belangenafweging

Eiser verzocht de gemeenteraad van Westerkwartier om een deel van de [straatnaam] aan het openbaar verkeer te onttrekken. De raad wees dit verzoek af, waarna eiser administratief beroep instelde bij Gedeputeerde Staten Groningen. Gedeputeerde Staten handhaafden het besluit, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat Gedeputeerde Staten niet deugdelijk hebben gemotiveerd waarom het algemeen veiligheidsbelang aan de onttrekking in de weg staat. De belangenafweging was onvolledig, met name omdat het eigendomsbelang van eiser niet is betrokken en onvoldoende onderzoek is gedaan naar de geschiktheid van de alternatieve route voor hulpdienstvoertuigen.

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de rechtsvordering op grond van artikel 43 Wegenwet Pro en wijst het verzoek om schadevergoeding tegen de gemeente af omdat deze geen partij is. Wel wijst de rechtbank eiser een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij Gedeputeerde Staten en de Staat der Nederlanden worden veroordeeld tot betaling van respectievelijk €115,38 en €1.384,62.

De rechtbank draagt Gedeputeerde Staten op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en wijst het beroep van eiser gegrond. Het griffierecht wordt aan eiser vergoed.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van het verzoek tot onttrekking van het wegdeel aan het openbaar verkeer wordt vernietigd en immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/5006

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats]

(gemachtigde: A.G. Ritsma )
en

Gedeputeerde Staten van Groningen

(gemachtigden: mr. D. Schuldink en D.G.I. Joosten ).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
de raad van de gemeente Westerkwartier
(gemachtigden: A. Veenstra en mr. P. Zoeten )
en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van [naam] tegen het besluit dat door Gedeputeerde Staten van Groningen is genomen op het administratief beroep van [naam] . Dat administratief beroep is door [naam] ingesteld tegen het besluit van de raad van de gemeente Westerkwartier (de raad). De raad heeft het verzoek van [naam] om de [straatnaam] gedeeltelijk aan het openbaar verkeer te onttrekken afgewezen.
1.1.
De bestuursrechter van de rechtbank zal zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de rechtsvordering van 22 november 2023, door [naam] ingesteld op grond van artikel 43 van Pro de Wegenwet. Zij zal het verzoek van [naam] afwijzen om de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Westerkwartier te veroordelen tot het betalen van een immateriële schadevergoeding, omdat de gemeente geen partij is in dit geding. Het beroep van [naam] zal gegrond worden verklaard. De rechtbank zal het besluit van 17 oktober 2023 vernietigen omdat dat besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb, artikel 3:4 van Pro de Awb en artikel 7:26, eerste lid, van de Awb. Gedeputeerde Staten zullen worden opgedragen om een nieuw besluit op het administratief beroep van [naam] te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om immateriële schadevergoeding van [naam] wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegewezen. Gedeputeerde Staten van Groningen zullen worden veroordeeld tot betaling aan [naam] van een schadevergoeding van € 115,38. De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) zal worden veroordeeld tot betaling aan [naam] van een schadevergoeding van € 1.384,62. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Bij wet van 11 juli 2018 is met ingang van de datum van herindeling de nieuwe gemeente Westerkwartier ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de opgeheven gemeenten Grootegast, Leek, Marum en Zuidhorn en een deel van het grondgebied van de gemeente Winsum. [1] Die wet is op 15 september 2018 in werking getreden. [2]
2.1.
De [straatnaam] te [woonplaats] vormt een verbinding tussen de Provincialeweg (N981) aan de noordzijde en de Zuiderweg aan de zuidzijde. [naam] woont op het adres [adres] , in die plaats. Zijn woning ligt op het perceel kadastraal aangeduid als Gemeente Grootegast, [perceel 1] . Perceelnummer [perceel 2] ligt ten oosten daarvan en parallel daaraan. Over laatstgenoemd perceel loopt de [straatnaam] . Beide percelen zijn eigendom van [naam] . De [straatnaam] ligt op het grondgebied van de gemeente Westerkwartier.
2.2.
Bij brief van 21 januari 2022 heeft [naam] de raad verzocht om de [straatnaam] gedeeltelijk aan de openbaarheid te onttrekken. Het verzoek ziet op het gedeelte van de [straatnaam] dat ligt op perceelnummer [perceel 2] .
2.3.
Bij besluit van 22 februari 2023 heeft de raad het verzoek van [naam] afgewezen. [naam] heeft daartegen administratief beroep ingesteld bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten hebben vervolgens in hun besluit van 17 oktober 2023 de motivering van het besluit van de raad gewijzigd en het besluit van de raad verder in stand gelaten.
3. [naam] heeft beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het besluit van Gedeputeerde Staten.
3.1.
Bij brief van 14 oktober 2024 is de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
3.2.
Bij brief van 14 oktober 2024 is aan partijen medegedeeld dat het onderhavige beroep gevoegd wordt behandeld met het beroep van de raad, dat is ingeschreven onder zaaknummer LEE 23/5008.
3.3.
Bij brief van 23 januari 2025 heeft [naam] nieuwe gronden ingediend. Die brief bevat verder een verzoek om schadevergoeding inzake overschrijding van de redelijke termijn en een verzoek om de zaak met voorrang te behandelen.
3.4.
Op 4 mei 2025 heeft [naam] producties in het geding gebracht.
3.5.
Bij brief van 12 augustus 2025 heeft [naam] het verzoek om schadevergoeding aangevuld.
3.6.
Bij brief van 4 januari 2026 heeft [naam] beroepsgronden en producties in het geding gebracht. In hetzelfde geschrift heeft hij het verzoek aangevuld dat gaat over immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
3.7.
Gedeputeerde Staten hebben op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.8.
Bij brief van 9 januari 2026 heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
3.9.
Bij e-mailbericht, verzonden op 9 januari 2026, hebben Gedeputeerde Staten de op de zaak betrekking hebbende stukken aangevuld met een brief van 3 juli 2006 van het college van de toenmalige gemeente Grootegast over de uitoefening van de brandweerzorg.
3.10.
Bij brief van 12 januari 2026 heeft [naam] gereageerd op de schriftelijke uiteenzetting van de raad.
3.11.
Bij brief van 12 januari 2026 hebben Gedeputeerde Staten de op de zaak betrekking hebbende stukken aangevuld.
3.12.
Bij e-mailbericht verzonden op 15 januari 2026 hebben Gedeputeerde Staten op telefonisch verzoek van de griffier alsnog de stukken met betrekking tot de wegenlegger van de [straatnaam] te [woonplaats] van de gemeente Grootegast (de wegenlegger) ingediend.
3.13.
Bij e-mailbericht verzonden op 15 januari 2026 heeft [naam] het beroep aangevuld.
3.14.
De rechtbank heeft het beroep van [naam] en het beroep van de raad gevoegd behandeld op de zitting van 22 januari 2026. [naam] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Gedeputeerde Staten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De raad heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
3.15.
De rechtbank heeft de zaken LEE 23/5006 en LEE 23/5008 na de behandeling op de zitting gesplitst. Daarom wordt op beide beroepen separaat uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

4. De relevante verdrags- en wetsbepalingen staan in de bijlage.
Hebben Gedeputeerde Staten deugdelijk gemotiveerd dat en waarom het algemeen veiligheidsbelang aan de onttrekking aan het openbaar verkeer in de weg staat?
5. De rechtbank is van oordeel dat Gedeputeerde Staten niet deugdelijk hebben gemotiveerd dat en waarom het algemeen veiligheidsbelang aan de onttrekking aan het openbaar verkeer in de weg staat. Zij licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt.
5.1.
Gedeputeerde Staten hebben in het besluit van 17 oktober 2023 als volgt overwogen.
“Besluit op administratief beroep
Wij hebben besloten om het advies van de Commissie rechtsbescherming over te nemen. Dit houdt in dat wij het besluit van de gemeenteraad tot afwijzing van uw verzoek tot onttrekking aan de openbaarheid in stand laten. De motivering van het besluit om uw onttrekkingsverzoek af te wijzen, passen wij als volgt aan. De argumenten van de gemeenteraad om niet over te gaan tot onttrekking - in de publicatie van 9 maart 2023 onder het kopje ‘besluit en motivering’ - komen te vervallen. Met de Commissie rechtsbescherming zijn wij van oordeel dat uw belangen geen overwegende redenen zijn om het verzoek toe te wijzen en dat het algemeen veiligheidsbelang bij het bestaan van een alternatieve route voor hulpverleningsdiensten aan de onttrekking van het wegdeel aan het openbaar verkeer in de weg staat. Voor de nadere motivering van ons besluit verwijzen wij naar het genoemde advies. Dit advies maakt integraal onderdeel uit van ons besluit op uw administratief beroep.”
5.2.
Aldus zijn, voor zover hier van belang, de volgende overwegingen uit het advies van de commissie rechtsbescherming van 20 september 2023 aan het besluit ten grondslag gelegd. [3]

De betrokken belangen en hun gewicht
[…]
Het algemeen belang
Zoals eerder is overwogen, volgt uit de openbaarheid van de [straatnaam] als uitgangspunt voor de belangenafweging dat met de openbare toegankelijkheid het algemeen belang is gediend.
[…]
Veiligheid is een belangrijk onderdeel van het algemeen belang. Voor dat aspect acht de commissie de Handleiding Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid van betekenis. Deze handleiding geeft richtlijnen voor de veiligheidsregio’s om regionaal beleid op te stellen omtrent bluswater en bereikbaarheid.[…] Daarin is - voor zover van belang - de richtlijn opgenomen dat op erftoegangswegen (de wegen binnen het verblijfsgebied) voldoende ruimte dient te zijn om hulpdienstvoertuigen doorgang te kunnen geven, waardoor een minimale berijdbare breedte van 4,50 meter nodig is. Daarnaast geldt de algemene richtlijn dat wordt voldaan aan de eis van de brandweer dat een tweede, onafhankelijke route bestaat voor het geval de voor de hand liggende route niet bruikbaar is. Dit heeft de gemeenteraad niet onderkend.
De commissie begrijpt dat deze richtlijnen primair gelden voor de inrichting van nieuwe wegen en dat deze in bestaande situaties worden toegepast voor zover dat mogelijk is. Uit de brandweerbrief van 3 juli 2006 blijkt dat de brandweer voor de gehele [straatnaam] zelf uitgaat van een minimale wegbreedte van 2,5 meter en een doorrijhoogte van ten minste 3,5 meter. Die maatvoering is verwerkt in de wegenlegger, waarbij in aanmerking is genomen dat de daarin opgenomen beperkingen moeten zijn afgestemd op de oorspronkelijke situatie. Omdat onttrekking van het wegdeel aan de openbaarheid toen niet aan de orde was, heeft, naar het zich laat aanzien, de brandweer zich destijds niet uitgelaten over de toegankelijkheid. Na onttrekking van het wegdeel blijft het perceel van eiser van twee kanten bereikbaar voor hulpdienstvoertuigen, maar zijn de percelen van de andere aanwonenden van de [straatnaam] dat dan niet meer. Dat merkt de commissie aan als een zwaarwegend veiligheidsbelang.
De belangenafweging
Het bevoegd gezag kan tot onttrekking van het wegdeel aan het openbaar verkeer overgaan als daarvoor overwegende redenen bestaan en het algemeen belang zich daartegen niet verzet.
[…]
Ervan uitgaande dat de [straatnaam] overigens voldoet aan de eisen van de Wegenlegger, staat de slechte onderhoudstoestand van het wegdeel er verder niet aan in de weg dat het perceel van eiser voor hulpdiensten bereikbaar is. Wat de gevraagde onttrekking in dit verband naar het oordeel van de commissie wel in de weg staat is de veiligheidsrichtlijn die voorschrijft dat er een tweede, onafhankelijke route bestaat voor hulpdienstvoertuigen voor het geval de voor de hand liggende route niet bruikbaar is. In de bestaande situatie wordt in beginsel aan die eis voldaan. Onttrekking van het wegdeel aan de openbaarheid zal tot gevolg hebben dat aan deze eis niet meer kan worden voldaan. Nu de omstandigheden het mogelijk maken dat blijvend in een alternatieve aanrijroute wordt voorzien, staat het algemeen belang de gevraagde onttrekking in de weg.
Concluderend is de commissie van oordeel dat de belangen van eiser niet van overwegende aard zijn en dat het algemeen veiligheidsbelang bij het bestaan van een alternatieve route voor hulpverleningsdiensten aan de onttrekking van het wegdeel aan het openbaar verkeer in de weg staat.
Advies
[…]”
Naar de rechtbank begrijpt bedoelt de commissie rechtsbescherming met de brandweerbrief van 3 juli 2006 de brief van die datum van het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Grootegast over de uitoefening van de brandweerzorg ter hoogte van de woning van [naam] .
5.3.
[naam] voert aan dat Gedeputeerde Staten onzorgvuldig onderzoek hebben verricht. Het eventueel bestaan van een alternatieve route is onvoldoende om te garanderen dat deze route ook daadwerkelijk geschikt is voor de afhandeling (het dragen) van grote en zware hulpdienstvoertuigen. Daarnaast voert [naam] aan dat, ook al zou zijn perceel vanaf de zuidelijke richting zijn te bereiken met een brandweerwagen, het de vraag is of zijn woning en bijgebouwen daadwerkelijk bereikbaar zijn voor noodhulp. Volgens hem is de maximale inzetdiepte van een bluswaterstraal daarvoor niet-toereikend.
5.4.
De rechtbank constateert dat de commissie en (in navolging daarvan) Gedeputeerde Staten een onjuiste toets hebben aangelegd. Volgens hen kan het bevoegd gezag tot onttrekking van het wegdeel aan het openbaar verkeer overgaan als aan twee cumulatieve criteria is voldaan. Ten eerste zouden daarvoor overwegende redenen moeten bestaan, ten tweede zou het algemeen belang zich daartegen niet moeten verzetten. In plaats daarvan hadden Gedeputeerde Staten alle belangen van de betrokken partijen voor én tegen de onttrekking moeten vaststellen, afwegen en die afweging deugdelijk moeten motiveren. [4]
5.5.
Uit het advies van de commissie rechtsbescherming volgt dat zij ervan uitgaat dat de percelen van alle aanwonenden van de [straatnaam] van twee kanten bereikbaar zijn voor hulpdienstvoertuigen via het wegdeel in de bestaande (openbare) situatie. De commissie rechtsbescherming en (in navolging daarvan) Gedeputeerde Staten hebben evenwel niet de nodige kennis vergaard omtrent de lengte, breedte, aslast en hoogte (van de samenstellen) van hulpdienstvoertuigen die mogelijk op de [straatnaam] kunnen worden ingezet. [5] Dat is echter wel degelijk benodigde kennis, omdat ten aanzien van de lengte, breedte, aslast en hoogte in de wegenlegger beperkingen zijn opgenomen over het gebruik van het litigieuze deel van de [straatnaam] . [6] Zie hieronder kolom IV van de wegenlegger.
5.6.
Gelet op voornoemde beperkingen – waarbij met name in het oog springt dat het wegdeel is gesloten voor voertuigen waarvan de aslast hoger is dan 4,8 ton – had moeten worden onderzocht of het wegdeel daadwerkelijk als alternatieve route voor hulpverleningsdiensten gebruikt kan worden. Ten aanzien van brandweervoertuigen geldt daarbij specifiek dat (met betrekking tot de aslast) onderzocht moet worden of een bluswatervoorziening en/ of een brandkraan ter plaatse aanwezig is of dat het bluswater door de wagens vervoerd moet worden. Weliswaar is het niet uitgesloten dat de hulpverleningsdiensten beschikken over een ontheffing waardoor bepaalde verkeersverboden niet voor hen gelden, maar dat maakt het voorgaande niet anders, omdat het erom gaat of het wegdeel feitelijk voor de hulpdienstvoertuigen geschikt is. Dat is niet komen vast te staan.
5.7.
In de brief van het college van 3 juli 2006 over de uitoefening van de brandweerzorg staat het volgende.
5.8.
De geschiktheid van het wegdeel voor hulpdienstvoertuigen volgt niet uit de eerdergenoemde brandweerbrief. De rechtbank stelt vast dat de brief van 3 juli 2006 de feitelijke situatie beschrijft op de [straatnaam] , zoals die volgens [naam 1] en [naam 2] was op 28 juni 2006. Alleen al gelet op het tijdsverloop tussen 28 juni 2006 en 17 oktober 2023, de datum waarop op het administratief beroep is beslist, komt aan die brief niet de betekenis toe die Gedeputeerde Staten daaraan gehecht wensen te zien. Niet valt in te zien hoe Gedeputeerde Staten hebben kunnen verifiëren dat die beschrijving actueel was ten tijde van het nemen van het besluit op het administratief beroep, omdat zij hebben nagelaten aanvullend onderzoek te doen naar de feitelijke toestand op de [straatnaam] ten tijde van het nemen van het besluit op het administratief beroep. Verder vermeldt de brief ook niets over de maximum aslast die voor het wegdeel geldt.
5.9.
Gedeputeerde Staten hebben niet deugdelijk gemotiveerd dat de hulpverleningsdiensten daadwerkelijk de [straatnaam] kúnnen gebruiken als alternatieve route, gelet op de lengte, de breedte, de aslast en de hoogte van de hulpverleningsvoertuigen, in relatie tot de beperkingen die gelden voor het gebruik van de [straatnaam] , zoals die volgen uit de wegenlegger. Daarom konden zij niet zonder nader onderzoek ervan uitgaan dat de percelen van alle aanwonenden van de [straatnaam] van twee kanten bereikbaar zijn voor hulpdienstvoertuigen in de situatie dat het wegdeel niet aan het openbaar verkeer onttrokken is. Het bestaan van het zwaarwegend veiligheidsbelang dat Gedeputeerde Staten hebben gekwalificeerd als doorslaggevend, is daarom niet aannemelijk gemaakt. Om deze reden is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb, artikel 3:4 van Pro de Awb en artikel 7:26 van Pro de Awb. De beroepsgrond slaagt.
Is het eigendomsbelang van [naam] door Gedeputeerde Staten kenbaar betrokken bij het besluit op het administratief beroep?
6. Ter zitting hebben Gedeputeerde Staten erkend dat uitsluitend het veiligheidsbelang is betrokken bij het besluit op het administratief beroep. Daarmee staat tussen partijen vast dat het eigendomsbelang van [naam] door Gedeputeerde Staten niet is betrokken bij het besluit op het administratief beroep dat op 17 oktober 2023 is genomen.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben Gedeputeerde Staten niet in redelijkheid het afwegen van het eigendomsbelang achterwege kunnen laten. Het is immers aan Gedeputeerde Staten om de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen (kenbaar) af te wegen, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. Van een dergelijke beperking is in dit geval niet gebleken. [7] Ook om deze reden is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb, artikel 3:4 van Pro de Awb en artikel 7:26 van Pro de Awb. De beroepsgrond slaagt.
Heeft [naam] een financieel belang bij onttrekking?
7. De rechtbank is van oordeel dat [naam] ten tijde van het sluiten van het onderzoek in de onderhavige zaak geen financieel belang meer had bij de onttrekking aan de openbaarheid. Hierna licht zij toe hoe zij tot dit oordeel komt.
7.1.
[naam] voert aan dat hij niet aansprakelijk gehouden wil worden voor (financiële) schade als gevolg van het niet-uitvoeren van onderhoud. Daarnaast vloeit het financiële belang volgens [naam] eruit voort dat de gemeente hem aanspoort om onderhoud te plegen, op eigen kosten, ten behoeve van een kennelijk publiek belang. Hij weigert dit onderhoud te plegen en is daarom geconfronteerd met een mogelijke dwangsom. Het financiële belang is een gevolg van de door de gemeente ingestelde civiele procedure, aldus [naam] . Hij wijst in dit verband op een e-mailbericht dat is verzonden op 15 november 2019. Daarin heeft de gemeente op zijn verzoek een kostenraming gemaakt. Het gaat om € 2.662,– per halfjaar volgens [naam] .
7.2.
De rechtbank overweegt dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 14 januari 2025, de volgende conclusies heeft neergelegd. [8]

Conclusies
2.21
Omdat [naam] het bewijs heeft geleverd dat hij gedurende een onafgebroken periode van 20 jaar geen enkel onderhoud heeft verricht aan de weg op zijn perceel, is de verplichting tot het verrichten van onderhoud van de weg verjaard.[…] De vordering van de gemeente om uit te spreken (‘voor recht te verklaren’) dat [naam] verplicht is zodanig onderhoud aan de weg te verrichten dat deze bij voortduring voldoet aan de in de wegenlegger gestelde eisen is daarom niet toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de vordering van de gemeente om [naam] , op straffe van een dwangsom, te veroordelen tot nakoming van deze verplichting.[…]
7.3.
Uit het arrest volgt – en tussen partijen staat in deze procedure vast – dat de verplichting tot het verrichten van onderhoud door [naam] is verjaard. Niet is gebleken dat [naam] een ander financieel belang had ten tijde van het sluiten van het onderzoek in de onderhavige zaak. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Is de bestuursrechter van de rechtbank bevoegd om te beslissen op de rechtsvordering van [naam] die is ingesteld op grond van artikel 43 van Pro de Wegenwet?
8. De bestuursrechters van de rechtbank zijn van oordeel dat zij niet de rechters zijn die bevoegd zijn om te beslissen op de rechtsvordering van [naam] die is ingesteld op grond van artikel 43 van Pro de Wegenwet.
8.1.
Uit het bepaalde in artikel 44 van Pro de Wegenwet en artikel 46 van Pro de Wegenwet volgt dat de rechtsvordering op grond van artikel 43 van Pro de Wegenwet uitsluitend kan worden ingesteld door de provincie te dagvaarden bij de burgerlijke rechter van deze rechtbank. [9] De bestuursrechters verklaren zich dan ook onbevoegd om kennis te nemen van de rechtsvordering van 22 november 2023, door [naam] ingesteld op grond van artikel 43 van Pro de Wegenwet.
Kan de rechtbank zelf in de zaak voorzien?
9. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien. Zij licht hierna toe waarom zij dat niet zal doen.
9.1.
[naam] stelt dat de rechtbank niet tot een andere conclusie kan komen dan dat er geen enkel belang is op grond waarvan het perceel niet onttrokken zou kunnen worden. Omdat deze kwestie inmiddels al veertien jaren duurt, verzoekt hij de rechtbank om zelf te besluiten om het perceel te onttrekken aan de openbaarheid.
9.2.
De rechtbank ziet geen mogelijkheid voor de door [naam] gewenste finale geschilbeslechting, reeds nu – zoals uit het voorgaande blijkt – nog nader onderzoek moet worden gedaan naar de geschiktheid van het wegdeel voor hulpdienstvoertuigen. Ook de beleidsruimte die Gedeputeerde Staten hebben staat eraan in de weg dat de rechtbank zelf in de zaak voorziet zoals door [naam] is verzocht, daarbij is van belang dat er meer dan één uitkomst denkbaar is. Gedeputeerde Staten zullen opnieuw een belangenafweging moeten maken waarbij alle betrokken belangen kenbaar worden afgewogen. Gedeputeerde Staten hebben op de zitting aangegeven dat zij in het bestreden besluit niet alle belangen hebben besproken en gewogen, omdat zij het veiligheidsargument al voldoende gewicht vonden hebben. Gedeputeerde Staten hebben verder op de zitting aangegeven alsnog álle belangen in overweging te nemen als de uitspraak van de rechtbank in het beroep van [naam] daartoe aanleiding zou geven. De rechtbank zal dan ook niet zelf in de zaak voorzien.
Heeft [naam] in deze procedure recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?
10. [naam] heeft in deze procedure recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal het verzoek van [naam] daarover toewijzen. Zij geeft hierna aan hoe zij tot dat oordeel komt en hoe hoog de schadevergoeding is.
10.1.
[naam] heeft bij brief van 23 januari 2025 verzocht om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hij heeft het verzoek bij brief van 4 januari 2026 aangevuld.
10.2.
De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Vooralsnog bestaat deze zaak uit een administratief beroepsprocedure en een procedure bij deze rechtbank. In beginsel is een totale lengte van de procedure van ten hoogste twee jaar redelijk. Die termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het administratief beroepschrift door het bestuursorgaan en eindigt wanneer de rechtbank uitspraak heeft gedaan. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging of verkorting van deze termijn.
10.3.
Op 28 maart 2023 hebben Gedeputeerde Staten het administratief beroepschrift van [naam] ontvangen. Dat betekent dat de redelijke termijn ten tijde van de uitspraak is overschreden met ruim een jaar.
10.4.
Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,– per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [naam] toe te kennen bedrag (3 x € 500,-) € 1.500,–. Die overschrijding van de redelijke termijn moet voor 1/13 worden toegerekend aan Gedeputeerde Staten en voor 12/13 aan de rechtbank.
10.5.
De rechtbank zal Gedeputeerde Staten veroordelen tot een schadevergoeding van in totaal € 115,38 te betalen aan [naam] . Ten aanzien van het deel van de overschrijding van de redelijke termijn dat aan de rechtbank is toe te rekenen, zal de rechtbank de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot een schadevergoeding van in totaal € 1.384,62 te betalen aan [naam] .
Kan [naam] in deze procedure bereiken dat de gemeente Westerkwartier wordt veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding?
11. [naam] wenst schadevergoeding omdat de gemeente beweerdelijk verkeersborden heeft geplaatst zonder rechtmatige grondslag en/ of omdat beweerdelijk sprake is van imagoschade.
11.1.
De publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Westerkwartier is echter geen partij in dit geding. Reeds daarom wijst de rechtbank het verzoek af.

Conclusie

12. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan hetgeen [naam] verder heeft aangevoerd.
13. De bestuursrechter van de rechtbank zal zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de rechtsvordering van 22 november 2023, door [naam] ingesteld op grond van artikel 43 van Pro de Wegenwet. Zij zal het verzoek van [naam] afwijzen om de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Westerkwartier te veroordelen tot het betalen van een immateriële schadevergoeding, omdat de gemeente geen partij is in dit geding. Het beroep van [naam] zal gegrond worden verklaard. De rechtbank zal het besluit van 17 oktober 2023 vernietigen omdat dat besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb, artikel 3:4 van Pro de Awb en artikel 7:26, eerste lid, van de Awb. Gedeputeerde Staten zullen worden opgedragen om een nieuw besluit op het administratief beroep van [naam] te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om immateriële schadevergoeding van [naam] wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegewezen. Gedeputeerde Staten van Groningen zullen worden veroordeeld tot betaling aan [naam] van een schadevergoeding van € 115,38. De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) zal worden veroordeeld tot betaling aan [naam] van een schadevergoeding van € 1.384,62.
14. Omdat het beroep van [naam] gegrond zal worden verklaard krijgt hij het griffierecht terug. Er is niet gebleken van door hem gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De bestuursrechter van de rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de rechtsvordering van 22 november 2023, door [naam] ingesteld op grond van artikel 43 van Pro de Wegenwet;
  • wijst het verzoek van [naam] af om de gemeente Westerkwartier te veroordelen tot het betalen van een immateriële schadevergoeding;
  • verklaart het beroep van [naam] gegrond;
  • draagt Gedeputeerde Staten op om een nieuw besluit op het administratief beroep van [naam] te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding van [naam] toe;
  • veroordeelt het college van Gedeputeerde Staten van Groningen tot betaling aan [naam] van een schadevergoeding van € 115,38;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan [naam] van een schadevergoeding van € 1.384,62;
  • bepaalt dat het college van Gedeputeerde Staten van Groningen het griffierecht van € 184,– aan [naam] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzitter, en mrs. A.S. Broere en R.L. Herregodts, leden, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop een afschrift van deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke verdrags- en wetsbepalingen
Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms
Article 6
1. In the determination of his civil rights and obligations […], everyone is entitled to a fair and public hearing within a reasonable time by an independent and impartial tribunal established by law. […]
2-3. […]
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 7:26
1. De beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:17 van Pro het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
2. Indien de beslissing afwijkt van het advies van een commissie als bedoeld in artikel 7:19, tweede lid, worden in de beslissing de redenen voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden.
3. De beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht. Betreft het een besluit dat niet tot een of meer belanghebbenden was gericht, dan wordt de beslissing bekendgemaakt op dezelfde wijze als waarop dat besluit bekendgemaakt is.
4. Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de beslissing wordt hiervan mededeling gedaan aan het bestuursorgaan tegen welks besluit het beroep was gericht, aan degenen tot wie het bestreden besluit was gericht en aan de belanghebbenden die in beroep hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
5. Bij de mededeling, bedoeld in het vierde lid, is artikel 6:23 van Pro overeenkomstige toepassing en wordt met het oog op de aanvang van de beroepstermijn zo duidelijk mogelijk aangegeven wanneer de bekendmaking van de beslissing overeenkomstig het derde lid heeft plaatsgevonden.
Wegenwet
Artikel 6
Het bestaan van eene beperking in het gebruik, anders dan krachtens een wettelijk voorschrift tot regeling van het verkeer, mag mede worden aangenomen op grond van de gesteldheid van den weg en van het gebruik, dat van den weg pleegt gemaakt te worden.
Artikel 9
1. Een weg, niet behoorende tot de in artikel 8 bedoelde Pro, kan aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van den raad der gemeente, waarin de weg is gelegen.
2. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt meegedeeld aan Gedeputeerde Staten.
Artikel 11
1. Ieder belanghebbende bij een weg, niet behoorende tot de in artikel 8 bedoelde Pro, heeft het recht aan den raad der gemeente, waarin de weg is gelegen ten opzichte van dien weg toepassing van artikel 9 te Pro verzoeken.
2. Op de voorbereiding van de beslissing op het verzoek is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
3. Weigert de raad aan het verzoek te voldoen, dan staat aan den verzoeker beroep op Gedeputeerde Staten open.
Artikel 30
1. De legger houdt in:
I-III. […]
IV. de beperkingen in het gebruik van den weg, als bedoeld in artikel 6, alsmede de afschuttingen, welke zich op den weg bevinden;
V-X. […]
2-3. […]
Artikel 43
Wijziging van den legger kan worden gevorderd op grond:
I. dat de legger ten onrechte aangeeft:
a. dat een weg of een deel daarvan is openbaar;
b. dat het gebruik van den weg, als bedoeld in artikel 6, niet is beperkt of op andere wijze is beperkt dan in werkelijkheid het geval is;
c. dat iemand verplicht is een weg of duiker te onderhouden of tot het onderhoud daarvan bij te dragen;
II. dat de omvang van den onderhoudsplicht, zooals die op den legger is aangegeven, anders, of de geldsom, die volgens den legger tot het onderhoud moet worden bijgedragen, grooter is dan in werkelijkheid het geval is.
Artikel 44
1. De rechtsvordering, bedoeld in artikel 43, staat ter kennisneming van de rechtbank, binnen wier gebied de gemeente is gelegen, waarvoor de legger geldt.
2. De wettelijke voorschriften omtrent twistgedingen over burgerlijke rechten zijn, voor zoover daarvan niet bij deze wet is afgeweken, van toepassing.
3. […]
Artikel 46
1. De rechtsvordering, bedoeld in artikel 43, wordt ingesteld tegen de provincie.
2. Onze Commissaris is verplicht onmiddellijk een afschrift van de dagvaarding te doen toekomen aan burgemeester en wethouders van de gemeente, binnen wier gebied de weg is gelegen, en aan het bestuur van het waterschap dat heeft te zorgen, dat de weg in goede staat verkeert.
3. […]
Artikel 49
Een weg, welke op den legger voorkomt, wordt aangemerkt als te zijn openbaar onder geen andere dan de uit den legger blijkende beperkingen in het gebruik, tenzij bewezen mocht worden dat na de vaststelling van den legger of na de wijziging, waarbij de weg op den legger is gebracht, de weg heeft opgehouden openbaar te zijn.
Artikel 50
Hij, die door den legger wordt aangewezen als onderhoudsplichtige van een weg of van een duiker of als verplichte om tot het onderhoud eene geldsom bij te dragen, is onderhoudsplichtig of verplicht om tot het onderhoud bij te dragen in voege als bij den legger is bepaald, voor zoover hij niet bewijst, dat na de vaststelling van den legger of na de wijziging, waarbij de aanwijzing als onderhoudsplichtige of als verplichte om tot onderhoud bij te dragen heeft plaats gehad, de verplichting om te onderhouden of om tot het onderhoud bij te dragen is te niet gegaan of gewijzigd.

Voetnoten

1.. Stb. 2018, 280.
2.. Stb. 2018, 281.
3.. De voetnoot in het advies is weggelaten uit het citaat.
4.. Vgl. rov. 13.1. van ECLI:NL:RVS:2025:6280.
5.. Artikel 3:2 van Pro de Awb.
6.. Op grond van artikel 30 van Pro de Wegenwet.
7.. Artikel 3:4, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht.
8.. ECLI:NL:GHARL:2025:182. De voetnoten in het arrest zijn weggelaten uit het citaat.
9.. Artikel 8:71 van Pro de Awb.