Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1673

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
LEE 26/1144 en 25/5135
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 2 PwArt. 54 lid 1 PwArt. 54 lid 2 PwArt. 54 lid 4 PwArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering wegens schending medewerkingsplicht en onduidelijke verblijfplaats

Eiseres ontving een bijstandsuitkering en werd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld uitgenodigd voor gesprekken om haar feitelijke woon- of verblijfplaats te verifiëren. Zij verscheen niet op de afspraken en gaf aan niet in de gemeente te verblijven, waardoor het college haar uitkering opschortte en uiteindelijk introk wegens schending van de medewerkingsplicht.

Eiseres voerde aan dat zij dakloos was door problemen met haar verhuurster en dat de gemeente een zorgplicht had. Zij stelde dat zij steeds had aangegeven waar zij verbleef en verwees naar een advies van de commissie van advies voor bezwaarschriften die het college tekort vond schieten. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat eiseres onvoldoende objectieve gegevens had verstrekt om haar afwezigheid te rechtvaardigen en dat het college terecht de uitkering introk.

De voorzieningenrechter benadrukte dat het noodzakelijk was dat eiseres meewerkte aan het vaststellen van haar recht op bijstand, waaronder het bijwonen van gesprekken en het verstrekken van informatie over haar verblijfplaats. Omdat zij hieraan niet voldeed en ook niet aannemelijk maakte dat dit onmogelijk was, kon het college het recht op bijstand niet vaststellen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 26/1144 (verzoek) en 25/5135 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 mei 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

(gemachtigde: mr. S.M. Carabain-Klomp),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld, het college
(gemachtigden: A. Vrolijk en mr. R. Tahapary-van Breden).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep van eiseres tegen de beslissing van het college om haar bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) in te trekken. Eiseres is het niet eens met de intrekking van haar bijstandsuitkering. Zij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om het intrekkingsbesluit te schorsen en te bepalen dat aan haar een voorschot wordt verstrekt.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 12 mei 2025 (primaire besluit) besloten om de uitkering van verzoekster op grond van de Pw in te trekken met ingang van 1 april 2025. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaarschrift.
2.1
Met het besluit van 19 december 2025 (het bestreden besluit) heeft het college – in afwijking van het advies van de commissie van advies voor bezwaarschriften – op het bezwaar van eiseres beslist en is het college bij zijn intrekkingsbesluit gebleven. Eiseres heeft het beroep niet ingetrokken, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank tegen het besluit van 19 december 2025.
2.2
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.3
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
2.4
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres ontving een bijstandsuitkering. Zij heeft het college bericht dat zij door problemen met haar verhuurster niet verblijft op het uitkeringsadres. Het college is een onderzoek gestart naar de feitelijke woonsituatie van eiseres ter beoordeling van de rechtmatigheid van haar uitkering.
3.1
Eiseres is op 1 april 2025 door het college uitgenodigd voor een gesprek op woensdag 9 april 2025 over haar feitelijke woon- of verblijfplaats. Eiseres heeft deze afspraak afgezegd. Er is een nieuw moment voorgesteld op donderdag 10 april 2025, waarop eiseres heeft laten weten niet te kunnen omdat zij niet in de gemeente is.
3.2
Het college heeft met een besluit van 8 april 2025 de bijstandsuitkering opgeschort, omdat de woonsituatie van eiseres niet kan worden vastgesteld en daarmee de rechtmatigheid van haar uitkering. In dat besluit is aan eiseres de gelegenheid gegeven om op de vermelde tijden op dinsdag 22 april 2025 of woensdag 23 april 2025 te verschijnen voor een gesprek over haar woonsituatie. Eiseres is in het besluit erop gewezen dat, als zij op de hersteldatum het verzuim niet heeft hersteld en haar dit kan worden verweten, haar bijstand zal worden ingetrokken.
3.3
Met het primaire besluit is de uitkering per 1 april 2025 ingetrokken, omdat eiseres door niet te verschijnen op een gesprek haar verzuim niet heeft hersteld. Daarmee heeft zij volgens het college de medewerkingsplicht geschonden. Hierdoor kan haar recht op bijstand niet worden vastgesteld.
3.4
Eiseres heeft op 13 oktober 2025 een nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college over de periode van 13 oktober 2025 tot 5 november 2025 aan eiseres een bijstandsuitkering toegekend.
3.5
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college is van mening dat een fysiek gesprek met een aansluitend huisbezoek noodzakelijk was voor het verifiëren van de feitelijke woonplaats van eiseres, ook omdat eiseres zelf heeft aangegeven dat zij geen toegang had tot haar woning en op wisselende adressen verbleef. Nu eiseres hieraan niet heeft meegewerkt kon haar feitelijke woon- en leefsituatie niet worden vastgesteld.
Standpunt van eiseres
4. Eiseres voert aan dat het college op de hoogte was van haar problemen met haar huurbaas en de procedures die zij daarover heeft gevoerd. Ze kon niet in haar woning. Daardoor was ze dakloos en moest ze steeds weer op zoek naar een tijdelijke verblijfplaats. De gemeente had een zorgplicht en had haar verantwoordelijkheid moeten nemen. Eiseres stelt dat zij steeds heeft aangegeven waar zij verbleef. Zij verwijst voor haar standpunt ook naar het advies van de commissie van advies voor bezwaarschriften. Uit dat advies blijkt dat de gemeente tekort is geschoten en dat de besluitvorming niet juist is geweest. Eiseres vindt dat haar recht op bijstand, al dan niet gedeeltelijk, hersteld dient te worden.

Wettelijk kader

5. Uit artikel 17, tweede lid, van de Pw volgt dat de betrokkene verplicht is gevolg te geven aan een verzoek tot medewerking aan het bestuursorgaan, tenzij deze medewerking redelijkerwijs niet nodig is voor de vaststelling van het recht op bijstand of niet redelijkerwijs gevergd kan worden van de betrokkene.
5.1
Op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend en hem dit te verwijten valt, het recht op bijstand opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft. Op grond van artikel 54, tweede lid, van de Pw doet het college mededeling van de opschorting aan belanghebbende en nodigt hem uit binnen de door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de Pw bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
5.2
Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) staat bij de beantwoording van de vraag of het college – na opschorting – op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw bevoegd was tot intrekking van de aan betrokkene verleende bijstand, ter beoordeling of betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde informatie te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. [2]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

6. De te beoordelen periode is de periode van 1 april 2025 (de datum van intrekking van de uitkering) tot 13 oktober 2025 (de datum van toekenning van de uitkering).
6.1
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is. Eiseres ontving een bijstandsuitkering van het college en dat betekent dat zij een aantal uit de Pw voortvloeiende verplichtingen heeft, waaronder de medewerkingsplicht.
6.2
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het college voldoende redenen om eiseres uit te nodigen voor een gesprek, gelet op het feit dat duidelijk was dat zij niet op het uitkeringsadres kon verblijven had aangegeven op verschillende adressen te verblijven. De voorzieningenrechter vindt het ook redelijk dat na een gesprek met eiseres mogelijk een huisbezoek zou kunnen volgen op het adres waar eiseres op dat moment tijdelijk zou verblijven. Voor de vaststelling van het recht op uitkering is het immers van belang of eiseres nog binnen de grenzen van de gemeente Westervelde verblijft. Het is niet in geschil dat eiseres niet is verschenen op het gesprek van 9 april 2025. Het college heeft eiseres in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen door te verschijnen op kantoor voor een gesprek op 22 april 2025 of 23 april 2025. Eiseres is ook op één van de genoemde data niet verschenen. Het staat vast dat eiseres op de hoogte was van de uitnodigingen voor deze gesprekken. Zij heeft immers gereageerd op de uitnodigingen. De voorzieningenrechter oordeelt dat eiseres verzuimd heeft binnen de gestelde termijn medewerking te verlenen.
6.3
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van eiseres lag om duidelijkheid te geven over haar tijdelijke verblijfplaats, nu zij in ieder geval niet op het uitkeringsadres kon verblijven. Dit heeft zij niet gedaan. Dat komt voor haar rekening en risico. Eiseres heeft de geplande gesprekken afgezegd om gezondheidsredenen en omdat zij niet steeds binnen de gemeente verbleef. Eiseres heeft niet met objectieve gegevens onderbouwd dat het voor haar onmogelijk was om aan haar medewerkingsplicht te voldoen. Daarom kan eiseres een verwijt worden gemaakt dat zij niet op één van de afspraken aanwezig was. Het advies van 25 augustus 2025 van de commissie van advies voor bezwaarschriften doet niet af aan dit oordeel. De voorzieningenrechter overweegt hiervoor dat, ook al zou het college tekort zijn geschoten in haar taak, dan nog had eiseres moeten meewerken en inlichtingen verstrekken over haar verblijfplaats voor de beoordeling van haar recht op bijstand.
6.4
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht het college zich dus op het standpunt stellen dat eiseres de medewerkingsplicht heeft geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
6.5
Subsidiair heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres ook niet voldoet aan de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op algemene bijstand van het college, omdat zij in de beoordelingsperiode in hoofdzaak buiten de grenzen van de gemeente Westerveld heeft verbleven. Eiseres heeft namelijk verklaard dat zij voor langere tijd buiten de gemeente Westerveld en in het buitenland was. Dit blijkt ook uit de bankafschriften van eiseres met vele pintransacties buiten de gemeente Westerveld.
6.6
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het college op goede gronden de uitkering van verzoekster met ingang van 1 april 2025 heeft ingetrokken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld de e uitspraak van de CRvB van 26 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:809.