Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1473

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
26/1251
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting pand wegens hennepvondst

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland heeft op 22 april 2026 uitspraak gedaan over het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Emmen tot sluiting van een pand. Het pand zou gesloten worden voor zes maanden vanwege de vondst van 2.029 gram hennep. Het besluit was gewijzigd waarbij de datum van vondst en de sluitingstermijn werden aangepast.

Verzoeker, de verhuurder van het pand, maakte bezwaar tegen het besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat de korte termijn tussen kennisgeving en sluiting het onmogelijk maakte om de bezwaarprocedure af te wachten, dat het besluit tot sluiting herstelmaatregelen bemoeilijkt en dat het niet schorsen tot onomkeerbare schade en waardevermindering leidt.

De voorzieningenrechter oordeelde echter dat geen sprake was van onverwijlde spoed zoals vereist volgens de Awb. Het bezwaar schorst de werking van het besluit niet, maar verzoeker kan het bevoegd gezag verzoeken om verlenging van de begunstigingstermijn om dwangsommen te voorkomen. Schadevergoeding kan worden gevraagd indien het besluit onrechtmatig blijkt. De gestelde waardevermindering was onvoldoende onderbouwd.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van het pand wordt afgewezen wegens gebrek aan onverwijlde spoed.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1251

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 april 2026 in de zaak tussen

[naam uit plaats] , verzoeker

en

de burgemeester van Emmen

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 8 april 2026, zoals gewijzigd bij besluit van 16 april 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Bij besluit van 8 april 2026 heeft de burgemeester aan verzoeker meegedeeld dat hij het pand op het perceel [adres] (het pand) op 22 april 2026 zal sluiten voor de duur van zes maanden, omdat de politie op 27 november 2025 2.029 gram hennep heeft aangetroffen. De sluiting stopt dus op 22 oktober 2026, aldus de burgemeester. Verzoeker, die het pand verhuurt, heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij besluit van 16 april 2026 is het besluit van 8 april 2026 gewijzigd. De wijzigingen zien op de datum waarop drugs is aangetroffen en op de sluitingstermijn. De drugs zijn volgens dat besluit niet op 27 november 2025 aangetroffen, maar op 27 januari 2026. De sluitingstermijn is bekort met drie maanden omdat uit onderzoek is gebleken dat het pand ten tijde van het besluit van 8 april 2026 niet langer in gebruik was als lokaal, maar als woning.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
2.1.
Bij brief van 16 april 2026 is verzoeker verzocht om het spoedeisend belang per omgaande nader te onderbouwen.
2.2.
Bij e-mailbericht verzonden op 16 april 2026 heeft verzoeker gereageerd. Hij heeft vier argumenten naar voren gebracht. Ten eerste wijst hij erop dat de sluiting van het pand hem is meegedeeld in een brief die hij heeft ontvangen op 14 april 2026. De sluiting is voorzien per 22 april 2026, dat is een zeer korte termijn. Hierdoor is het voor hem feitelijk onmogelijk om de uitkomst van de bezwaarprocedure af te wachten, aldus verzoeker. Ten tweede heeft verzoeker bij brief gedateerd 31 maart 2026 een voornemen ontvangen van het bevoegd gezag. Het voornemen strekt ertoe dat een last onder dwangsom zal worden opgelegd. Door sluiting wordt het praktisch onmogelijk om herstelmaatregelen te nemen, terwijl bij niet-naleving aanzienlijke dwangsommen kunnen worden verbeurd. Ten derde leidt het niet-schorsen van het bestreden besluit tot directe en aanzienlijke schade. Het pand kan gedurende de sluiting niet worden gebruikt, daarnaast treedt waardevermindering van het pand op. Ten slotte zijn de gevolgen van de sluiting feitelijk onomkeerbaar. Zelfs indien het besluit in een later stadium onrechtmatig wordt bevonden, kan de schade die ontstaat door de sluiting niet worden hersteld, aldus verzoeker.
2.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van onverwijlde spoed in de zin van de Awb. Het is een keuze van de wetgever dat het maken van bezwaar de werking van het besluit waartegen dat bezwaar is gericht niet schorst. Als verzoeker, als gevolg van het bestreden besluit, geen herstelmaatregelen kan nemen, dan kan hij het bevoegd gezag vragen om verlenging van de begunstigingstermijn zodat hij geen dwangsom(men) zal verbeuren. Weliswaar is aannemelijk dat schade wordt geleden omdat huurinkomsten worden gederfd, maar als zou blijken dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dan kan verzoeker het bevoegd gezag vragen om schadevergoeding. De gestelde waardevermindering is niet onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter dat passeert.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.