Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1544

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
26-004916
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 WWETGCArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot gijzeling wegens gebrek aan betalingsonwil bij ontnemingsmaatregel

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 29 april 2026 de vordering van de officier van justitie tot het opleggen van 1.080 dagen gijzeling aan veroordeelde wegens niet-nakoming van een ontnemingsmaatregel opgelegd door een Duitse rechtbank in 2010.

De officier van justitie stelde dat veroordeelde betalingsonwil vertoonde, onderbouwd met het bestaan van meerdere bedrijven en betalingen van andere zaken. Veroordeelde betoogde dat hij niet onwillig maar onmachtig is te betalen, met een laag inkomen als invalkracht en zonder vermogen. Hij ontkende betrokkenheid bij genoemde bedrijven en gaf aan dat eerdere vorderingen tot gijzeling ook waren afgewezen.

De rechtbank oordeelde dat gijzeling alleen kan worden opgelegd bij betalingsonwil en niet bij betalingsonmacht. Omdat veroordeelde aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat is te betalen en de officier van justitie onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd voor betalingsonwil, werd de vordering afgewezen.

De beslissing bevestigt dat gijzeling als pressiemiddel niet mag worden ingezet tegen personen die daadwerkelijk niet kunnen betalen, en benadrukt het belang van concrete bewijsvoering van betalingsmogelijkheden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot gijzeling af omdat veroordeelde aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is te betalen en er geen sprake is van betalingsonwil.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
raadkamernummer : 26-004916
cjib-zaaknummer : 30722542300000012
beslissing van de meervoudige raadkamer van 29 april 2026 op de vordering van de officier van justitie ex artikel 22 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, tegen veroordeelde

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] .
Procesverloop
Op 19 februari 2026 is ter griffie van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ingekomen de vordering van de officier van justitie tot het opleggen van 1.080 dagen gijzeling aan veroordeelde in verband met de door het Landgericht München I te München, Duitsland, op 14 januari 2010 opgelegde beslissing tot confiscatie van 1.353.475,--.
De raadsman mr. H.J. Voors, advocaat te Zwolle heeft op 12 april 2026 een verweerschrift ingediend.
De vordering is behandeld in raadkamer op 15 april 2026. Hierbij waren aanwezig veroordeelde, zijn raadsman en officier van justitie, mr. A.J. Kemkers.
Motivering
De vordering is ingesteld op grond van artikel 22 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (hierna: WWETGC), waarin artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van toepassing is verklaard.
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van de vordering.
Bij vonnis van het Landgericht München I te München, Duitsland van 14 januari 2010 is aan veroordeelde de beslissing tot confiscatie van 1.353.475,-- opgelegd. De beslissing tot confiscatie is op 22 januari 2010 onherroepelijk geworden.
De executie van deze onherroepelijke beslissing is overgenomen door Nederland. Bij de behandeling in raadkamer is gebleken dat veroordeelde tot nu toe niets heeft betaald van het opgelegde bedrag.
De rechtbank heeft op 16 december 2015 een vordering van de officier van justitie tot lijfsdwang in de onderhavige zaak afgewezen, omdat onvoldoende vast stond dat er bij veroordeelde sprake is van betalingsonwil in plaats van betalingsonmacht.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat veroordeelde in staat mag worden geacht om het verschuldigde bedrag van 1.353.475,-- te kunnen voldoen. Bij een dermate omvangrijke en georganiseerde handel in verdovende middelen mag worden aangenomen dat de enorme revenuen niet zijn vervlogen. Het ligt op de weg van veroordeelde om een vermeende betalingsonmacht aannemelijk te maken. Dat heeft veroordeelde op geen enkele manier gedaan. Uit de passieve houding van veroordeelde, inhoudende het niet doen van betalingen, geen stukken overleggen voor een betalingsvoorstel en het weinig tot niet reageren op aanschrijvingen moet worden geconcludeerd dat sprake is van betalingsonwil.
Door de officier van justitie is voorts aangevoerd dat gedurende de executie van de confiscatiebeslissing er meerdere bedrijven van veroordeelde in beeld zijn, te weten [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2]. Bovendien heeft veroordeelde een aantal Mulderzaken betaald. Hierdoor kan van volledige betalingsonmacht geen sprake zijn.
Standpunt veroordeelde
Door de verdediging is aangevoerd dat er bij veroordeelde geen sprake is van onwil, maar van volkomen onmacht om te betalen en dat de vordering daarom moet worden afgewezen. Al eerder, in 2015, is een vordering tot gijzeling ingediend. De rechtbank heeft die vordering uiteindelijk afgewezen omdat op dat moment onvoldoende vast stond dat bij veroordeelde sprake was betalingsonwil in plaats van betalingsonmacht. Sindsdien is er niets veranderd en is veroordeelde nog steeds onmachtig om te betalen.
Veroordeelde heeft geen vermogen verkregen in verband met het strafbare feit. De berekening in Duitsland is niet gebaseerd op werkelijke inkomsten die veroordeelde heeft gehad.
Veroordeelde werkt op het moment, wanneer zijn gezondheid het toelaat, als invalkracht op schepen en verdient hiermee tussen de 1.000,-- en 1.500,-- per maand. Ander inkomen heeft hij niet en door de maandelijkse minimale en variërende inkomsten kan hij de ene maand wel en de andere maand niet rondkomen. Verder heeft hij geen vermogen meer, dit wordt ook bevestigd door de deurwaarder die de opdracht in 2020 al heeft teruggegeven.
Veroordeelde heeft voorts aangevoerd dat het bedrijf [bedrijf 1] B.V. al lang geleden failliet is gegaan en dat hij daarna geen bedrijven meer heeft gehad. [bedrijf 2] kent hij niet. Hij heeft aangegeven dat hij éénmalig een boete voor een verkeersovertreding heeft betaald, maar dat meerdere Mulderzaken en een OM afdoeningszaak niet bekend zijn bij hem. Hij heeft telefonisch contact gehad met het CJIB en heeft een betalingsvoorstel gedaan. Het CJIB heeft dit voorstel afgewezen, omdat het niet een substantieel bedrag betrof wat veroordeelde maandelijks zou kunnen betalen.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat gijzeling in de zin van artikel 6:6:25 Sv Pro dient als pressiemiddel voor hen bij wie onwil bestaat om aan de betalingsverplichting van een opgelegde ontnemingsmaatregel te voldoen en niet is bedoeld als punitieve maatregel voor degene die onmachtig is te betalen. De vordering tot gijzeling wordt niet toegewezen indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.
Het enkele feit dat aan veroordeelde een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk voordeel is opgelegd, waaraan nog niet is voldaan, brengt niet mee dat reeds op die grond geoordeeld kan worden dat sprake is van betalingsonwil. Daarvoor dient sprake te zijn van bijkomende omstandigheden waaruit meer concreet kan volgen dat veroordeelde kan beschikken over mogelijkheden om, al dan niet via een afbetaling, aan de betalingsverplichting te voldoen. Dat veroordeelde betrokken is bij bedrijven en hieruit inkomsten heeft wordt door hem ontkend en is overigens ook niet nader onderbouwd door de officier van justitie. De enkele omstandigheid dat veroordeelde een verkeersboete heeft voldaan betekent niet dat hij ook aan de betalingsverplichting van de ontnemingsvordering kan voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde de stellingen van de officier van justitie dat sprake is van betalingsonwil voldoende heeft weerlegd en mede daardoor aannemelijk heeft gemaakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.
De rechtbank zal daarom de vordering afwijzen.

Beslissing

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie tot het opleggen van 1.080 dagen gijzeling aan veroordeelde af.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M.R. de Vries en mr. G.C. Koelman, rechters, in tegenwoordigheid van G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.