Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1543

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
25-030477
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 WWETGCArt. 6:4:5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring verzet tegen dwangbevel tenuitvoerlegging Duitse geldboete

Veroordeelde verzette zich tegen een dwangbevel voor een Duitse geldboete van €100 plus kosten, opgelegd voor een overtreding in Duitsland in april 2024. Hij betwistte de boete vanwege vermeende onbekendheid en verjaring en vroeg kwijtschelding wegens betalingsonmacht.

De rechtbank stelde vast dat de Duitse boete onherroepelijk is en door de Nederlandse officier van justitie is erkend. Het CJIB heeft meerdere aanmaningen verzonden, die veroordeelde ontving, maar betaling bleef uit. De rechtbank toetste of de Minister het dwangbevel redelijk kon uitvaardigen en concludeerde dat dit het geval was.

De rechtbank oordeelde dat zij niet mag toetsen aan de inhoud van de Duitse beslissing en dat de bezwaren tegen de Duitse procedure niet tot gegrondverklaring leiden. Ook is er geen ruimte voor kwijtschelding in deze procedure. Het verzet is daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel is ongegrond verklaard en de tenuitvoerlegging van de Duitse geldboete is bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
raadkamernummer : 25-030477
cjib-zaaknummer : 2505254005993265
Beschikking van de meervoudige raadkamer d.d. 29 april 2026 op het verzet ex artikel 15 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door veroordeelde

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] .

Procesverloop

Veroordeelde heeft zich bij bezwaarschrift verzet tegen het nemen van verhaal door afgifte van een dwangbevel.
Het dwangbevel is op 10 oktober 2025 afgegeven voor een totaalbedrag van 197,50. Dit is inclusief de verhogingen wegens het niet betalen en de administratiekosten. Het dwangbevel is op 13 november 2025
door de deurwaarder betekend.
Het bezwaarschrift van veroordeelde is op 17 november 2025 door de rechtbank ontvangen.
Veroordeelde en het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) namens de Minister van Justitie en Veiligheid hebben vervolgens schriftelijk hun standpunten uiteengezet.
De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 april 2026. Veroordeelde is niet verschenen. Mevrouw [medewerker], medewerker bij het CJIB, was namens de Minister van Justitie en Veiligheid als procesvertegenwoordiger aanwezig bij de behandeling.

Motivering

De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast.
Het verzet is ingesteld op grond van artikel 15 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (hierna: WWETGC). Artikel 6:4:5, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is van overeenkomstige toepassing verklaard.
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het bezwaarschrift en het verzet is tijdig en juist ingesteld.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunten voor de beoordeling van een bezwaarschrift op grond van artikel 15 van Pro de WWETGC het volgende geldt:
de rechtbank mag bij haar beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie de beslissing tot erkenning had moeten weigeren voor zover dit de verplichte weigeringsgronden betreft. Voorts dient de rechtbank te toetsen of de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een facultatieve weigeringsgrond.
de rechtbank moet toetsen of de Minister in redelijkheid het dwangbevel heeft kunnen uitvaardigen.
Standpunt veroordeelde
Veroordeelde stelt het niet eens te zijn met de aan hem opgelegde geldboete, omdat hij hiervan niet eerder op de hoogte is gesteld door de Duitse autoriteiten. Zonder bewijs van de boeteaanmaning acht hij de geldboete ongegrond. Ook zou deze verjaard zijn, omdat hij na zijn eerste beroep niets meer heeft vernomen. Tevens stelt veroordeelde de rol van het CJIB bij de inning van deze geldboete niet te begrijpen en acht hij het dwangbevel daarom onrechtmatig.
Daarnaast heeft veroordeelde verzocht om kwijtschelding in verband met betalingsonmacht. Hij stelt dat hij nauwelijks kan rondkomen en geen enkele betalingscapaciteit heeft.
Standpunt Minister van Veiligheid en Justitie
Door het CJIB is namens de Minister van Veiligheid en Justitie aangevoerd dat het dwangbevel op goede gronden is uitgevaardigd en dat het bezwaarschrift ongegrond verklaard moet worden.
Het verzet kan nimmer gericht zijn tegen het vonnis of arrest waarbij de geldboete werd opgelegd. Bovendien betreft het een Duitse onherroepelijke beslissing waartegen in Nederland niet nogmaals beroep ingesteld kan worden. In dit stadium van de rechtsgang kan een bezwaar als het onderhavige daarom niet meer aan de orde worden gesteld. Op verzoek van het Bundesamt für Justiz te Bonn is verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde geldboete vermeerderd met de kosten van de procedure. De officier van justitie heeft op 1 april 2025 de beslissing, waarbij de geldboete is opgelegd, erkend. Tegen deze beslissing tot erkenning staat geen rechtsmiddel open.
Vervolgens zijn vanaf 9 april 2025 door het CJIB meerdere malen aanschrijvingen verzonden naar veroordeelde om te komen tot een betaling. Deze zijn naar het BRP-adres van veroordeelde verzonden en niet onbestelbaar retour gekomen. In de aanschrijvingen is veroordeelde gewezen op verhogingen en het mogelijk inschakelen van een deurwaarder in het geval betaling uitblijft. Uit de correspondentie blijkt dat veroordeelde de geldboete betwist, ook nadat hem de onderliggende stukken hieromtrent waren toegezonden. Er is geen verzoek tot een betalingsregeling ingediend. Daarom is uiteindelijk besloten om een dwangbevel uit te vaardigen.
Ter zitting heeft de medewerker van het CJIB aangegeven dat naar aanleiding van het verweer van veroordeelde, dat hij beroep heeft ingesteld tegen de beslissing bij de Duitse autoriteiten maar niets meer heeft vernomen, nadere informatie is opgevraagd bij de Duitse autoriteiten. Uit deze informatie blijkt dat veroordeelde wel hoger beroep heeft ingesteld, maar dat dit beroep te laat is ingesteld en dat hij daarom niet-ontvankelijk is verklaard.
Oordeel rechtbank
Uit de stukken blijkt dat door de Kreis-Viersen Der Landrat in Bondsrepubliek Duitsland, op 3 mei 2024 aan veroordeelde een geldboete van 100,--, vermeerderd met de kosten van de procedure van 28,50, is opgelegd inzake een overtreding gepleegd op 7 april 2024 in Nettetal-Breyell. De beslissing is onherroepelijk geworden op 18 mei 2024. De Duitse autoriteiten hebben Nederland verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging van deze beslissing.
De officier van justitie heeft op 1 april 2025 de betreffende beslissing erkend en de tenuitvoerlegging overgenomen. De rechtbank heeft ambtshalve getoetst of de officier van justitie een weigeringsgrond had moeten toepassen, maar daarvan is niet gebleken.
Uit het confiscatiecertificaat blijkt dat de geldboete op 18 mei 2027 verjaart en de kosten op 1 januari 2030.
Uit de stukken blijkt ook dat het CJIB vanaf 9 april 2025 meerdere malen aanschrijvingen heeft verzonden naar veroordeelde om te komen tot een betaling en dat veroordeelde hierop ook heeft gereageerd, maar dat hij niet wil betalen omdat hij de tenuitvoerlegging door het CJIB onrechtmatig acht.
De rechtbank stelt vast dat de geldboete en de kosten nog niet zijn verjaard, zoals door veroordeelde is aangevoerd. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de tenuitvoerlegging door Nederland is overgenomen en dat het CJIB namens de Minister van Veiligheid en Justitie is belast met de tenuitvoerlegging van de beslissing.
De rechtbank heeft hiervoor bij de uitgangspunten van de beoordeling van een bezwaarschrift overwogen dat de rechtbank bij haar beoordeling niet mag treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. De bezwaren die veroordeelde naar voren heeft gebracht met betrekking tot de Duitse procedure of de in Duitsland gegeven beslissing, kunnen daarmee niet leiden tot een gegrondverklaring van het bezwaarschrift en kunnen daarom onbesproken blijven. Het recht op informatie waarop veroordeelde een beroep doet, maakt dit -wat daar ook van
zij- niet anders. De rechtbank merkt ten overvloede op dat uit het dossier blijkt dat de informatie over de procedure in Duitsland en de overname van de tenuitvoerlegging door Nederland door het CJIB aan veroordeelde is verstrekt.
De rechtbank moet toetsen of de Minister in redelijkheid het dwangbevel heeft kunnen uitvaardigen. Zoals hiervoor weergegeven heeft het CJIB vanaf 9 april 2025 meerdere malen aanschrijvingen verzonden naar veroordeelde om te komen tot een betaling en veroordeelde heeft hierop ook gereageerd en daardoor staat vast dat hij deze heeft ontvangen. Veroordeelde heeft tot dusver niets betaald.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het CJIB op zorgvuldige wijze heeft getracht het verschuldigde bedrag te innen door het zenden van diverse stukken naar veroordeelde. De Minister heeft, toen enige betaling uitbleef, in redelijkheid de beslissing kunnen nemen tot het uitvaardigen van het dwangbevel. Dat aan veroordeelde tevens door het CJIB administratiekosten en aanmaningskosten en door de deurwaarder de kosten van de invorderingsprocedure en het dwangbevel in rekening zijn gebracht, doet hier niet aan af. Een en ander is inherent aan het niet-betalen van een in kracht van gewijsde gegane beslissing tot oplegging van een geldelijke sanctie.
De rechtbank overweegt voorts dat in deze procedure geen ruimte is om de opgelegde geldelijke sanctie en de verhogingen kwijt te schelden.
Het door veroordeelde ingediende bezwaarschrift moet dan ook ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M.R. de Vries en mr. G.C. Koelman, rechters, in tegenwoordigheid van G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
Wanneer u het niet eens bent met deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na betekening van deze beslissing cassatie instellen. Het instellen van cassatie doet u bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.
De Hoge Raad neemt de zaak alleen in behandeling wanneer het aan de Staat verschuldigde bedrag, inclusief kosten, is betaald. Dit bedrag dient als zekerheidsstelling. Zie hiervoor artikel 6:4:5, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het gaat om een bedrag van
197,50. Dit bedrag moet binnen twee weken na het instellen van cassatie zijn betaald op rekeningnummer IBAN NL40INGB0705005143 van het CJIB in Leeuwarden, onder vermelding van het cjib-zaaknummer 2505254005993265.
De door de deurwaarder aan u in rekening gebrachte bedragen voor incassokosten/invorderingskosten en kosten van het exploot moeten aan de deurwaarder worden betaald.