De rechtbank Noord-Nederland heeft op 29 april 2026 het beroep van veroordeelde tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een Belgische confiscatiebeslissing van 30 november 2016 ongegrond verklaard. Veroordeelde stelde dat de tenuitvoerlegging een schending van het recht op een redelijke termijn en een doeltreffende voorziening in rechte opleverde, waardoor zijn belangen werden geschaad.
De rechtbank oordeelde dat uit de stukken blijkt dat veroordeelde persoonlijk aanwezig was bij de Belgische zitting en bijgestaan werd door een advocaat, waardoor hij de mogelijkheid had zich te verweren en in hoger beroep te gaan. De rechtbank benadrukte dat zij niet toetst aan de procedure of materiële gronden van de buitenlandse beslissing, maar alleen aan de gronden voor weigering van erkenning volgens de EU-verordening en de WWETGC.
De rechtbank concludeerde dat geen sprake is van een manifeste schending van grondrechten zoals het recht op een doeltreffende voorziening in rechte of het recht op een onpartijdig gerecht. Ook is het tijdsverloop tussen het onherroepelijk worden van het vonnis en de tenuitvoerlegging niet in strijd met de goede procesorde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.