Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1713

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
LEE 26/1037
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij terugvordering bijstand wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen om bijstand terug te vorderen en de uitkering te beëindigen. Het college had besloten de bijstandsuitkering met ingang van 1 januari 2026 te beëindigen en het recht op uitkering terug te draaien vanaf 22 maart 2022 tot en met 31 december 2025, met een terugvordering van € 83.770,97.

De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Verzoeker stelde dat het terugvorderen van het substantiële bedrag ernstige en onomkeerbare financiële gevolgen zou hebben en dat hij niet over de middelen beschikte om dit bedrag snel terug te betalen.

De rechter concludeerde echter dat het college nog contact zal opnemen over de terugbetaling en dat er volgens het gemeentelijk beleid uitstel van betaling kan worden gevraagd, waarbij invordering wordt opgeschort tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Er waren geen invorderingsmaatregelen genomen die tot onomkeerbare gevolgen zouden leiden. Verzoeker kan na bezwaar een passende betalingsregeling aanvragen.

Daarom is geen sprake van een spoedeisend belang en kan verzoeker wachten op de beslissing op bezwaar. Het verzoek om voorlopige voorziening is dan ook kennelijk ongegrond en is afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1037

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. J.E.A. Egers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, het college,
(gemachtigde: E. Olthof).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beslissing van het college om bijstand terug te vorderen.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 12 februari 2026 heeft het college besloten om de bijstandsuitkering, die verzoeker ontving op grond van de Participatiewet (Pw), met ingang van 1 januari 2026 te beëindigen. Verder heeft het college besloten om het recht op de uitkering in te trekken vanaf 22 maart 2022 tot en met 31 december 2025. Verzoeker moet een bedrag van € 83.770,97 aan teveel betaalde uitkering terugbetalen. Verzoeker heeft hiertegen op 12 februari 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 26 maart 2026 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Er is sprake van een spoedeisend belang als aannemelijk is dat het bestreden besluit leidt tot een dreigende noodsituatie of dreigende onomkeerbare gevolgen voor verzoeker, waardoor de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs niet kan worden afgewacht.
3.1
Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift aangegeven dat de uitvoering van het besluit
ernstige en onomkeerbare financiële gevolgen voor hem heeft. Zijn belang bij een voorlopige voorziening is gelegen in de directe vordering van het zeer substantiële bedrag van € 83.770,97. Hij beschikt niet over de financiële middelen om dit bedrag op korte termijn terug te betalen.
3.2
De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat het besluit leidt tot een dreigende (financiële) noodsituatie. In het bestreden besluit staat dat de hoofdregel is dat het bedrag binnen 6 weken moet worden terugbetaald, maar er staat ook vermeld dat er nog contact met verzoeker wordt opgenomen over de terugbetaling van de schuld. In reactie op het verzoekschrift heeft het college aangegeven dat iemand die bezwaar maakt tegen een terugvorderingsbesluit om uitstel van betaling kan vragen. De invordering wordt dan opgeschort tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Dit volgt uit het gemeentelijk beleid “Beleidsregels over het nakomen van de regels van de Participatiewet 2025 gemeente Heerenveen”. Het college heeft verder aangegeven dat er nog geen invorderingsmaatregelen zijn genomen die voor verzoeker tot onomkeerbare gevolgen zouden leiden. Verzoeker kan na afhandeling van het bezwaar direct een verzoek doen voor een passende betalingsregeling, waarbij het college rekening houdt met zijn financiële situatie en draagkracht. De voorzieningenrechter concludeert hieruit dat er geen reden is om aan te nemen dat verzoeker in een financiële noodsituatie komt te verkeren. Er is daarom geen spoedeisend belang waardoor verzoeker niet kan wachten op de beslissing op zijn bezwaarschrift.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.