ECLI:NL:RBNNE:2026:134

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/18/250885 / KG RK 25/374
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking van rechter in bestuursrechtelijke procedure afgewezen wegens te late indiening

Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland, zitting houdende in Leeuwarden, uitspraak gedaan op een verzoek tot wraking van mr. B. van Walderveen, rechter in deze rechtbank. De verzoeker, vertegenwoordigd door raadsman mr. J.S. de Gram, had op 12 december 2025 een wrakingsverzoek ingediend, maar de rechtbank oordeelde dat dit verzoek te laat was ingediend. De verzoeker had eerder, op 1 december 2025, een wrakingsverzoek ingediend bij de rechtbank Den Haag, dat was afgewezen. De verzoeker stelde dat de rechter zich had moeten verschonen vanwege een vermeende onpartijdigheid, maar de rechtbank concludeerde dat de verzoeker niet tijdig had gereageerd op de uitnodiging voor de zitting, die op 21 november en 3 december 2025 was verzonden. De rechtbank overwoog dat de verzoeker niet had aangetoond dat er bijzondere omstandigheden waren die het tijdsverloop tussen de kennisgeving van de rechter en de indiening van het wrakingsverzoek zouden rechtvaardigen. Daarom verklaarde de rechtbank de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking en besloot dat de procedures met de bijbehorende zaaknummers voortgezet zouden worden in de stand waarin zij zich bevonden ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Wrakingskamer
Locatie Leeuwarden
zaaknummer: a
Beslissing van 21 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
Namens belanghebbenden:
[belanghebbende 1] Bv
[belanghebbende 2]
[belanghebbende 3] BV
[belanghebbende 4] BV
[belanghebbende 5]
[belanghebbende 6]
Adres: [adres]
hierna te noemen: de verzoeker,
Raadsman mr. J.S. de Gram
strekkende tot de wraking van
mr. B. van Walderveen,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van 12 december 2025;
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 18 december 2025.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaken
met nummers [zaaksnummer] , [zaaksnummer] en [zaaksnummer] , [zaaksnummer] , [zaaksnummer] , [zaaksnummer] , [zaaksnummer] , [zaaksnummer] , [zaaksnummer] en [zaaksnummer] , [zaaksnummer] en [zaaksnummer] .
2.2.
De verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, het volgende – voor zover relevant en zakelijk weergegeven – aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De verzoeker heeft de rechter in een eerdere procedure gewraakt bij de rechtbank Den Haag. Op 1 december 2025 heeft de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag de wrakingsverzoeken van de verzoeker afgewezen. Gelet op de aangevoerde gronden in deze eerdere procedures en de onverenigbaarheid van de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag met een bepaling van het Unierecht, stelt de verzoeker dat de rechter zich in alle zaken die bij de rechtbank Noord-Nederland aanhangig zijn en waarin de verzoeker optreedt al dan niet als gemachtigde had moeten verschonen. De verzoeker stelt dat door onder meer te verwijzen naar de Hoge Raad der Nederlanden het niet anders kan dan dat de rechter niet kan worden aangemerkt als onafhankelijk en onpartijdig, omdat volgens de verzoeker de Hoge Raad der Nederlanden niet kan worden aangemerkt als onpartijdig en onafhankelijk gerecht dat bij wet is ingesteld. Nu de rechter zich niet heeft verschoond, verzoekt de verzoeker onder meer het wrakingsverzoek toe te wijzen en de vragen ten aanzien van het Unierecht voor te leggen aan het Hof van Justitie.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. De rechter motiveert – voor zover relevant en zakelijk weergegeven – dat op 21 november 2025 de eerste uitnodiging voor de behandeling van de zitting digitaal is toegezonden aan de verzoeker. In deze uitnodiging stond onder voorbehoud opgenomen dat de rechter de zaken van de verzoeker zou behandelen als rechter-plaatsvervanger. Op 3 december 2025 is deze uitnodiging herhaald met de toevoeging dat de zaken van de verzoeker definitief aan de rechter zijn toegewezen. Gelet op vorenstaande concludeert de rechter onder meer dat het wrakingsverzoek niet tijdig is ingediend.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
3.2.
Artikel 8:15 Awb bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:16, eerste lid, Awb wordt het wrakingsverzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht. Ook wordt beoogd onnodige vertraging van de rechtspleging te voorkomen.
3.3.
Uit het verzoekschrift is gebleken dat de grond die de verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, betrekking heeft op de omstandigheid dat de rechter belast is met de behandeling van de zaken van de verzoeker. Uit de stukken blijkt dat op 21 november 2025 aan de verzoeker een uitnodiging voor de zitting op 15 december 2025 is verstuurd waarin staat dat de rechter de zaken zou behandelen. Op 3 december 2025 is de uitnodiging nogmaals verstuurd aan de verzoeker en daarin staat dat de zaken definitief aan de rechter waren toegewezen. Op dat moment was voor de verzoeker dus duidelijk dat de rechter zijn zaken zou behandelen. De verzoeker heeft vervolgens gewacht tot 12 december 2025 met het indienen van zijn wrakingsverzoek. Dat is ruim anderhalve week na de brief van 3 december 2025 geweest. De rechtbank is van oordeel dat de verzoeker daarmee te laat is met het indienen van het wrakingsverzoek. Van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop tussen de datum van de brief met daarin de mededeling dat de zaken definitief aan de rechter waren toegewezen en de datum van het indienen van het wrakingsverzoek zouden kunnen rechtvaardigen, is de rechtbank niet gebleken. Voor een wrakingsverbod, zoals door de rechter is verzocht, ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding.
3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen aanleiding. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gelet op het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;
4.2.
bepaalt dat de procedures met zaaknummers [zaaksnummer] , [zaaksnummer] en [zaaksnummer] , [zaaksnummer] , [zaaksnummer] , [zaaksnummer] , [zaaksnummer] , [zaaksnummer] , [zaaksnummer] en [zaaksnummer] , [zaaksnummer] en [zaaksnummer] worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevonden;
4.3.
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan:
- de verzoeker;
- de gewraakte rechter; mr. B. van Walderveen;
- de betrokken partij(en).
Deze beslissing is gegeven op 21 januari 2026 door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. I. Zetstra en mr. H.J. Idzenga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Toussaint als griffier.
- de griffier - de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.