Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1505

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
LEE 25/4462
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 4 TSB-regelingArt. 8:10 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekte allergisch beroepsastma

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB-regeling), welke door de Sociale verzekeringsbank (Svb) is afgewezen op basis van een deskundigenadvies dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor allergisch beroepsastma.

De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, met name omdat niet duidelijk is gemaakt in hoeverre de Svb haar vergewisplicht heeft nageleefd ten aanzien van het deskundigenadvies. Hierdoor is het besluit in strijd met het motiveringsbeginsel en wordt het vernietigd.

Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het deskundigenadvies zorgvuldig en concludent is en eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd dat hij voldoet aan de voorwaarden van de TSB-regeling. De rechtbank wijst erop dat eiser onvoldoende medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de astma werkgerelateerd is en dat sprake is van allergisch beroepsastma.

De rechtbank beveelt tevens vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser toe. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland op 21 april 2026.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de tegemoetkoming wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4462

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[naam 1 uit plaats] , eiser

(gemachtigde: [naam 2] ),
en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, de Svb

(gemachtigden: mr. J.G. Starreveld en mr. L.C. Trommel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB-regeling). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daartoe een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit en procesverloop

2. Op 18 januari 2023 heeft eiser via het Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke Stoffen (ISBG) een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op basis van de TSB-regeling. Het ISBG heeft de Svb geadviseerd om de tegemoetkoming niet toe te kennen, omdat het Deskundigenpanel van Bureau Lexces heeft geoordeeld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden uit het protocol Allergisch Beroepsastma zoals bedoeld in de TSB-regeling. De Svb heeft daarop eisers aanvraag met het primaire besluit van
23 december 2023 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 15 november 2024 heeft de Svb het primaire besluit gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft de Svb opnieuw ten grondslag gelegd dat het Deskundigenpanel heeft geoordeeld dat op basis van de beschikbare informatie geen sprake is van een beroepsziekte in de zin van de TSB-regeling. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een tegemoetkoming.
2.2.
Naar aanleiding van een wijziging in de TSB-regeling, heeft de Svb het ISBG verzocht de aanvraag opnieuw voor te leggen aan het Deskundigenpanel van Bureau Lexces. Het Deskundigenpanel heeft in de reactie van 13 juni 2025 aangegeven dat de aanvraag ook onder de gewijzigde regeling niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming. De Svb heeft vervolgens het bestreden besluit op 31 juli 2025 voorzien van een aanvullende motivering overeenkomstig het nadere advies van het Deskundigenpanel.
2.3.
Bij brief van 5 november 2025 heeft de rechtbank Overijssel het beroepschrift en de stukken doorgezonden naar de rechtbank Noord-Nederland.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van de Svb, mr. J.G. Starreveld en S. Venema . Na bespreking van de zaak ter zitting, heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de zaak met toepassing van artikel 8:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zal worden verwezen naar de meervoudige kamer.
2.5.
De Svb heeft de rechtbank verzocht om op voorhand vragen die ter zitting van de meervoudige kamer aan de orde zullen komen kenbaar te maken. De rechtbank heeft partijen per brief op voorhand enkele vragen voorgelegd. De Svb heeft hierop met een aanvullend verweerschrift gereageerd.
2.6.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van de Svb, vergezeld van onder andere drs. K. Verbist , programmamanager uitvoering TSB bij het RIVM. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Motivering van het bestreden besluit
3. Op de zitting van 18 maart 2026 heeft de Svb erkend dat het bestreden besluit geen correcte motivering bevat. Uit het besluit blijkt namelijk onvoldoende in hoeverre door de Svb is voldaan aan de vergewisplicht. Dat houdt in dat, nu het besluit van de Svb in belangrijke mate is gebaseerd op het deskundigenadvies, de Svb dient na te gaan of dat advies op logische, inzichtelijke en onbetwistbare wijze leidt tot de eindconclusie. Daarnaast is in het besluit ten onrechte vermeld dat de Svb het advies van het ISBG en/of het Deskundigenpanel marginaal dient te toetsen.
3.1.
Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om het beroep wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb gegrond te verklaren. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal vervolgens onderzoeken of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.
Het toetsingskader
4. Op basis van artikel 4, eerste lid en onder a, van de TSB-regeling, bestaat recht op een eenmalige tegemoetkoming, indien het Deskundigenpanel, met inachtneming van het afwegingskader causaliteit en de bijbehorende protocollen beroepsziekten, heeft beoordeeld dat er sprake is van een ernstige aandoening die ten tijde van de aanvraag voor de tegemoetkoming vermeld is op de Lijst beroepsziekten, opgenomen in de bijlage van de Regeling, en het voorshands aannemelijk is dat deze ernstige aandoening in het geval van de aanvrager het gevolg is van blootstelling aan één of meer gevaarlijke stoffen bij het verrichten van de arbeid.
4.1.
Ten behoeve van de uitvoering van de TSB-regeling is voor zover het de in deze zaak gestelde beroepsziekte (allergisch beroepsastma) betreft, een Protocol opgesteld. [2] Op grond van dit Protocol dient het Deskundigenpanel te beoordelen of de relatie tussen het ontstaan van de allergische beroepsastma en de blootstelling aan één of meer gevaarlijke stoffen voorshands aannemelijk is. Hiervoor beoordeelt het Deskundigenpanel of:
1. de ziekte aanwezig is;
2. sprake is geweest van voldoende beroepsmatige blootstelling aan de gevaarlijke stoffen voorafgaand aan het ontstaan van de ziekte;
3. het voorshands aannemelijk is dat de ziekte van de aanvrager is veroorzaakt door beroepsmatige blootstelling aan gevaarlijke stoffen.
4.2.
Om allergisch beroepsastma te kunnen bevestigen moet volgens het Protocol de diagnostiek beschreven zijn die is verricht voor het vaststellen van allergisch beroepsastma. De vaststelling van de medische diagnose allergisch beroepsastma bestaat gewoonlijk uit vier stappen:
1. vaststellen van de astma;
2. vaststellen of de astma werkgerelateerd is;
3. vaststellen of sprake is van sensibilisatie (werkgerelateerde allergie);
4. vaststellen van de blootstelling.
Het advies van het Deskundigenpanel (het panel)
5. Het panel erkent dat bij eiser sprake is van astma en dat hij tijdens zijn werk mogelijk in contact is gekomen met Chroom-6 (stappen 1 en 4 zoals weergegeven onder 4.2). Voor de vaststelling of sprake is van werkgerelateerde astma (stap 2), ontbreken volgens het panel gegevens. Daarbij wordt gedoeld op longfunctietesten die zijn uitgevoerd tijdens het werk en op vrije dagen of van provocatietesten die onder supervisie tijdens het werk zijn uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de klachten door het werk komen. Het panel heeft verder opgemerkt dat met betrekking tot de periode van blootstelling geen medische informatie beschikbaar is die anamnestisch de relatie tussen de klachten en de werkzaamheden ondersteunt. Ook is er geen aantoonbaar advies gegeven door een behandelend (bedrijfs)arts om de werkzaamheden te staken en ander werk te gaan zoeken. De aanvraag voldoet daarom volgens het panel niet aan de voorwaarde dat de astma werkgerelateerd is. Het dossier bevat tot slot ook geen informatie waaruit blijkt dat objectiverend onderzoek is gedaan naar mogelijke sensibilisatie voor beroepsallergenen, zoals bijvoorbeeld Chroom-6, waaraan eiser zou zijn blootgesteld (stap 3). De aanvraag voldoet dus ook niet aan deze voorwaarde. Het wordt daarom niet voorshands aannemelijk geacht dat sprake is van allergisch beroepsastma in de zin van de TSB.
De toets en de vergewisplicht
6. De rechtbank dient in dit geval te toetsen of de Svb het advies van het panel aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hieronder zal zij aangeven hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
6.1.
Bij de beoordeling van de vraag of eiser in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de TSB-regeling, moeten drie onderdelen door het panel beoordeeld worden (zie onder 4.1. van deze uitspraak). Bij het eerste onderdeel moet beoordeeld worden of de ziekte aanwezig is. De vaststelling van de medische diagnose allergisch beroepsastma bestaat volgens het Protocol uit vier stappen (zie onder 4.2). De Svb gaat ervan uit dat eiser astma heeft, zodat is voldaan aan de voorwaarde vermeld bij de eerste stap. Vervolgens, zo volgt uit de tweede stap, moet worden vastgesteld of de astma werkgerelateerd is. Het panel heeft vastgesteld dat er onvoldoende medische informatie voorhanden is op basis waarvan kan worden vastgesteld dat de astma van eiser samenhangt met de werkzaamheden die hij heeft verricht. Dat sprake is van beroepsastma en dus van een beroepsziekte kan door het panel niet worden vastgesteld. Het panel is daarom tot de conclusie gekomen dat niet is voldaan aan de voorwaarde vermeld bij de tweede stap.
6.2.
Eiser heeft op dit punt verwezen naar de rapportage van Defensie van 5 juli 2018 waarin drs. [naam 3] ( [naam 3] ) aangeeft dat eiser bekend is met beroepsgebonden astma. Eiser heeft daarover aan [naam 3] een verklaring van de huisarts en een verslag van de bedrijfsarts van 23 juni 1993 gegeven. De rechtbank merkt op dat [naam 3] in zijn rapportage geen medische diagnose stelt, maar slechts weergeeft wat eiser hem heeft verteld. Ook uit de verklaring van de bedrijfsarts van 23 juni 1993 blijkt weliswaar van medische klachten bij eiser zoals kortademigheid, maar niet van een medische diagnose ter zake van beroepsastma. Dit geldt ook voor de verklaring van de huisarts uit 1993, die enkel stelt bekend te zijn met de diagnose beroepsastma, maar niet aangeeft waarop dat is gebaseerd. Evenmin kan naar het oordeel van de rechtbank de erkenning van eisers ziektebeeld bij de toepassing van de Coulanceregeling door Defensie worden gezien als een diagnose zoals bedoeld in de TSB-regeling.
6.3.
De rechtbank merkt op dat het bij de beoordeling van stap 2 niet is gegaan over de vraag of het voorshands aannemelijk is dat de medische klachten van eiser door de werkzaamheden zijn veroorzaakt. Of het voorshands aannemelijk is speelt namelijk niet bij de beantwoording van deze vraag, maar bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het derde onderdeel uit de Regeling. Bij die beoordeling moet de vraag worden beantwoord of het voorshands aannemelijk is dat de allergisch beroepsastma is veroorzaakt door blootstelling aan Chroom-6. Aan de beantwoording van deze vraag wordt pas toegekomen als vastgesteld is dat de astma werkgerelateerd is, het allergisch beroepsastma betreft en dat er dus sprake is van een beroepsziekte als bedoeld in de regeling.
6.4.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de Svb het advies van het panel aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Het advies is zorgvuldig tot stand gekomen en concludent. Op basis van het advies kon de Svb concluderen dat niet is aangetoond dat sprake is van een beroepsziekte en dat daarom geen recht bestaat op een tegemoetkoming op basis van de TSB-regeling. Eiser moet als aanvrager zelf (een begin van) bewijs aandragen. Hierin is eiser niet geslaagd. Eiser heeft onvoldoende medische stukken aangedragen van een (long)arts waaruit blijkt dat aan de hand van een medisch onderzoek de diagnose (allergisch) beroepsastma is vastgesteld. Het feit dat eiser een vergoeding op grond van de Chroom-6 Regeling heeft gekregen van Defensie en dat in de stukken van de bedrijfsarts destijds werd gesproken over beroepsastma maakt niet dat sprake is van allergisch beroepsastma in de zin van de TSB-regeling. De bedrijfsarts heeft destijds namelijk geen lichamelijk onderzoek verricht en de diagnose is destijds niet vastgesteld door een andere arts.
6.5.
De rechtbank ziet niet in dat het Protocol in strijd is met de Regeling. Het Protocol is een uitwerking van de Regeling. Stap 2 van het Protocol (zie onder 4.2) voor de vaststelling van de medische diagnose allergisch beroepsastma is -anders dan eiser stelt- niet in strijd met de Regeling. Het vaststellen of de astma werkgerelateerd is (stap 2), is van belang in het kader van het vaststellen van een beroepsziekte.
6.6.
Hoewel de Svb zich bij de besluitvorming op het deskundigenadvies heeft mogen baseren, is het moeilijk te begrijpen. De regeling waarop het besluit is gebaseerd, is uitgebreid en ingewikkeld. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de Svb gelegen om eiser in duidelijker bewoordingen uit te leggen waarom hij niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt. De Svb had eiser beter moeten uitleggen waarom de door hem overgelegde medische informatie onvoldoende is om bij stap 2 te kunnen concluderen dat sprake is van werkgerelateerde astma en daarmee ook onvoldoende is om de aanwezigheid van een beroepsziekte aan te nemen. Ook had duidelijker uitgelegd moeten worden waarom hij wel een begin van bewijs moet aandragen dat sprake is van werkgerelateerde astma en dat hiervoor het ‘voorshands aannemelijk’ criterium niet van toepassing is. Hem had verteld kunnen worden wat hij dan voor aanvullend bewijs aan had kunnen dragen, bijvoorbeeld een nadere diagnose op dit punt van een (long)arts.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom dat besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat de Svb naar het oordeel van de rechtbank het advies van het panel aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Voor eiser betekent dit dat hij niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op basis van de TSB-regeling, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de Svb het griffierecht aan eiser vergoeden. De rechtbank ziet voorts aanleiding om eiser een proceskostenvergoeding voor het bijwonen van twee zittingen toe te kennen. De reiskostenvergoeding bedraagt € 122,40 (tweemaal een retourreis met het openbaar vervoer, tweede klasse, tussen eisers woonadres en de rechtbanklocatie Groningen).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 15 november 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat de Svb het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de Svb tot betaling van € 122,40 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, voorzitter, en mr. M.W. de Jonge en
mr. A.G.D. Overmars, leden, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
2.Het Protocol voor de behandeling van aanvragen in het kader van de ziekte allergisch beroepsastma bij de regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB), Stcrt nr. 18099 van 30 mei 2025.