ECLI:NL:RBNNE:2026:1716
Rechtbank Noord-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging Bbz-uitkering wegens niet-levensvatbaar bedrijf
Verzoekster, een zelfstandige met een hondenspeciaalzaak, vroeg om verlenging van haar Bbz-uitkering. Het college van burgemeester en wethouders van Groningen wees dit verzoek af omdat het bedrijf niet levensvatbaar is. De voorzieningenrechter oordeelt dat het bezwaar tegen deze afwijzing geen redelijke kans van slagen heeft.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster sinds 1 januari 2026 geen Bbz-uitkering meer ontvangt en dat er sprake is van een spoedeisend belang. Uit de stukken blijkt dat de exploitatiebegroting niet is gehaald en dat er over 2024 en 2025 verlies is geleden. De prognose voor 2026 is niet aannemelijk en er is geen zicht op een inkomen boven de bijstandsnorm.
Verzoekster betoogt dat zij nog een jaar nodig heeft om het bedrijf levensvatbaar te maken, onderbouwd met positieve klantrecensies en verkoopcijfers. De voorzieningenrechter acht dit onvoldoende, mede omdat de winststijging pas na de beoordelingsperiode wordt verwacht en niet objectief is onderbouwd.
Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en blijft het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar in stand. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot verlenging van de Bbz-uitkering wordt afgewezen omdat het bedrijf niet levensvatbaar is.