Betrokkene kreeg een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) voor het rijden van 23 kilometer per uur te hard op een autoweg buiten de bebouwde kom op 1 november 2024. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, eerst bij de officier van justitie en vervolgens bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting op 7 april 2026 voerde betrokkene aan dat hij niet wist hoe hard hij reed en dat de meting ongeldig zou zijn omdat de agenten niet met dezelfde snelheid achter hem reden en mogelijk de snelheid van een andere auto werd gemeten. De officier van justitie stelde dat de meting volgens de voorschriften was verricht.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisanten in beginsel voldoende is voor het vaststellen van de overtreding, tenzij concrete omstandigheden twijfel zaaien. De verbalisanten verklaarden dat betrokkene in elk geval 23 km/u te hard reed over een afstand van 500 meter waarbij de afstand tussen dienstvoertuig en betrokkene gelijk bleef. De kantonrechter zag geen reden om aan de juistheid van de meting te twijfelen en verklaarde het beroep ongegrond.
De opgelegde boete van € 282,00 blijft daarmee in stand. Betrokkene werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na toezending van de beslissing.