Uitspraak
RECHTBANK Noord-Nederland
1.De procedure
2.De feiten
3 november 2008 is [eiser] ontslagen als technisch directeur van A-Garage. Over de financiële afwikkeling van dit ontslag hebben partijen afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een schriftelijke vaststellingsovereenkomst van 2 november 2009. Daarin is onder meer het volgende bepaald:
een vordering ter zake van netto loon ten bedrage van € 121.286,00 (zegge: honderdeenentwintingduizend tweehonderdzesentachtig euro), over welk bedrag de door A-Garage verschuldigde bedragen aan loonheffingen reeds zijn ingebonden en afgedragen;
een vordering uit geldlening van € 45.000,00 (zegge: vijfenveertigduizend euro) met rente en kosten ad € 18.156,61 (zegge: achttienduizend honderdzesenvijftig euro en eenenzestig cent), ter verzekering waarvan een hypotheekrecht is gevestigd op de panden [adres 1] en [adres 2] ;
een vordering ter betaling van de door [eiser] gemaakte advocaatkosten van € 32.500,00 (zegge: tweeëndertigduizend vijfhonderd euro), inclusief kantoorkosten
een bedrag van € 52.500.00 (zegge: tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro), doorA-Garage te betalen op de volgende wijze:
een bedrag van € 25.000,00 (zegge; vijfentwintigduizend euro) binnen 7 dagen na ondertekening van deze overeenkomst op rekening van mr. J.A. Gimbrère, tegen diens declaratie;
een bedrag van € 7.500,00 (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro) binnen 6 weken na ondertekening van deze overeenkomst op rekening van mr. J.A. Gimbrère, tegen diens declaratie;
een bedrag van € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro) binnen 6 weken na ondertekening van deze overeenkomst op rekening van [eiser] ;
een bedrag van € 81,000,00 (zegge: eenentachtigduizend euro), te betalen in 54 opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), waarvan de eerste termijn vervalt in de maand november 2009.
Het conservatoire beslag dat rust op het onroerend goed aan de [adres 2] zal worden opgeheven opdat de levering per 1 juni 2018 zal kunnen plaatsvinden. Op dat moment zal ook het hypotheekrecht uit 2005 worden doorgehaald, voor zover dat betrekking heeft op de [adres 2] .
[commercieel directeur] zal zijn medewerking verlenen aan het vestigen van een eerste recht van hypotheek op het pand aan de [adres 3] , waarvoor hij uiterlijk woensdag 30 mei 2018 op het kantoor van [advocaat- en notariskantoor] een volmacht zal ondertekenen.
Het hypotheekrecht strekt tot zekerheid van betaling van de vordering zoals die wordt bedoeld onder artikel 3 van Pro de vaststellingsovereenkomst (de meerwaardeclausule). Die vordering wordt tot en met medio maart 2018 begroot op een bedrag van € 170.000,00.
De vordering uit hoofde van de meerwaardeclausule is verschuldigd op het moment van de levering van het onroerend goed aan de [adres 1] , vermeerderd met de indexering vanaf medio maart 2018. De betaling vindt plaats gelijktijdig aan de levering van dit onroerend goed.’
mr. Tiddens, voormalig advocaat van A-Garage, een brief gestuurd aan mr. Kroon-Jongbloed. Daarin is onder meer te lezen:
€ 70.000,- ter zake van de legitieme vordering, waarbij cliënt verwijst naar hetgeen de
€ 185.000,- ter zake van de vordering nalatenschap vader. Het betreft het bedrag dat
€ 170.000,- uit hoofde van de meerwaardeclausule. Hierover bestaat tussen partijen overeenstemming.’
hij wenst een ondertekend exemplaar van de eerder toegezonden koopovereenkomst te ontvangen;
het bedrag ad € 425.000,- dient door de notaris rechtstreeks te worden overgemaakt naar uw derdengeldrekening;
de kosten van de hypotheekvestiging (de akte is op 1 oktober jl. gepasseerd) dienen voor 50% door mijn cliënt gedragen te worden.
Overigens is nog niet geheel duidelijk wanneer de levering zal kunnen plaatshebben. Zodra deze duidelijkheid is verkregen zal ik u dat laten weten.’
mr. Kroon-Jongbloed jegens mr. Tiddens en mr. Lodestijn, die op enig moment de behartiging van de belangen van A-Garage in deze van mr. Tiddens heeft overgenomen, daarna meerdere malen per brief verzocht om informatie over de geplande levering van het perceel [adres 1] . Daarop is geen reactie gekomen.
Uit deze koopovereenkomst blijkt dat het de intentie is om uiterlijk binnen drie jaren na levering het terrein (waaronder gebouwen) te ontruimen? Wat betekent dit voorA-Garage?
Op waarderingsdatum (17-6-20) heeft de levering nog niet plaatsgevonden, waarom niet en wat waren toen de plannen?
A-Garage, gereageerd op het verslag van voornoemd overleg. In die brief heeft hij onder meer geschreven:
21 november 2023 een reactie op dat rapport naar de deskundigen en mr. Kroon-Jongebloed verzonden. In die e-mail heeft mr. Schuring aangegeven dat [koper 2] en [koper 1] in maart 2021 hebben aangegeven dat de koop geen doorgang kan vinden en het betaalde voorschot is omgezet in een lening. In die e-mail is onder meer te lezen:
A-Garage.
3.Het geschil
primairte veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag ter hoogte van € 214.739,75 krachtens het bepaalde in artikel 3.3. jo. artikel 3.4 van de vaststellingsovereenkomst d.d. 2 november 2009;
subsidiairte veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag ter hoogte van € 214.739,75, bestaande uit een bedrag van € 78.737,91 op grond van artikel 3.1 jo. artikel 3.2 jo. artikel 3.3. van de vaststellingsovereenkomst d.d. 2 november 2009 en € 136.001,84 op grond van onrechtmatige daad;
meer subsidiairte veroordelen tot betaling van [eiser] van een bedrag ter hoogte van € 78.737,91, bestaande uit een bedrag van € 59.987,91,00 en een bedrag van € 18.750,00, krachtens het bepaalde in artikel 3.1 jo. artikel 3.2 jo. artikel 3.3. van de vaststellingsovereenkomst d.d. 2 november 2009;
4.De beoordeling
€ 150.000,00 plus de consumentenprijsindex, zoals bepaald in artikel 3.4. van de vaststellingsovereenkomst. Voor zover de rechtbank deze laatste vordering niet (volledig) toewijst, vordert [eiser] meer subsidiair een bedrag van € 78.737,91 op grond van artikel 3.1. van de vaststellingsovereenkomst. A-Garage erkent het bedrag van € 18.750,00 en het bedrag van € 78.737,91 aan [eiser] verschuldigd te zijn. Voor het overige betwist A-Garage dat zij een bedrag aan [eiser] moet voldoen.
3 oktober 2018. [eiser] stelt dat de kosten voor het passeren van de akte € 3.246,64 bedragen, zodat hij een bedrag van € 1.622,82 van A-Garage vordert.
24 september 2018 en 3 oktober 2018 volgt dat partijen zijn overeengekomen dat A-Garage – kort gezegd – de helft van de kosten voor de hypotheekakte zou voldoen. Het recht van hypotheek zou worden gevestigd (en is uiteindelijk ook gevestigd) op het pand aan de [adres 3] en strekte ter zekerheid van betaling van de vordering zoals bedoeld in het proces-verbaal van de mondelinge behadeling van 22 mei 2018 en artikel 3 van Pro de vaststellingsovereenkomst (de meerwaardeclausule).Deze vordering had onder meer betrekking op de meerwaarde ten aanzien van de verkoop van de [adres 1] (welke vordering hierna aan de orde komt) en maakt onderdeel uit van het in de e-mail van
3 oktober 2018 genoemde bedrag van € 425.000,00.De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat uit de tekst van de brieven niet volgt dat de voorwaarden cumulatief zijn, in die zin dat de kosten slechts verschuldigd zijn indien het perceel [adres 1] zou worden geleverd aan [koper 2] en [koper 1] . Het vestigen van het hypotheekrecht is ook niet afhankelijk gesteld van de levering van perceel [adres 1] . A-Garage onderbouwt verder ook niet dat de afspraak met inachtneming van de Haviltex-maatstaf [1] anders moet worden begrepen. Bovendien heeft mr. Tiddens in zijn brief van 3 oktober 2018 ook overwogen dat A-Garage ermee akkoord gaat dat zij de helft van de kosten betaalt
‘al was het maar omdat dit al eerder is overeengekomen.’Dat betekent dat [eiser] in beginsel een vordering op A-Garage heeft van € 1.622,82.
4 oktober 2023 is verjaard, tenzij [eiser] tijdig een stuitingshandeling heeft verricht. [eiser] stelt dat hij bij brieven van 14 december 2018, 8 februari 2019, 4 april 2019, 24 april 2019, 3 juli 2019 en 31 augustus 2020 de verjaring van de rechtsvordering heeft gestuit. De rechtbank is met A-Garage van oordeel dat [eiser] in die brieven A-Garage niet heeft aangemaand om de vordering te voldoen en ook geen mededeling is gedaan waarin [eiser] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. De brieven hebben – zo begrijpt de rechtbank, [eiser] heeft dit niet nader toegelicht – betrekking op de levering van perceel [adres 1] en de procedure inzake de nalatenschap van vader. [eiser] heeft gelijk waar hij stelt dat bij de beoordeling of de mededeling aan de in lid 1 gestelde eisen voldoet naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet alleen hoeft te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling is gedaan en op de overige omstandigheden van het geval [2] , maar in géén van de brieven wordt melding gemaakt van onderhavige vordering. [eiser] heeft ook niet nader onderbouwd welke schriftelijke mededeling in de brieven zijn gedaan waaruit volgt dat [eiser] zich het recht op nakoming van de gemaakte afspraak ter zake van de kosten voor de hypotheekakte voorbehield. De vordering onder I wordt daarom afgewezen.
‘1e van de 54 termijnen’. De kwitantie is voorzien van een handtekening. [eiser] heeft de echtheid van deze kwitantie onvoldoende gemotiveerd betwist. Het feit dat [commercieel directeur] deze kwitantie niet eerder aan [eiser] heeft overhandigd, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de echtheid van de kwitantie in twijfel te trekken. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat [commercieel directeur] , in hoedanigheid van bestuurder van A-Garage, bevrijdend aan de advocaat van [eiser] mocht betalen.
A-Garage nog twee termijnen van in totaal € 3.000,00 aan [eiser] verschuldigd is. Dat betreft volgens [eiser] dezelfde twee termijnen als de termijnen waar in onderhavige procedure betaling van wordt gevorderd. Dat wordt door A-Garage niet betwist. Zij voert slechts aan dat de conclusie van antwoord is ingediend in een procedure tussen [eiser] en [commercieel directeur] (en dus niet A-Garage), maar uit het door [eiser] overgelegde proces-verbaal van die zitting volgt dat A-Garage partij was in die procedure. Nu [eiser] bij voornoemde conclusie van antwoord naar het oordeel van de rechtbank binnen vijf jaar na opeisbaarheid van de vordering een schriftelijke mededeling heeft gedaan waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt als bedoeld in artikel 3:317 BW Pro, is tijdig gestuit. Daardoor is de vordering niet verjaard. De vordering onder II wordt daarom toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente (vordering IV).
22 mei 2018 hebben gemaakt over vordering van [eiser] ter zake van perceel [adres 1] . Dat kort geding vond plaats omdat A-Garage het perceel [adres 2] had verkocht aan [koper 1] en [koper 2] , maar levering niet mogelijk was vanwege het beslag dat [eiser] op dat perceel had gelegd. Op dat moment was al bekend dat het perceel [adres 1] (hoogstwaarschijnlijk) ook zou worden verkocht aan [koper 1] en [koper 2] . Uit het proces-verbaal dat in dat verband is opgemaakt volgt dat partijen het tijdens die mondelinge behandeling erover eens zijn geworden dat de vordering van [eiser] op grond van artikel 3.3. (de meerwaardeclausule) tot en met 2018 € 170.000,00 bedroeg. Dit bedrag had, daar zijn partijen het ook over eens, zowel betrekking op de meerwaarde ten aanzien van perceel [adres 2] als perceel [adres 1] . Verder is in dat proces-verbaal bepaald dat A-Garage de vordering uit hoofde van de meerwaardeclausule aan [eiser] verschuldigd is
op het moment van de leveringvan het onroerend goed aan de [adres 1] , vermeerderd met de indexering vanaf medio maart 2018. De betaling vindt plaats
gelijktijdig aan de levering van dit onroerend goed. Anders dan [eiser] stelt, zijn partijen daarmee naar oordeel van de rechtbank niet alleen overeengekomen wanneer het bedrag moet worden voldaan (bij levering), maar ook wanneer het bedrag verschuldigd is (ook bij levering). Tot slot staat niet ter discussie dat ook uit de
e-mails van mr. Tiddens uit september en oktober 2018, waar [eiser] naar verwijst, volgt dat partijen overeenstemming hadden over de hoogte van de vordering ter zake van de meerwaardeclausule van [eiser] (€ 170.000,00), maar nergens volgt uit dat partijen afstand hebben genomen van de gemaakte afspraak dat dit bedrag (pas) verschuldigd zou zijn bij levering van het perceel [adres 1] en op dat moment moet worden voldaan.
A-Garage ook om die reden op grond van artikel 3.3 een vergoeding aan hem verschuldigd is. Dat betwist A-Garage. De rechtbank stelt voorop dat iemand als economisch eigenaar van een zaak kan worden aangemerkt, waarbij de eigendom van die zaak naar burgerlijk recht aan een ander toebehoort, indien economisch het belang bij die zaak geheel aan hem toekomt, hetgeen insluit dat het risico van de waardeveranderingen en het eventuele tenietgaan van de zaak ten volle door hem wordt gedragen. [6]
A-Garage. De in de vaststellingsovereenkomst tussen de broers gemaakte afspraken strekten er feitelijk toe om te komen tot een verdeling van het vermogen van hun ouders, in het bijzonder de door hun vader opgerichte onderneming. Beide broers waren na het overlijden van vader enige tijd samen bestuurder, maar raakten gebrouilleerd. Het was tegen die achtergrond dat afgesproken werd dat [eiser] het bedrijf zou verlaten, maar onder voorwaarden bijvoorbeeld wel aanspraak zou kunnen maken op een met het vastgoed gerealiseerde overwaarde. Dit maakt dat [eiser] ten opzichte van A-Garage niet zomaar een willekeurige derde was, maar iemand wiens positie en belangen nauw betrokken waren bij die van de onderneming.
€ 170.000,00 zou moeten betalen voor (onder meer) de verkoop van de [adres 1] bij levering van dat perceel. De afspraak is bij e-mails van mr. Tiddens van 24 september 2018 en 3 oktober 2018 bevestigd.
zodra deze duidelijkheid is verkregen zal ik u dat laten weten’, en op 20 november 2018: ‘
Zoals u bemerkt hebt, heeft de levering van de [adres 1] enige vertraging opgelopen. Dit vanwege omstandigheden die zijn gelegen aan de zijde van de kopers. Naar het zich laat aanzien zal de levering thans per (omstreeks) 1 januari as. plaatshebben’.
1 november 2024 te verkopen, en evenmin een inspanningsverplichting daartoe was opgenomen. Dat feit zegt naar oordeel van de rechtbank wellicht iets over de vraag in hoeverre de belangen van [eiser] betrokken moesten worden bij de vraag om al dan niet tot verkoop over te gaan, maar doet er niet aan af dat er een andere situatie ontstond toen er eenmaal een daadwerkelijke koopovereenkomst was gesloten, waarbij A-Garage zich jegens de kopers verplichtte over te gaan tot levering, en het belang van [eiser] daarmee wél kwam te liggen bij uitvoering van een concrete op -Garage rustende verplichting.
gistermiddag’ (dus 2 oktober) door A-Garage geaccepteerde voorwaarden had gesteld waaronder het beslag zou worden opgeheven. Dat betekent dat al vanaf 2 oktober 2018 het beslag in ieder geval niet meer aan levering in de weg stond, althans hoefde te staan. A-Garage heeft ook niet toegelicht waarom levering op 1 oktober 2018 voor de financier van [koper 2] en [koper 1] zó cruciaal was, dat levering letterlijk geen dag later kon plaatsvinden.
16 maart 2021 (datum brief van [koper 2] en [koper 1] ) en 21 november 2023 (datum brief van A-Garage aan [eiser] waarin is aangegeven dat [koper 2] en [koper 1] zich hadden teruggetrokken) melding is gemaakt van het feit dat [koper 2] en [koper 1] geen financiering konden verkrijgen vanwege het door [eiser] gelegde beslag en daarom is besloten om de koopovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen. In de brief van mr. Veldman van 6 februari 2023 is aangegeven dat levering nog niet had plaatsgevonden vanwege het beslag dat nog rustte op het perceel, terwijl op dat moment de koopovereenkomst volgens de stellingen van A-Garage in deze procedure al lang en breed met wederzijds goedvinden was beëindigd en levering dus helemaal niet meer aan de orde zou zijn. Daarnaast is de rechtbank met [eiser] van oordeel dat het opmerkelijk is dat A-Garage tijdens het deskundigenonderzoek in de verdelingsprocedure de informatie over de beëindiging van de koopovereenkomst in eerste instantie niet met de deskundige heeft gedeeld. [eiser] wijst op het verslag van de deskundigen van 13 oktober 2022, waaruit volgt dat de deskundigen vragen hebben gesteld aan A-Garage over de levering van het bedrijfspand en A-Garage op 13 oktober 2022 heeft geantwoord dat
‘het de bedoeling was om af te bouwen, maar zolang de verkoop niet is gerealiseerd de exploitatie doorging’. Daarnaast is in dat verslag te lezen: ‘
In 2018 kon de koper niet afnemen vanwege een beslaglegging. Dhr. [commercieel directeur] kan niet duidelijk aangeven waarom een transactie op waarderingsdatum (juni 2020) ook nog niet is gepasseerd.’Pas in reactie op het concept-deskundigenrapport van
21 november 2023 heeft A-Garage – zo staat tussen partijen vast – voor het eerst aangegeven dat de koopovereenkomst was beëindigd. A-Garage heeft tot 21 november 2023 steeds de indruk gewekt dat er zou worden geleverd en aan [eiser] de overeengekomen vergoeding van € 170.000,00 zou worden betaald.
1 november 2024 pas te laten vinden, om op die manier te voorkomen dat [eiser] aanspraak zou kunnen maken op een deel van de koopsom. Het spreekt voor zich dat wanneer deze stelling juist zou zijn, zonneklaar zou zijn dat A-Garage de belangen van [eiser] heeft veronachtzaamt, en daarmee onrechtmatige gehandeld. Echter, A-Garage heeft een dergelijke motivatie voor haar handelen uitdrukkelijk bestreden, zodat de rechtbank evenmin uit kan gaan van de juistheid van deze stelling.
1 november 2024 met als doel dat A-Garage geen vergoeding aan [eiser] verschuldigd is ter zake van de verkoop van perceel [adres 1] (r.o. 4.20 onder 2) kan daarbij onbeantwoord blijven.
5.De beslissing
13 mei 2026.