Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1715

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
LEE 26/1045
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende spoedeisend belang

Verzoeker heeft een WIA-uitkering ontvangen vanaf 16 december 2024. Op 16 februari 2026 is op bezwaar van zijn voormalige werkgever de uitkering per 31 maart 2026 beëindigd. Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om de uitkering te schorsen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er onvoldoende spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hoewel verzoeker stelt geen inkomen meer te hebben en geen financiële reserves bezit, is niet gebleken dat hij geen recht heeft op een bijstandsuitkering, die als eerst voorliggende voorziening geldt.

De voorzieningenrechter benadrukt dat het enkele bestaan van een mogelijke aanspraak op bijstand het spoedeisend belang niet wegneemt. Ook de stelling dat bijstand lager is dan de WIA-uitkering en dat de aanvraagprocedure tijd kost, leidt niet tot een acute noodsituatie. De gemeente kan voorschotten verstrekken in afwachting van een besluit.

Daarom is het verzoek kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging WIA-uitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1045

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 april 2026 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , verzoeker,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering (Uwv)

(gemachtigde: L. van Straaten).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beslissing van het Uwv waarbij zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is beëindigd.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Procesverloop

2. Het Uwv heeft aan verzoeker met ingang van 16 december 2024 een WIA-uitkering toegekend. Met het bestreden besluit van 16 februari 2026 is het bezwaar van verzoekers (ex)-werkgever gegrond verklaard en is de WIA-uitkering van verzoeker per 31 maart 2026 beëindigd.
2.1
Verzoeker heeft op 27 maart 2026 beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft de beroepszaak van verzoeker geregistreerd onder het nummer LEE 26/1046 WIA.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Griffierecht
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van verzoeker op betalingsonmacht van het verschuldigde griffierecht toe, omdat het aannemelijk is dat verzoeker op dit moment geen inkomen heeft. De voorzieningenrechter komt daarom toe aan de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Er is sprake van een spoedeisend belang als aannemelijk is dat het bestreden besluit leidt tot een dreigende noodsituatie of dreigende onomkeerbare gevolgen voor verzoeker, waardoor de behandeling van het beroep redelijkerwijs niet kan worden afgewacht.
4.1
Verzoeker geeft in zijn verzoekschrift aan dat hij door de beëindiging van zijn WIA-uitkering geen inkomen meer heeft. Hij beschikt niet over financiële reserves om zijn vaste lasten en de kosten van levensonderhoud te kunnen betalen. Zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is afgewezen. Het enkele bestaan van een mogelijke aanspraak op bijstand neemt het spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening niet weg. Een bijstandsuitkering is volgens verzoeker geen adequate voorziening voor zijn situatie. Het is onzeker of en op welke termijn een bijstandsuitkering wordt toegekend. Bovendien is het een vangnetvoorziening op minimumniveau die niet gelijkwaardig is aan zijn eerdere WIA-uitkering. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter om het bestreden besluit te schorsen.
4.2
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uit het verzoekschrift en de brief van verzoeker van 7 april 2026 niet worden afgeleid dat bij verzoeker thans sprake is van een acute (financiële) noodsituatie. Zoals het Uwv ook in het verweerschrift heeft geschreven, is een bijstandsuitkering de eerst voorliggende voorziening. Gesteld noch gebleken is dat verzoeker op deze uitkering geen recht heeft. Dat verzoeker ervoor kiest om de nu voorliggende voorziening te vragen in plaats van een bijstandsuitkering, maakt het verzoek niet spoedeisend. De stelling dat een bijstandsuitkering lager zal zijn dan de eerder aan hem toegekende WIA-uitkering, maakt dat verzoek evenmin spoedeisend nu niet is gebleken dat verzoeker met een bijstandsuitkering niet meer aan zijn meest essentiële financiële verplichtingen kan voldoen. De stelling van verzoeker dat de aanvraagprocedure voor bijstand tijd kost en niet onmiddellijk een financiële voorziening biedt, volgt de voorzieningenrechter niet. De gemeente kan immers ook voorschotten op bijstand verstrekken in afwachting op een besluit op een bijstandsaanvraag.

Conclusie en gevolgen

5. De conclusie is dat er op dit moment onvoldoende spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H, de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.