Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1529

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
96-221520-23
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 SvArt. 6 EVRMArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding kosten na beleidssepot snelheidsovertreding

De rechtbank Noord-Nederland behandelde een verzoek op grond van artikel 530 Sv Pro tot vergoeding van kosten die verzoeker maakte in een strafzaak die door het Openbaar Ministerie beleidsmatig werd geseponeerd wegens verjaring. Verzoeker vorderde vergoeding van advocaatkosten en kosten voor het indienen van het verzoek.

De rechtbank overwoog dat een sepot niet automatisch leidt tot vergoeding van kosten; er moet een billijkheidsoordeel worden gemaakt waarbij wordt gekeken of de nadelige gevolgen van de verdenking voor rekening van verzoeker moeten blijven of door de Staat gedragen moeten worden. Daarbij is de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM Pro van belang, maar deze sluit een afwijzing niet uit bij een sepot.

In deze zaak was sprake van een gefundeerde verdenking van een snelheidsovertreding, vastgesteld met een gekalibreerde boordsnelheidsmeter over een afstand van 2500 meter. Verzoeker betwistte de verdenking niet. De rechtbank oordeelde dat verzoeker de kosten aan zijn eigen gedrag te wijten heeft en dat het niet passend is dat de Staat deze kosten draagt.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot vergoeding af. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen een maand na betekening.

Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van kosten wordt afgewezen omdat de verdenking gegrond was en de kosten aan verzoeker zijn toe te rekenen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 96-221520-23
raadkamernummer : 25-026597
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. L. Noordanus, advocaat te Lelystad.

Procesverloop

Het Openbaar Ministerie heeft op 27 augustus 2025 de onderhavige strafzaak geseponeerd met als reden dat het feit inmiddels te oud was.
Op 16 oktober 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
- de kosten van rechtsbijstand die door verzoeker zijn gemaakt ten gevolge van de tegen haar gevoerde
strafzaak tot een bedrag van 99,-;
- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van
340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 6 november 2025 en de reactie van de advocaat van 26 november 2025.
De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en het Openbaar Ministerie besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Dit betekent echter niet dat verzoeker zonder meer in aanmerking komt voor vergoeding van zijn kosten. Per geval dient te worden bekeken of er gronden van billijkheid (art. 534 Sv Pro) aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Het gaat daarbij om de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoeker dienen te worden gelaten dan wel dat deze geheel of gedeeltelijk door de Staat moeten worden gedragen.
Ten aanzien van dat billijkheidsoordeel stelt de rechtbank voorop dat de oordeelsvrijheid van de rechtbank om een verzoek tot vergoeding van schade (deels) af te wijzen op gronden van billijkheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hoewel zoals de advocaat terecht stelt de onschuldpresumptie te allen tijde (in het geval van een vrijspraak én in het geval van een sepot) van de schadevergoedingsrechter verlangt dat zij zich onthoudt van een zelfstandig oordeel dat erop neerkomt dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, betekent een en ander niet dat de onschuldpresumptie in het geval van een vrijspraak of sepot te allen tijde in de weg staat aan een afwijzing van het schadeverzoek.
In hoeverre de onschuldpresumptie de oordeelsvrijheid van de schadevergoedingsrechter beperkt is afhankelijk van de vraag hoe de strafzaak is geëindigd. Bij een vrijspraak is de ruimte om tot een afwijzende beslissing te komen zeer beperkt. In gevallen waarin de strafzaak is geëindigd op een andere wijze dan met een vrijspraak, zoals in het onderhavige geval, heeft de schadevergoedingsrechter echter meer ruimte voor een eigen beoordeling van de feiten en omstandigheden van de zaak. Zo is het in een dergelijk geval niet in strijd met artikel 6, tweede lid, EVRM om de gewezen verdachte de (indertijd bestaande) verdenking tegen te werpen en in het billijkheidsoordeel te betrekken in hoeverre verzoeker de kosten aan zijn eigen gedrag zoals dat blijkt uit het strafdossier heeft te wijten. Zelfs het oordeel dat niet is gebleken van de onschuld van verzoeker (“the voicing of suspicions”) is in een dergelijk geval niet in strijd met de onschuldpresumptie, zolang zoals gezegd de motivering van de schadevergoedingsrechter niet in essentie een vaststelling van schuld behelst.
In het onderhavige geval werd verzoeker kort gezegd verdacht van een snelheidsovertreding. Uit het dossier blijkt dat met behulp van een gekalibreerde boordsnelheidsmeter, door verzoeker met een gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen over een afstand van 2500 meter, een snelheidsoverschrijding van 49 km/h is geconstateerd.
Gelet hierop bestond er naar het oordeel van de rechtbank tegen verzoeker een gefundeerde verdenking van een snelheidsovertreding. Noch door verzoeker zelf ten overstaande van de verbalisanten, noch in het verzetschrift tegen de initieel opgelegde strafbeschikking, noch in het verzoekschrift ex art. 530 Sv Pro wordt deze verdenking betwist. Gelet op de factoren die, zoals hierboven geschetst, bij het billijkheidsoordeel kunnen worden meegewogen, kunnen inhoudelijke verweergronden anders dan de advocaat stelt wel degelijk worden betrokken in het oordeel van de rechtbank in onderhavige schadevergoedingsprocedure. Een dergelijk verweer is echter niet gevoerd en ook anderszins zijn de rechtbank geen redenen bekend geworden om te twijfelen aan de destijds tegen verzoeker gerezen verdenking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker het dan ook aan zijn eigen gedrag te wijten dat deze verdenking op hem is gevallen en dat hij advocaatkosten heeft moeten maken.
De rechtbank acht het gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden niet passend dat de gemaakte advocaatkosten door de Staat worden gedragen. De nadelige gevolgen van de indertijd bestaande
verdenking dienen voor rekening van verzoeker te worden gelaten. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. G. Eelsing, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.