Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1714

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
LEE 26/1077
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijstandsuitkering na toekenning voorschot

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, welke door het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat het college hem met onmiddellijke ingang voorschotten zou toekennen.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 8 april 2026, waarbij de gemachtigde van het college aanwezig was, maar verzoeker niet. Het college had op 2 april 2026 zelf al een voorschot voor april 2026 toegekend, omdat het primaire besluit niet correct was genomen. Tevens gaf het college aan dat, afhankelijk van de duur van de procedure, ook voor mei 2026 een voorschot kan worden verstrekt.

Gezien deze ontwikkelingen oordeelde de voorzieningenrechter dat er geen onverwijlde spoed meer was en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De uitspraak werd gedaan op 13 april 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het college inmiddels een voorschot heeft toegekend en er geen spoedeisend belang meer is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1077

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 april 2026 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, het college
(gemachtigde: S. de Jong).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw).Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 3 maart 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om de voorlopige voorziening te treffen dat het college wordt opgedragen om aan hem met onmiddellijke ingang voorschotten op de bijstandsuitkering toe te kennen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college. Verzoeker was niet aanwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Het college heeft met een besluit van 2 april 2026 zelf de gevraagde voorlopige maatregel toegekend. Het college heeft vastgesteld dat de procedure die tot de primaire besluitvorming heeft geleid niet correct is gevolgd. In afwachting van de nieuw te voeren procedure heeft het college een voorschot voor de maand april 2026 toegekend. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college verklaard dat, afhankelijk van de duur van de afwikkeling van verzoekers aanvraag, zo nodig ook over de maand mei 2026 een voorschot zal worden verstrekt. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.