Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1570

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
18-026976-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke PIJ-maatregel wegens overtreden voorwaarden en hoog recidiverisico

Veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van 18 september 2025 een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd ging in op 3 oktober 2025. De officier van justitie vorderde op 9 april 2026 de tenuitvoerlegging van deze maatregel wegens overtreding van de bijzondere voorwaarden.

De jeugdreclassering rapporteerde meerdere overtredingen, waaronder het niet nakomen van afspraken, agressief gedrag, dagelijks cannabisgebruik en dreigingen richting een klasgenoot. Ondanks een korte gedragsverbetering bij verblijf bij zijn oma, bleef het recidiverisico zeer hoog. Klinische opname werd tweemaal geweigerd door [instelling 4], waardoor ambulante behandeling vastliep.

De Raad voor de Kinderbescherming bevestigde de noodzaak van klinische behandeling in een gestructureerde omgeving en zag geen alternatief dan tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel. Veroordeelde en zijn raadsman verzetten zich tegen tenuitvoerlegging en verzochten om nader onderzoek naar klinische opname.

De rechtbank oordeelde dat de bijzondere voorwaarden niet zijn nageleefd, het recidiverisico hoog is en de veiligheid van anderen in het geding is. Gezien de complexe problematiek en afwijzingen voor klinische opname, zag de rechtbank geen aanleiding voor nader onderzoek en wees het verzoek af. De tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel werd toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel wegens overtreding van voorwaarden en hoog recidiverisico.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18-026976-25
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 4 mei 2026 op een vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke opgelegde maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen
in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , nu gedetineerd te [instelling 1] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

Bij onherroepelijk vonnis van 18 september 2025 van de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, is aan veroordeelde - onder meer - opgelegd de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel), voorwaardelijk met daaraan gekoppeld algemene en bijzondere voorwaarden, waarbij een proeftijd is vastgesteld van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 3 oktober 2025.
De officier van justitie heeft bij vordering van 9 april 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel wegens het overtreden van de bijzondere voorwaarden.
Op vordering van de officier van justitie heeft de rechter-commissaris op 9 april 2026 de voorlopige tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel bevolen.
De behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 20 april 2026. Daarbij waren aanwezig de officier van justitie mr.
D. Roggen, veroordeelde en zijn raadsman mr. P.J. de Bruin, alsmede als deskundigen
J. Bosgraaf en S.R. de Smet namens de jeugdreclassering en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Motivering

Het advies van de jeugdreclassering
In de rapporten van de jeugdreclassering van 13 februari 2026 en 7 april 2026 wordt onder meer het volgende aangegeven, zakelijk weergegeven:
Begin december 2025 heeft de jeugdreclassering signalen ontvangen dat veroordeelde zijn afspraken bij [instelling 2] minder goed nakwam en daarop heeft hij op 3 december 2025 een vooraankondiging van een officiële waarschuwing gekregen. Op 15 december 2025 heeft veroordeelde ook daadwerkelijk een officiële waarschuwing gekregen omdat hij niet heeft meegewerkt aan de ambulante behandeling, zich niet heeft gehouden aan de huisregels zoals het op tijd thuis zijn en hij meerdere afspraken met de jeugdreclassering heeft gemist, waaronder de afspraak van de vooraankondiging van de officiële waarschuwing. In een gesprek over het maken van afspraken naar aanleiding van de waarschuwing is het gedrag van veroordeelde geëxplodeerd, zo heeft hij een dienblad van tafel gepakt, een glazen pot kapot gegooid tegen de muur en heeft hij zich letterlijk door een deur geslagen. Hierop is besloten om veroordeelde in het kader van een time-out tijdelijk te plaatsen bij een crisisplek van Elker en vervolgens niet terug te laten gaan naar [instelling 2] maar hem te laten verblijven bij zijn oma. Eenmaal bij zijn oma ingetrokken is het gedrag van veroordeelde kortdurend verbeterd. Hij was vriendelijk, aanspreekbaar en gaf de indruk dat hij zich hield aan de afspraken. Vanwege deze positieve ontwikkelingen in het gedrag is het verblijf bij zijn oma niet direct een halt toegeroepen. Na een huisbezoek dat enkele weken later heeft plaatsgevonden, is de jeugdreclassering er vervolgens via urinecontroles achter gekomen dat veroordeelde dagelijks cannabis gebruikt. Daarnaast is duidelijk geworden dat veroordeelde slechts de helft van de tijd op school aanwezig was en de ambulante behandeling vast liep omdat veroordeelde weinig inzicht gaf. Bij een opvolgend gesprek bij [instelling 3] heeft veroordeelde aangegeven dat hij de behandeling alleen nog een kans wilde geven als dit zou voorkomen dat hij een PIJ-maatregel opgelegd zou krijgen. De behandeling is vanwege het ontbreken van motivatie daarop door [instelling 3] afgesloten. Mede vanwege de eerder opgelegde officiële waarschuwing heeft de jeugdreclassering op 18 februari 2026 de officier van justitie verzocht de maatregel terug te mogen leggen. Dit is niet gebeurd, omdat juist op dat moment veroordeelde een draai in zijn motivatie heeft laten zien en aangaf terug te willen naar [instelling 2] . De jeugdreclassering heeft daarop samen met de officier van justitie afgesproken om het ambulante traject nogmaals een kans te geven. Op 13 maart 2026 is veroordeelde opnieuw bij [instelling 2] geplaatst en heeft er een uitvoerig en positief gesprek plaatsgevonden tussen de jeugdreclassering, veroordeelde en zijn ouders. Ondanks het geschetste positieve beeld, is kort na het gesprek door de mentor van veroordeelde contact opgenomen met de jeugdreclassering omdat veroordeelde een klasgenoot met de
dood zou hebben bedreigd. De school heeft veroordeelde geschorst en die schorsing loopt nog steeds omdat veroordeelde meerdere herstelgesprekken niet is nagekomen.
Het verloop van de afgelopen periode brengt de jeugdreclassering tot de conclusie dat het ambulante kader onvoldoende steun biedt om de risicos in te perken. Veroordeelde heeft zich herhaaldelijk dreigend en agressief opgesteld, waarbij hij onder meer heeft gedreigd met hetgeen waarvoor hij veroordeeld is: het neersteken van iemand. De jeugdreclassering schat het recidiverisico mede daarom in als zeer hoog. Gezien het hoge risico op herhaling van gewelddadig gedrag en het gebrek aan interventiemogelijkheden verzoekt de jeugdreclassering over te gaan tot tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel.
Ter zitting heeft de jeugdreclassering de inhoud van de rapporten van 13 februari 2026 en 7 april 2026 bevestigd en als volgt, zakelijk weergegeven, nader toegelicht:
Het klopt dat [instelling 2] geen optie meer is en dat de jeugdreclassering nog steeds achter het advies staat om over te gaan tot tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel. Er heeft twee keer een intake plaatsgevonden bij de kliniek [instelling 4] . De eerste keer heeft de kliniek opname geweigerd omdat een ambulant traject meer aangewezen leek volgens de kliniek en de tweede keer omdat verblijf in de kliniek tot veel weerstand zou leiden waardoor behandeling niet goed van de grond zou komen. Het recidiverisico is torenhoog en de problematiek zal eerst moeten worden behandeld voordat er eventueel vrijheden kunnen worden toegekend. Veroordeelde heeft op dit moment teveel afleidingen en vrijheid om andere keuzes te maken waardoor de behandeling moeizaam van de grond komt en de kans op herhaling niet is gedaald.
Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming
Veroordeelde is een kwetsbare zeventienjarige jongen bij wie sprake is van complexe en onderliggende problematiek waarvoor klinische behandeling geïndiceerd is. De afgelopen periode is, door wachttijden voor een klinische behandeling, de ambulante hulpverlening voortgezet. Behandeling in ambulant kader bij [instelling 3] is gestagneerd en een alternatief voor ambulante behandeling bij het Forensisch Centrum Adolescenten (FCA) is afgewezen. Voor een klinische behandeling binnen [instelling 4] is veroordeelde twee keer afgewezen. De Raad heeft opgemerkt zich zorgen te maken over het risico op recidive op basis van het gedrag van veroordeelde de afgelopen maanden en de risicotaxatie van de jeugdreclassering. Voor veroordeelde is klinische behandeling geïndiceerd in een gestructureerde omgeving. Er zijn geen mogelijkheden om een klinische behandeling te borgen binnen een voorwaardelijke PIJ-maatregel, daarom ziet de Raad op dit moment geen andere optie dan de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel.
Ter zitting heeft de Raad de inhoud van het rapport van 17 april 2026 bevestigd en als volgt, zakelijk weergegeven, nader toegelicht:
De afgelopen periode is gebleken dat een ambulant traject voor veroordeelde erg lastig is vanwege de onderliggende problematiek. Op verschillende manieren is tevergeefs gepoogd om interventies toe te passen om veroordeelde te behandelen in een geschikt kader.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel ten uitvoer te leggen.
Het standpunt van veroordeelde en zijn raadsman
Veroordeelde en zijn raadsman hebben zich verzet tegen een tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel omdat veroordeelde inmiddels heeft ervaren wat het betekent als hij zich niet houdt aan de voorwaarden. Verder heeft de raadsman op voorhand schriftelijk verzocht een behandeling bij de instelling Yes We Can in
gang te zetten, zodat veroordeelde behandeld kan worden voor zijn cannabisverslaving. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op het rapport van het NIFP van 10 juli 2025 waarin ten aanzien van de onderliggende zaak wordt geadviseerd tot een kortdurende klinische opname en aansluitend een ambulante behandeling. De jeugdreclassering heeft aangegeven dat een klinische opname niet mogelijk is gebleken, maar de vraag is in hoeverre daar daadwerkelijk naar gezocht is. De verdediging heeft om die redenen subsidiair verzocht om nader onderzoek in te laten stellen naar de mogelijkheden tot klinische opname en aansluitend ambulante behandeling.
Het oordeel van de rechtbank
Veroordeelde heeft, blijkens de rapportages van de jeugdreclassering, de bij voornoemd vonnis opgelegde bijzondere voorwaarden niet nageleefd.
Op grond van de inhoud van de voormelde adviezen, de door de deskundigen gegeven toelichting en hetgeen overigens uit het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel moet worden toegewezen. De rechtbank stelt vast dat de ambulante behandeling bij [instelling 3] is vastgelopen, dat veroordeelde niet meer bij [instelling 2] kan verblijven en dat veroordeelde geen onderwijs meer volgt. De rechtbank ziet dat de veiligheid van anderen in het geding komt, gelet op het zeer hoge recidiverisico en de dreigingen en fysieke agressie die veroordeelde blijkens de rapporten naar zijn omgeving uit. Daarnaast acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel ook in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van veroordeelde.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de complexe problematiek van veroordeelde en het hoge recidiverisico, een behandeling bij de instelling Yes We Can of een andere soortgelijke instelling zoals door de verdediging is voorgesteld, ontoereikend is. Uit de over veroordeelde opgemaakte rapportages blijkt dat hij twee keer bij [instelling 4] is afgewezen. In eerste instantie is veroordeelde afgewezen omdat [instelling 4] heeft bevonden dat ambulante behandeling en begeleiding ook afdoende zou zijn. Na een stukgelopen behandeling bij [instelling 3] is opnieuw gepoogd om veroordeelde voor een klinische behandeling aan te melden bij [instelling 4] , maar is hij afgewezen vanwege de combinatie van het intelligentieprofiel en de aanwezige (dominante) antisociale problematiek. De deskundigen hebben ter zitting toegelicht dat zij geen andere (interventie)mogelijkheden meer zien. De rechtbank ziet op basis hiervan geen aanleiding om onderzoek in te (laten) stellen zoals door de raadsman is verzocht. De rechtbank zal daarom het verzoek van de verdediging tot aanhouding van de zaak voor nader onderzoek, afwijzen.
Gezien het vorenstaande zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie toewijzen en het verzoek van de raadsman afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
beveelt de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Assen van 18 september 2025;
wijst af het verzoek van de raadsman tot aanhouding van de zaak teneinde nader onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname met een aansluitende ambulante behandeling.
Deze beslissing is gegeven door mr. G. Eelsing, voorzitter en tevens kinderrechter,
mr. R. Baluah en mr. R. Depping, rechters, bijgestaan door mr. N.J. Aarts, griffier, en uitgesproken ter zitting op 4 mei 2026.
Mr. R. Baluah is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.