ECLI:NL:RBNNE:2026:1735

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
C/18/240502 / HA ZA 24-285
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 BWArt. 3:317 BWArt. 3:45 BWArt. 42 FaillissementswetArt. 3:84 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg meerwaardeclausule en onrechtmatige daad bij verkoop bedrijfspand

De zaak betreft een geschil tussen eiser en A-Garage over de uitleg en nakoming van een meerwaardeclausule in een vaststellingsovereenkomst uit 2009, gekoppeld aan de verkoop van bedrijfspanden. Eiser vordert betaling van diverse bedragen, waaronder een vergoeding op grond van de meerwaardeclausule en een schadevergoeding wegens onrechtmatige daad.

De rechtbank stelt vast dat de meerwaardeclausule inhoudt dat A-Garage aan eiser een percentage van de meerwaarde moet betalen bij verkoop en levering van bepaalde percelen. Hoewel het perceel [adres 2] is verkocht en geleverd, is levering van het perceel [adres 1] niet gerealiseerd. De rechtbank oordeelt dat onder 'vervreemding' levering moet worden verstaan, zodat de vergoeding voor perceel [adres 1] nog niet opeisbaar is.

De rechtbank overweegt dat A-Garage onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van eiser bij naleving van de koopovereenkomst. Door in te stemmen met beëindiging van de koopovereenkomst zonder afdoende motivering en zonder eiser te compenseren, heeft A-Garage onrechtmatig gehandeld. De schade wordt vastgesteld op het bedrag dat eiser conform de meerwaardeclausule zou hebben ontvangen minus reeds betaalde bedragen.

De rechtbank wijst de meeste vorderingen toe, behalve een vordering wegens kosten hypotheekakte die is verjaard. A-Garage wordt veroordeeld tot betaling van € 1.500,00 aan termijnen en € 214.739,75 aan hoofdsom plus wettelijke rente, en in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: A-Garage wordt veroordeeld tot betaling van € 216.239,75 plus rente en proceskosten wegens onrechtmatige daad en niet-nakoming meerwaardeclausule.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/240502 / HA ZA 24-285
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.A.M. Kroon-Jongbloed,
tegen
A-GARAGE B.V.,
te Groningen ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: A-Garage,
advocaat: mr. A.E. Koster.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 april 2025;
- de door [eiser] ten behoeve van de mondelinge behandeling overgelegde producties;
- de door A-Garage ten behoeve van de mondelinge behandeling overgelegde producties;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 september 2025, waaruit blijkt dat is beslist dat de door [eiser] ingediende toelichting bij zijn ten behoeve van de mondelinge behandeling ingediende producties buiten het procesdossier wordt gehouden;
- de conclusie van repliek (met producties);
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en [commercieel directeur] zijn de kinderen van [vader] (hierna: vader) en [moeder] (hierna: moeder).
2.2.
In 1947 heeft vader een automobiel- en garagebedrijf opgericht in de vorm van een eenmanszaak. In 1980 is de besloten vennootschap met de naam A-Garage opgericht. Van het geplaatste kapitaal stonden 6 prioriteitsaandelen en 28 gewone aandelen op naam van vader en één gewoon aandeel op naam van moeder. De eenmanszaak is in deze vennootschap ingebracht.
2.3.
Vanaf 7 mei 1982 was [eiser] technisch directeur en [commercieel directeur] commercieel directeur van A-Garage.
2.4.
Vader is op 26 oktober 1990 overleden. A-Garage is in 1991 voortgezet door [commercieel directeur] en [eiser] en is sindsdien gevestigd aan de [adres 1] (hierna: het perceel [adres 1] ).
2.5.
In 2008 zijn [commercieel directeur] en [eiser] met elkaar gebrouilleerd geraakt. Op
3 november 2008 is [eiser] ontslagen als technisch directeur van A-Garage. Over de financiële afwikkeling van dit ontslag hebben partijen afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een schriftelijke vaststellingsovereenkomst van 2 november 2009. Daarin is onder meer het volgende bepaald:
Artikel 1
Partijen komen overeen dat [eiser] de navolgende vorderingen heeft op A-Garage:
a.
een vordering ter zake van netto loon ten bedrage van € 121.286,00 (zegge: honderdeenentwintingduizend tweehonderdzesentachtig euro), over welk bedrag de door A-Garage verschuldigde bedragen aan loonheffingen reeds zijn ingebonden en afgedragen;
b.
een vordering uit geldlening van € 45.000,00 (zegge: vijfenveertigduizend euro) met rente en kosten ad € 18.156,61 (zegge: achttienduizend honderdzesenvijftig euro en eenenzestig cent), ter verzekering waarvan een hypotheekrecht is gevestigd op de panden [adres 1] en [adres 2] ;
c.
een vordering ter betaling van de door [eiser] gemaakte advocaatkosten van € 32.500,00 (zegge: tweeëndertigduizend vijfhonderd euro), inclusief kantoorkosten
en btw.
Artikel 2
2.1
In verband met de in artikel 1 omschreven Pro vorderingen van [eiser] op A-Garage komen zij de navolgende betaling overeen:

een bedrag van € 52.500.00 (zegge: tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro), doorA-Garage te betalen op de volgende wijze:
I.
een bedrag van € 25.000,00 (zegge; vijfentwintigduizend euro) binnen 7 dagen na ondertekening van deze overeenkomst op rekening van mr. J.A. Gimbrère, tegen diens declaratie;
II.
een bedrag van € 7.500,00 (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro) binnen 6 weken na ondertekening van deze overeenkomst op rekening van mr. J.A. Gimbrère, tegen diens declaratie;
III.
een bedrag van € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro) binnen 6 weken na ondertekening van deze overeenkomst op rekening van [eiser] ;
met dien verstande dat indien A-Garage het op de facturen van mr. J.A. Gimbrère vermelde bedrag aan btw niet of niet geheel als voorbelasting zal kunnen aftrekkenA-Garage op [eiser] een vordering heeft van de helft van het niet-aftrekbare bedrag aan btw,

een bedrag van € 81,000,00 (zegge: eenentachtigduizend euro), te betalen in 54 opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), waarvan de eerste termijn vervalt in de maand november 2009.
[…]
Artikel 3
In verband met het op grond van het vorengaande nog onbetaalde van de vorderingen sub 1a
tot en met c en in verband met de door [eiser] gepretendeerde vordering uit kennelijk onredelijk ontslag komen partijen het navolgende overeen:
3.1
A-Garage betaalt aan [eiser] op 1 november 2024 een bedrag van € 55.000,00 (zegge: vijfenvijftigduizend euro). Het bedrag van € 55.000,00 (zegge: vijfenvijftigduizend euro) zal jaarlijks per 1 januari worden geïndexeerd op basis van de jaar-op-jaarmethode, voor het eerst per 1 januari 2011, zonder dat daarvoor enige aanzegging nodig is, worden herzien aan de hand van de consumentenprijsindexcijfers (CPI), reeks alle huishoudens, op basis van 2010 = 100, door het CBS vastgesteld. Hiertoe zal telkens het tot de datum van aanpassing geldende bedrag worden vermenigvuldigd met een breukgetal, waarvan de teller is het jaarprijsindexcijfer, geldende voor het laatst verstreken kalenderjaar voor de datum van ingang van de aanpassing, en de noemer is het jaarprijsindexcijfer, geldende voor het aan dat laatst verstreken kalenderjaar voorafgegane kalenderjaar. Het bedrag zal echter nooit lager zijn dan het bedrag van het voorafgaande jaar.
3.2
Het in lid 1 van dit artikel genoemde bedrag wordt verlaagd met al hetgeen [eiser]
van A-Garage ontvangt krachtens lid 3 van dit artikel. Als de betalingen op grond van lid 3 van dit artikel het in lid 1 genoemde bedrag te boven gaan, zal A-Garage op grond van lid 1 aan [eiser] niets meer verschuldigd zijn.
3.3
Indien het pand aan de [adres 2] en/of het pand aan de
[adres 1] door A-Garage vóór 1 november 2024 wordt respectievelijk worden vervreemd, in economische eigendom worden overgedragen of daarop zakelijke genotsrechten worden gevestigd, voor een tegenprestatie die het
bedrag van respectievelijk € 200.000,00 (zegge: tweehonderdduizend euro) en € 340.000,00 (zegge: driehonderdveertigduizend euro) te boven gaat, betaaltA-Garage aan [eiser] 37,5% van dat meerdere. De redelijkerwijs gemaakte verkoopkosten, voor zoveel die niet door de koper worden betaald, strekken in mindering op dit meerdere, alvorens het percentage van 37,5% wordt toegepast. Overige door A-Garage gemaakte kosten en gedane investeringen komen slechts dan in mindering op dit meerdere alvorens het percentage van 37,5% wordt toegepast, indien partijen dat schriftelijk nader overeenkomen. Indien A-Garage in deze een paulianeuze rechtshandeling (als bedoeld in de artikel 3:45 BW Pro en 42 Faillissementswet) verricht zal [eiser] deze rechtshandeling op grond van de genoemde artikelen kunnen vernietigen.
3.4
Het op grond van lid 3 van dit artikel door A-Garage aan [eiser] te betalen bedrag is gemaximeerd op € 150.000,00 (zegge: honderdvijftigduizend euro) ten tijde van het sluiten van deze overeenkomst, vanaf 1 januari 2011 telkenjare per 1 januari te indexeren met de consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens (tot en met 2024) overeenkomstig het hieromtrent bepaalde in lid 1 van dit artikel.
3.5
In het geval A-Garage vóór 1 november 2024 in staat van faillissement wordt verklaard door de daartoe bevoegde rechter, zal het bepaalde in de leden 1, 3, 4 en 7 van dit artikel onverkort toepassing vinden, met dien verstande dat de vorderingen terstond en ineens opeisbaar zijn.
3.6
De op grond van de leden 3 en 4 door A-Garage te betalen bedragen zijn door [eiser] niet onmiddellijk opeisbaar in het geval voor A-Garage uit de transactie onvoldoende liquiditeit resteert, vanwege uitoefening van de rechten door de eerste hypotheekhouder. In dat geval geldt het in artikel 5 overeen Pro te komen hypotheekrecht ook voor deze vordering van [eiser] en zal het bedrag uiterlijk op 1 november 2024 tot uitkering komen.’
2.6.
Op 5 november 2012 is moeder overleden.
2.7.
Tot het vermogen van A-Garage behoorde een voormalig bedrijfspand aan de [adres 2] (hierna: het perceel [adres 2] ). Dit perceel is op 31 januari 2018 verkocht aan [koper 1] (hierna: [koper 1] ) en [koper 2] (hierna: [koper 2] ) voor een bedrag van € 250.000,00. Omdat [eiser] conservatoir beslag had gelegd op het perceel [adres 2] was levering van dit perceel aan [koper 1] en [koper 2] niet mogelijk. A-Garage is daarom een kort geding gestart. Partijen hebben tijdens de behandeling van dat kort geding op 22 mei 2018 een minnelijke regeling getroffen. Onderdeel van die minnelijke regeling was de betaling van een vergoeding door A-Garage aan [eiser] als bedoeld in artikel 3.3. van de vaststellingsovereenkomst (de meerwaardeclausule). Deze vergoeding had betrekking op de verkoop van perceel [adres 2] en perceel [adres 1] . Dit laatste perceel was nog niet verkocht, maar verwacht werd dat de onderhandelingen die destijds liepen met [koper 2] en [koper 1] zouden leiden tot overeenstemming over de (ver)koop van dit perceel. In het opgemaakte proces-verbaal is onder meer te lezen:
‘Partijen komen ter beëindiging van dit kort geding het volgende overeen:
1.
Het conservatoire beslag dat rust op het onroerend goed aan de [adres 2] zal worden opgeheven opdat de levering per 1 juni 2018 zal kunnen plaatsvinden. Op dat moment zal ook het hypotheekrecht uit 2005 worden doorgehaald, voor zover dat betrekking heeft op de [adres 2] .
2.
[commercieel directeur] zal zijn medewerking verlenen aan het vestigen van een eerste recht van hypotheek op het pand aan de [adres 3] , waarvoor hij uiterlijk woensdag 30 mei 2018 op het kantoor van [advocaat- en notariskantoor] een volmacht zal ondertekenen.
3.
Het hypotheekrecht strekt tot zekerheid van betaling van de vordering zoals die wordt bedoeld onder artikel 3 van Pro de vaststellingsovereenkomst (de meerwaardeclausule). Die vordering wordt tot en met medio maart 2018 begroot op een bedrag van € 170.000,00.
4.
De vordering uit hoofde van de meerwaardeclausule is verschuldigd op het moment van de levering van het onroerend goed aan de [adres 1] , vermeerderd met de indexering vanaf medio maart 2018. De betaling vindt plaats gelijktijdig aan de levering van dit onroerend goed.’
2.8.
[eiser] heeft daarop het conservatoir beslag opgeheven. Het perceel [adres 2] is op 4 juni 2018 aan [koper 1] en [koper 2] geleverd.
2.9.
Vanwege de intentie van A-Garage om ook het perceel [adres 1] te verkopen aan [koper 2] en [koper 1] hebben partijen nadien afspraken gemaakt over de doorhaling van de conservatoire beslagen die [eiser] (ook) had gelegd op dit perceel. Vanwege dat beslag had A-Garage wederom een kort geding aangezegd. Op 24 september 2018 heeft
mr. Tiddens, voormalig advocaat van A-Garage, een brief gestuurd aan mr. Kroon-Jongbloed. Daarin is onder meer te lezen:
‘Eerder al liet ik u weten dat met de verkoop een bedrag is gemoeid van € 1.250.000,-. Mijn cliënt stelt voor dat van deze koopsom een bedrag ad € 425.000,- ten goede komt aan uw cliënt waartegen hij zich dan dient te verplichten het op het pand rustende beslag op te heffen en aldus de levering mogelijk te maken. Rechten behoeft uw cliënt daarbij verder niet prijs te geven. Hij mag zijn vorderingen (volledig) handhaven terwijl ook de verdere beslagen gehandhaafd kunnen blijven. De lopende procedure kan “gewoon” voortgezet worden.
Het bedrag ad € 425.000,- is als volgt opgebouwd:
-
€ 70.000,- ter zake van de legitieme vordering, waarbij cliënt verwijst naar hetgeen de
rechtbank hierover inmiddels heeft overwogen;.
-
€ 185.000,- ter zake van de vordering nalatenschap vader. Het betreft het bedrag dat
cliënt zelf heeft becijferd;
-
€ 170.000,- uit hoofde van de meerwaardeclausule. Hierover bestaat tussen partijen overeenstemming.’
2.10.
Op 26 september 2018 is tussen A-Garage enerzijds en [koper 1] en [koper 2] anderzijds een koopovereenkomst tot stand gekomen, inhoudende dat A-Garage het perceel [adres 1] aan [koper 1] en [koper 2] zou verkopen tegen betaling van een bedrag door [koper 1] en [koper 2] van € 1.250.000,00. De levering stond gepland op 1 oktober 2018.
2.11.
Op 1 oktober 2018 is, zoals overeengekomen tijdens de zitting van 22 mei 2018, een recht van hypotheek gevestigd tot een bedrag van € 170.000,00 ten behoeve van [eiser] op de (tot het vermogen van A-Garage behorende) pand aan de [adres 3] .
2.12.
Op 3 oktober 2018 heeft mr. Tiddens nogmaals een brief gestuurd aan mr. Kroon-Jongbloed. In die brief heeft hij onder meer geschreven:
‘Inmiddels maakte ik de kort gedingdagvaarding gereed en deelde de rechtbank mij mede dat
het kort geding zal plaatshebben op donderdag 8 november as. om 13.30 uur ten overstaan van de voorzieningenrechter mr. J.E. Wichers. De concept dagvaarding treft u bijgaand aan.
Het ziet er echter naar uit dat het kort geding geen doorgang zal behoeven te vinden: gistermiddag liet u mij weten dat uw cliënt het voorstel van mijn cliënt als verwoord in mijn brief van 24 september jl. alsnog accepteert en wel onder een drietal voorwaarden:
-
hij wenst een ondertekend exemplaar van de eerder toegezonden koopovereenkomst te ontvangen;
-
het bedrag ad € 425.000,- dient door de notaris rechtstreeks te worden overgemaakt naar uw derdengeldrekening;
-
de kosten van de hypotheekvestiging (de akte is op 1 oktober jl. gepasseerd) dienen voor 50% door mijn cliënt gedragen te worden.
Een exemplaar van de ondertekende koopovereenkomst treft u bijgaand aan. Aan de eerste voorwaarde is daarmee voldaan. De tweede voorwaarde is (uiteraard) akkoord. Ik had het mij ook niet anders voorgesteld. Ook met de derde voorwaarde kan cliënt zich verenigen, al was het maar omdat dit al eerder is overeengekomen.’
2.13.
Op 15 oktober schreef mr. Tiddens in een e-mail aan mr. Kroon onder meer:

Overigens is nog niet geheel duidelijk wanneer de levering zal kunnen plaatshebben. Zodra deze duidelijkheid is verkregen zal ik u dat laten weten.
2.14.
Mr. Tiddens heeft bij een volgende brief van 20 november 2018 mr. Kroon-Jongbloed als volgt bericht:
‘Zoals u bemerkt hebt, heeft de levering van de [adres 1] enige vertraging opgelopen. Dit vanwege omstandigheden die zijn gelegen aan de zijde van de kopers. Naar het zich laat aanzien zal de levering thans per (omstreeks) 1 januari as. plaatshebben.’
2.15.
Omdat levering op (althans rond) 1 januari 2019 eveneens uitbleef, heeft
mr. Kroon-Jongbloed jegens mr. Tiddens en mr. Lodestijn, die op enig moment de behartiging van de belangen van A-Garage in deze van mr. Tiddens heeft overgenomen, daarna meerdere malen per brief verzocht om informatie over de geplande levering van het perceel [adres 1] . Daarop is geen reactie gekomen.
2.16.
In 2019 en 2020 hebben [koper 2] en [koper 1] aan A-Garage in totaal een voorschot op de koopsom ter zake van het perceel [adres 1] betaald van € 275.000,00.
2.17.
Bij deze rechtbank was een procedure aanhangig tussen [eiser] en [commercieel directeur] over de verdeling van de nalatenschap van vader (C/18/187492 HA ZA 18-213, hierna: de verdelingsprocedure). In die verdelingsprocedure heeft de rechtbank voor de waardering van de aandelen die vader in A-Garage hield en die aan [commercieel directeur] toebedeeld zouden worden onder de verplichting om aan [eiser] een vergoeding wegens overbedeling te voldoen, bij vonnis van 9 maart 2022 twee deskundigen benoemd (de heer J.A. Osinga en de heer A. Stel, hierna: de deskundigen). Op 13 oktober 2022 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de deskundigen, [commercieel directeur] (namens A-Garage), mr. Veldman en mevrouw [administrateur] (administrateur A-Garage). In het daarvan opgemaakte gespreksverslag is onder meer te lezen:
Koopovereenkomst Onroerend Zaak [adres 1]
4.
Uit deze koopovereenkomst blijkt dat het de intentie is om uiterlijk binnen drie jaren na levering het terrein (waaronder gebouwen) te ontruimen? Wat betekent dit voorA-Garage?
Het was de bedoeling om af te bouwen maar zolang de verkoop nog niet gerealiseerd is wordt de exploitatie doorgezet.
5.
Op waarderingsdatum (17-6-20) heeft de levering nog niet plaatsgevonden, waarom niet en wat waren toen de plannen?
In 2018 kon de koper niet afnemen vanwege een beslaglegging. Dhr. [commercieel directeur] kan niet duidelijk aangeven waarom een transactie op waarderingsdatum (juni 2020) ook nog niet is gepasseerd.’
2.18.
Bij brief van 19 december 2022 heeft mr. Veldman, de toenmalige advocaat van
A-Garage, gereageerd op het verslag van voornoemd overleg. In die brief heeft hij onder meer geschreven:
‘Voor wat betreft het bedrijfspand heeft de rechtbank reeds beslist dat u deze in de waardebepaling van de aandelen dient mee te nemen tegen een waarde van € 1.250.000. Genoemde waarde is gebaseerd op de koopsom zoals deze is vastgelegd in de koopovereenkomst. […]
Door u is tijdens de bespreking d.d. 13 oktober 2022 gevraagd waarom levering van het onroerend goed tot dusverre niet heeft plaatsgevonden. Uit de overeenkomst volgt dat levering dient plaats te vinden vrij van hypotheken en beslagen. Bijgaand zend ik u de kadastrale gegevens uit het hypotheekregister van het Kadaster (bijlage 2). Uit deze gegevens volgt dat er zowel op 4 juni 2023 als op 13 september 2018 conservatoir beslag is gelegd op het bedrijfspand namens [eiser] .
[…]
Ondanks een daartoe strekkend verzoek is het beslag tot dusverre niet opgeheven c.q. doorgehaald. Het beslag zoals deze op 13 september 2018 is gelegd houdt verband met de onderhavige procedure betreffende de afwikkeling van de nalatenschap van vader. Vanwege deze beslagen heeft levering tot dusverre nog niet kunnen plaatsvinden.’
2.19.
Op 3 februari 2023 heeft mr. Kroon-Jongbloed een brief gestuurd naar mr. Veldman, waarin onder meer is geschreven:
‘Zoals u weet hebben partijen d.d. 2 november 2009 een vaststellingsovereenkomst gesloten
betreffende geschillen die zij over en weer met elkaar hadden aangaande A-Garage B.V.
In artikel 3.3 en 3.4 van deze vaststellingsovereenkomst werd ten aanzien van de bedrijfspanden aan de [adres 2] en de [adres 1] te Groningen ten
behoeve van cliënt, de volgende meerwaardeclausule overeengekomen:
[…]
In de jaarrekening 2018 van A-Garage B.V. welke cliënt bij e-mail van 18 juli jl. ontving is opgenomen dat het bedrijfspand aan de [adres 2] in 2018 voor een bedrag ter hoogte van € 275.000,- is verkocht. Voorts volgt uit de koopovereenkomst d.d. 26 september 2018 dat het pand aan de [adres 1] verkocht werd voor een bedrag van€ 1.250.000,-.
Gezien de meerwaarde bij verkoop ter hoogte van resp. € 75.000,- en € 910.000,- heeft cliënt recht op een overeenkomstig artikel 3.4 van de vaststellingsovereenkomst door A-Garage B.V. aan hem te betalen bedrag ter hoogte van € 150.000,- welk bedrag wordt verhoogd met het jaarlijkse consumentenprijsindexcijfer vanaf 1 januari 2011 conform het bepaalde in artikel 3.4 jo. 3.1 van de vaststellingsovereenkomst. Immers in artikel 3.1 van de vaststellingsovereenkomst is opgenomen:
[…]
Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.1 vaststellingsovereenkomst maakt cliënt thans aanspraak op een bedrag van € 201.397,-. Voor de berekening van dit bedrag wordt verwezen naar onderstaande tabel.
[…]
Uw cliënt wordt in zijn hoedanigheid van directeur van A-Garage B.V. dringend verzocht en
zo nodig gesommeerd het bedrag ad € 201.397,- binnen 14 dagen na heden aan mijn cliënt te voldoen door overmaking op rekeningnummer [bankrekeningnummer] .’
2.20.
Op die brief heeft mr. Veldman bij brief van 6 februari 2023 (abusievelijk gedateerd 6 februari 2022) onder meer als volgt gereageerd:
‘Partijen hebben op 2 november 2009 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Op grond van het bepaalde in artikel 3.1 daarvan heeft uw cliënte in beginsel eerst per 1 november 2024 opeisbaar van cliënte te vorderen een bedrag ad € 55.000, zulks nog te vermeerderen met de indexatie over de periode 1 januari 2011 tot 1 november 2024.
In artikel 3.3 van de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat uw cliënt, in het geval van vervreemding vóór 1 november 2024 door cliënte van de [adres 2] en/of het pand aan de [adres 1] voor een tegenprestatie die het bedrag van € 200.000 en € 340.000 overstijgt, aanspraak maakt op 37,5% van het meerdere.
[…]
Op grond van het voorgaande heeft uw cliënte op grond van het bepaalde in artikel 3.1 van de vaststellingsovereenkomst een vordering van € 36.250 (€ 55.000 - € 18.750) en op grond van het bepaalde in artikel 3.3 een vordering ad € 18.750, zijnde totaal € 55.000, zulks te vermeerderen met de indexering vanaf 1 januari 2011. De vordering is evenwel pas opeisbaar per 1 november 2024.
Uw cliënt komt met zijn vordering terwijl hij heel goed weet dat deze thans nog niet opeisbaar is hetgeen ook de reden is waarom uw cliënt de vordering niet eerder heeft opgeëist. Cliënte is daarover bijzonder ontstemd en begrijpt werkelijk niet waarom uw cliënt meent om de vordering thans wel te moeten opeisen. Cliënte moet als gevolg van de pretenties van uw cliënt weer nodeloos kosten maken, waarvoor mijn cliënte uw cliënt nadrukkelijk aansprakelijk stelt.
Ook van een aanspraak betreffende het pand aan de [adres 1] is thans geen enkele sprake aangezien van een vervreemding daarvan geen sprake is. Weliswaar is er destijds een koopovereenkomst gesloten, maar van een vervreemding is geen sprake nu levering niet heeft plaatsgevonden.’
2.21.
De deskundigen hebben in de verdelingsprocedure op 13 oktober 2023 een concept-rapport uitgebracht. Mr. Schuring, destijds advocaat van A-Garage, heeft op
21 november 2023 een reactie op dat rapport naar de deskundigen en mr. Kroon-Jongebloed verzonden. In die e-mail heeft mr. Schuring aangegeven dat [koper 2] en [koper 1] in maart 2021 hebben aangegeven dat de koop geen doorgang kan vinden en het betaalde voorschot is omgezet in een lening. In die e-mail is onder meer te lezen:
‘De economische waarde van het bedrijfspand aan de [adres 1] is op onjuiste gronden
bepaald. De economische waarde is bepaald aan de hand van een koopovereenkomst en de waarde op 17 juni 2020 ad. € 1.250.000,- en dat is geen juist uitgangspunt voor de waardebepaling want de koopovereenkomst is niet geeffectueerd. De koopovereenkomst met de voormalige koper is dankzij de beslagleggingen van de tegenpartij [eiser] afgeketst.
Toen het beslag werd opgeheven had de Rabobank haar toezegging van financiering reeds ingetrokken en kon de koper niet meer afnemen. Op 16 maart 2021 heeft de voormalige koper laten weten dat de koopovereenkomst geen doorgang kan vinden en zijn de eerdere betaalde voorschotten omgezet naar een lening. De brief waarin de koper zich terugtrekt d.d.16 maart 2021 treft u als bijlage 1 aan. Deze brief is niet door de deskundige meegenomen in het concept deskundigenrapport. De heer [commercieel directeur] verzoekt deze brief alsnog mee te nemen in het deskundigenrapport.’
2.22.
In de in voornoemde e-mail genoemde brief van 16 maart 2021 van [koper 2] en [koper 1] is onder meer geschreven:
‘Zoals je weet, zijn wij behoorlijk in de problemen gekomen, toen jou garagepand aan de [adres 1] niet geleverd kon worden. Zoals je van ons hebt vernomen, trok de Rabobank zich terug toen beide percelen, niet samen konden worden afgenomen. Met geen mogelijkheid was de Rabobank bereid om de deal alsnog op een later tijdstip te laten plaats
vinden.
Wij hadden er uiteraard geen rekening mee gehouden, dat de levering niet plaats zou vinden. En al helemaal niet, dat de Rabobank zich als financier van het project, terug zou trekken. Vervolgens eiste de Ambulancedienst afname van het bedrijfsterrein [adres 4] . Wij moesten daarvoor via andere middelen maar zien om de koopprijs € 750.000,= excl. kosten vrij te maken en elders bij te lenen. Los daarvan moest ook nog een bedrag worden voldaan voor een speculatiebeding aan Lefier, die dat daarvoor had laten opnemen, toen de Ambulancedienst het perceel + gebouwen kocht.
Aanvankelijk dachten wij in staat te zijn om uw pand alsnog in een later stadium af te nemen. Wij hebben daarvoor ons uiterste best gedaan. Helaas lopen de zaken niet zoals werd verwacht. Om deze redenen moeten wij van de koop afzien. Wij beseffen ook, dat jij nu in problemen komt als wij de bedragen die wij reeds aan u betaalden, terug zouden eisen. Zoals wij weten kun jij dit niet direct voldoen vanwege jou liquiditeit in jou bedrijf. Door het niet afnemen hebben wij jou ook in problemen gebracht, en omdat wij nog steeds bezig zijn (ook in overleg met de Gem. Groningen) met nieuwe plannen en een andere financiële relatie, is het nog wel de bedoeling om alsnog een koopcontract met jou te sluiten. Om deze reden kun jij de ontvangen bedragen (gelden) dan met ons verrekenen. Of jij betaald ons de bedragen terug met 4% rente zodra je het perceel aan een ander verkoopt.
[…]
Als het aan ons ligt, zijn wij bereid, om jou een betere prijs te bieden als de nodige vergunningen vrij komen voor het gehele project. Wij blijven met jou in contact en zodra er situaties veranderen zullen wij dit direct met je doornemen. Wij verzoeken jou om ons nog wel de gelegenheid te geven voor de afronding van het totale project. Zoals je weet doen wij ons uiterste best om het geheel in goede banen te leiden. Wij houden je op de hoogte.’
2.23.
[commercieel directeur] is op 1 juni 2024 overleden.
2.24.
Op 25 oktober 2024 heeft mr. Kroon-Jongebloed een e-mail gestuurd aan mr. Koster. In die brief is onder meer geschreven:
Huidige stand van zaken
Opgemerkt moge worden dat sinds de ondertekening van de koopovereenkomst op26 september 2018 inmiddels ruim zes jaren zijn verstreken. Om welke reden levering aan de kopers nochtans niet heeft plaatsgevonden, is voor mijn cliënt volstrekt onduidelijk. Dat levering tot dusverre nog niet zou kunnen hebben plaatsgevonden wegens de door mijn cliënt gelegde conservatoire beslagen, staat niet aan de levering in de weg, nu ter zake afspraken zijn gemaakt met mr. Tiddens. De conservatoire beslagen worden, zodra de datum van levering bekend is, tijdig opgeven door mijn cliënt, teneinde levering aan de kopers mogelijk te maken.
[…]
Nu, mede gelet op al het voorgaande, altijd is voorgehouden dat de levering nog wel zou gaan plaatsvinden, is de verwachting dat de leveringsakte ter zake de [adres 1] uiterlijk vóór 1 november 2024 gepasseerd zal worden. Ik verzoek u dan ook dringend om de
kopers te verplichten, en zo nodig te sommeren, hun medewerking te verlenen aan het passeren van de notariële leveringsakte vóór 1 november 2024.
Ter zake van die levering verneem ik graag zo spoedig mogelijk of het verlijden van de notariële leveringsakte, conform de koopovereenkomst, nog steeds geschiedt door [notariskantoor] , zodat de op de [adres 1] rustende conservatoire beslagen in het kader van de levering tijdig kunnen worden opgeheven door cliënt conform de ter zake met A-Garage gemaakte afspraken.
Mocht levering evenwel niet vóór 1 november 2024 plaatsvinden, dan bestaat bij cliënt het vermoeden dat de levering bewust is uitgesteld ten einde hem te benadelen, gelet op het bepaalde in artikel 3.3 van de VSO. Blijft naast levering ook betaling van de vordering van cliënt op A-Garage ter hoogte van € 214.739,75 binnen één week na het verstrijken van voornoemde datum uit, dan zal ter zake een gerechtelijke procedure worden gestart. In dat licht verzoek ik u kenbaar te maken of u voor A-Garage B.V. in rechte optreedt, dan wel of de dagvaarding aan het adres van A-Garage B.V. aan de [adres 1] dient te worden betekend.’
2.25.
Op die brief heeft mr. Koster bij e-mail van 31 oktober 2024 onder meer als volgt gereageerd:
‘Zojuist heb ik u waarnemer telefonisch laten weten, dat ik binnen twee weken na heden op uw onderstaande e-mail zal terugkomen.
Intussen staat ervoor 1 november a.s. geen notariële overdracht in de planning zo heb ik begrepen wat volgens mij ook al in de aktes van beide zijden aan de orde zijn gekomen.’
2.26.
De levering van het bedrijfspand aan de [adres 1] heeft (nog) niet plaatsgevonden.
2.27.
De dochter van [commercieel directeur] , [dochter commercieel directeur] , is op dit moment bestuurder van
A-Garage.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. A-Garage te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag ter hoogte van € 1.622,82 ter zake de gemaakte kosten in verband met de hypotheekakte d.d. 1 oktober 2018;
II. A-Garage te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag ter hoogte van € 3.000,00 krachtens het bepaalde in artikel 2.1 jo. artikel 2.2 van de vaststellingsovereenkomst d.d. 2 november 2009;
III. ten aanzien van de vordering(en) van [eiser] op grond van het bepaalde in artikel 3 van Pro de vaststellingsovereenkomst d.d. 2 november 2009:
a. A-Garage
primairte veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag ter hoogte van € 214.739,75 krachtens het bepaalde in artikel 3.3. jo. artikel 3.4 van de vaststellingsovereenkomst d.d. 2 november 2009;
b. A-Garage
subsidiairte veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag ter hoogte van € 214.739,75, bestaande uit een bedrag van € 78.737,91 op grond van artikel 3.1 jo. artikel 3.2 jo. artikel 3.3. van de vaststellingsovereenkomst d.d. 2 november 2009 en € 136.001,84 op grond van onrechtmatige daad;
c. A-Garage
meer subsidiairte veroordelen tot betaling van [eiser] van een bedrag ter hoogte van € 78.737,91, bestaande uit een bedrag van € 59.987,91,00 en een bedrag van € 18.750,00, krachtens het bepaalde in artikel 3.1 jo. artikel 3.2 jo. artikel 3.3. van de vaststellingsovereenkomst d.d. 2 november 2009;
IV. de vorderingen onder I, II en III te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
V. met veroordeling van A-Garage in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de nakosten.
3.2.
A-Garage voert verweer. A-Garage concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] en subsidiair tot het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van dit vonnis, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de (werkelijke) kosten van de procedure (van € 5.000,00), te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.De beoordeling

Kern van het geschil
4.1.
[eiser] stelt dat hij meerdere bedragen te vorderen heeft van A-Garage, te weten: een bedrag van € 1.622,82 op grond van een gemaakte afspraak over de verdeling van de kosten van een hypotheekakte (vordering onder I), een bedrag van € 3.000,00 op grond van artikel 2 van Pro de vaststellingsovereenkomst (vordering II) en een bedrag van € 214.739,75 op grond van (primair) artikel 3.3. van de vaststellingsovereenkomst (de meerwaardeclausule) en (subsidiair) onrechtmatige daad. Dit laatste bedrag heeft betrekking op de verkoop van het perceel [adres 2] (meerwaarde van € 18.750,00) en de verkoop van het perceel [adres 1] (meerwaarde van € 341.250,00), gemaximeerd tot het bedrag van
€ 150.000,00 plus de consumentenprijsindex, zoals bepaald in artikel 3.4. van de vaststellingsovereenkomst. Voor zover de rechtbank deze laatste vordering niet (volledig) toewijst, vordert [eiser] meer subsidiair een bedrag van € 78.737,91 op grond van artikel 3.1. van de vaststellingsovereenkomst. A-Garage erkent het bedrag van € 18.750,00 en het bedrag van € 78.737,91 aan [eiser] verschuldigd te zijn. Voor het overige betwist A-Garage dat zij een bedrag aan [eiser] moet voldoen.
Vordering I: de kosten van de hypotheekakte
4.2.
[eiser] stelt dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] onder drie voorwaarden het conservatoire beslag dat hij had gelegd op het perceel [adres 1] zou opheffen. Eén van die voorwaarden was dat A-Garage de helft van de kosten zou betalen voor het passeren van de hypotheekakte die in verband met het vestigen van een recht van hypotheek op het pand aan de [adres 3] zou worden opgemaakt (zoals tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding was overeengekomen). Ter onderbouwing daarvan wijst [eiser] op de brieven van mr. Tiddens van 24 september 2018 en
3 oktober 2018. [eiser] stelt dat de kosten voor het passeren van de akte € 3.246,64 bedragen, zodat hij een bedrag van € 1.622,82 van A-Garage vordert.
4.3.
A-Garage betwist dat zij dit bedrag verschuldigd is. Volgens A-Garage zijn de drie voorwaarden cumulatief, in die zin dat de kosten voor de hypotheekakte slechts verschuldigd zijn indien ook de overige twee voorwaarden in vervulling zouden gaan. Aangezien die twee voorwaarden betrekking hebben op de verkoop en levering van het perceel [adres 1] en dat perceel uiteindelijk niet is geleverd, is A-Garage volgens haar niets aan [eiser] verschuldigd. Bovendien is de vordering volgens A-Garage verjaard. A-Garage heeft bij conclusie van dupliek nog aangevoerd dat [eiser] de hoogte van het bedrag niet heeft onderbouwd en een eventuele vordering van [eiser] ter zake van deze kosten zou bestaan op [commercieel directeur] en niet op A-Garage, maar de rechtbank acht deze verweren tardief. A-Garage had deze verweren bij conclusie van antwoord en tijdens de mondelinge behandeling kunnen aanvoeren. Dat heeft zij niet gedaan. Deze verweren laat de rechtbank daarom buiten beschouwing.
4.4.
De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat uit voornoemde brieven van
24 september 2018 en 3 oktober 2018 volgt dat partijen zijn overeengekomen dat A-Garage – kort gezegd – de helft van de kosten voor de hypotheekakte zou voldoen. Het recht van hypotheek zou worden gevestigd (en is uiteindelijk ook gevestigd) op het pand aan de [adres 3] en strekte ter zekerheid van betaling van de vordering zoals bedoeld in het proces-verbaal van de mondelinge behadeling van 22 mei 2018 en artikel 3 van Pro de vaststellingsovereenkomst (de meerwaardeclausule).Deze vordering had onder meer betrekking op de meerwaarde ten aanzien van de verkoop van de [adres 1] (welke vordering hierna aan de orde komt) en maakt onderdeel uit van het in de e-mail van
3 oktober 2018 genoemde bedrag van € 425.000,00.De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat uit de tekst van de brieven niet volgt dat de voorwaarden cumulatief zijn, in die zin dat de kosten slechts verschuldigd zijn indien het perceel [adres 1] zou worden geleverd aan [koper 2] en [koper 1] . Het vestigen van het hypotheekrecht is ook niet afhankelijk gesteld van de levering van perceel [adres 1] . A-Garage onderbouwt verder ook niet dat de afspraak met inachtneming van de Haviltex-maatstaf [1] anders moet worden begrepen. Bovendien heeft mr. Tiddens in zijn brief van 3 oktober 2018 ook overwogen dat A-Garage ermee akkoord gaat dat zij de helft van de kosten betaalt
‘al was het maar omdat dit al eerder is overeengekomen.’Dat betekent dat [eiser] in beginsel een vordering op A-Garage heeft van € 1.622,82.
4.5.
De rechtbank zal de vordering van [eiser] echter afwijzen, omdat het beroep van A-Garage op verjaring slaagt. Op grond van artikel 3:307 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt op grond van artikel 3:317 lid 1 BW Pro gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.
4.6.
[eiser] stelt, zo begrijpt de rechtbank, dat de vordering op 3 oktober 2018 (toen de afspraak definitief is gemaakt) opeisbaar is geworden. Dat betekent dat de verjaringstermijn van vijf jaren op 4 oktober 2018 is aangevangen en de vordering op
4 oktober 2023 is verjaard, tenzij [eiser] tijdig een stuitingshandeling heeft verricht. [eiser] stelt dat hij bij brieven van 14 december 2018, 8 februari 2019, 4 april 2019, 24 april 2019, 3 juli 2019 en 31 augustus 2020 de verjaring van de rechtsvordering heeft gestuit. De rechtbank is met A-Garage van oordeel dat [eiser] in die brieven A-Garage niet heeft aangemaand om de vordering te voldoen en ook geen mededeling is gedaan waarin [eiser] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. De brieven hebben – zo begrijpt de rechtbank, [eiser] heeft dit niet nader toegelicht – betrekking op de levering van perceel [adres 1] en de procedure inzake de nalatenschap van vader. [eiser] heeft gelijk waar hij stelt dat bij de beoordeling of de mededeling aan de in lid 1 gestelde eisen voldoet naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet alleen hoeft te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling is gedaan en op de overige omstandigheden van het geval [2] , maar in géén van de brieven wordt melding gemaakt van onderhavige vordering. [eiser] heeft ook niet nader onderbouwd welke schriftelijke mededeling in de brieven zijn gedaan waaruit volgt dat [eiser] zich het recht op nakoming van de gemaakte afspraak ter zake van de kosten voor de hypotheekakte voorbehield. De vordering onder I wordt daarom afgewezen.
Vordering II: artikel 2 van Pro de vaststellingsovereenkomst
4.7.
Partijen zijn overeengekomen dat A-Garage aan [eiser] een bedrag van € 81.000,00 moet voldoen in 54 maandelijkse termijnen van € 1.500,00 per maand, te beginnen in november 2009 (artikel 2 van Pro de vaststellingsovereenkomst). [eiser] stelt dat A-Garage inmiddels alle termijnen had moeten voldoen en dat zij twee termijnen van € 1.500,00 niet heeft voldaan. Volgens A-Garage is slechts één termijn niet betaald en is de vordering ter zake van deze termijn verjaard. Ten aanzien van de andere termijn waarvan [eiser] in deze procedure betaling vordert, heeft A-Garage een kwitantie overgelegd waaruit volgens haar volgt dat de toenmalige advocaat van [eiser] een bedrag van € 1.500,00 van [commercieel directeur] (in hoedanigheid van bestuurder van A-Garage) in ontvangst heeft genomen. [eiser] betwist de authenticiteit van de kwitantie.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat A-Garage voldoende heeft onderbouwd dat één van de in deze procedure gevorderde termijnen aan [eiser] is betaald. De rechtbank begrijpt dat [eiser] in deze procedure onder meer betaling vordert van de eerste van de in totaal 54 termijnen. Op de kwitantie staat op briefpapier van [advocaat- en notariskantoor] geschreven dat van [commercieel directeur] een bedrag van € 1.500,00 is ontvangen ter zake van
‘1e van de 54 termijnen’. De kwitantie is voorzien van een handtekening. [eiser] heeft de echtheid van deze kwitantie onvoldoende gemotiveerd betwist. Het feit dat [commercieel directeur] deze kwitantie niet eerder aan [eiser] heeft overhandigd, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de echtheid van de kwitantie in twijfel te trekken. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat [commercieel directeur] , in hoedanigheid van bestuurder van A-Garage, bevrijdend aan de advocaat van [eiser] mocht betalen.
4.9.
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de andere termijn van € 1.500,00 is (wel) toewijsbaar, omdat deze vordering niet is verjaard. Ook hiervoor geldt een verjaringstermijn van vijf jaar (r.o. 4.5.). De rechtbank begrijpt dat de termijn in juli dan wel augustus 2014 opeisbaar is geworden. [eiser] stelt dat hij de vordering heeft gestuit bij conclusie van antwoord van 22 mei 2018 in de kortgedingprocedure tussen [eiser] , zijn echtgenote en A-Garage (r.o. 2.7.). In randnummer 20 van die conclusie is geschreven dat
A-Garage nog twee termijnen van in totaal € 3.000,00 aan [eiser] verschuldigd is. Dat betreft volgens [eiser] dezelfde twee termijnen als de termijnen waar in onderhavige procedure betaling van wordt gevorderd. Dat wordt door A-Garage niet betwist. Zij voert slechts aan dat de conclusie van antwoord is ingediend in een procedure tussen [eiser] en [commercieel directeur] (en dus niet A-Garage), maar uit het door [eiser] overgelegde proces-verbaal van die zitting volgt dat A-Garage partij was in die procedure. Nu [eiser] bij voornoemde conclusie van antwoord naar het oordeel van de rechtbank binnen vijf jaar na opeisbaarheid van de vordering een schriftelijke mededeling heeft gedaan waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt als bedoeld in artikel 3:317 BW Pro, is tijdig gestuit. Daardoor is de vordering niet verjaard. De vordering onder II wordt daarom toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente (vordering IV).
Vordering III:
primair: artikel 3.3. van de vaststellingsovereenkomst
4.10.
Partijen hebben in artikel 3.3 van de vaststellingsovereenkomst een meerwaardeclausule opgenomen inhoudende dat indien het perceel [adres 2] en/of het perceel [adres 1] door A-Garage vóór 1 november 2024 wordt respectievelijk worden vervreemd, in economische eigendom wordt/worden overgedragen of daarop zakelijke genotsrechten wordt/worden gevestigd tegen betaling van een bedrag van meer dan € 200.000,00 ( [adres 2] ) dan wel € 340.000,00 ( [adres 1] ), A-Garage aan [eiser] 37,5% van het meerdere moet voldoen (tot een maximum van € 150.000,00).
4.11.
Partijen zijn, zoals hiervoor in r.o. 4.1. is overwogen, het erover eens dat A-Garage op grond van dit artikel een bedrag van € 18.750,00 aan [eiser] moet voldoen ter zake van de vervreemding van het perceel [adres 2] .
4.12.
Tussen A-Garage en [eiser] is in geschil of A-Garage aan [eiser] eveneens een bedrag verschuldigd is vanwege de verkoop van perceel [adres 1] . Op 26 september 2018 is tussen A-Garage enerzijds en [koper 2] en [koper 1] anderzijds een koopovereenkomst gesloten, inhoudende dat [koper 2] en [koper 1] het pand aan de [adres 1] zouden kopen tegen betaling van een bedrag van € 1.250.000,00. [eiser] stelt dat de vergoeding van A-Garage aan [eiser] op grond van artikel 3.3. van de vaststellingsovereenkomst daarom € 341.250,00 [3] bedraagt. Aangezien in artikel 3.4. van dezelfde overeenkomst de totale vergoeding als bedoeld in artikel 3.3. (dus zowel ten aanzien van het perceel de [adres 2] als het perceel [adres 1] ) is gemaximeerd, vordert [eiser] een bedrag van € 214.739,75. [4] A-Garage betwist dit bedrag aan [eiser] te moeten voldoen. Zij voert daartoe aan dat [koper 2] en [koper 1] bij brief van 16 maart 2021 hebben aangegeven de koopovereenkomst te willen beëindigen, waarmee A-Garage akkoord is gedaan. Om die reden is het perceel [adres 1] nooit geleverd en is geen sprake van ‘vervreemding’ als bedoeld in artikel 3.3. Volgens [eiser] is met ‘vervreemden’ niet de (ver)koop én levering bedoeld, maar slechts de (ver)koop. In zoverre verschillen partijen van mening over de uitleg van (dit deel van) het artikel.
4.13.
De rechtbank stelt voorop dat de vraag wat partijen ten aanzien van verschuldigdheid van de meerwaarde zijn overeengekomen niet alleen kan worden beantwoord op grond van de zuivere taalkundige uitleg van artikel 3.3 van de vaststellingsovereenkomst, maar dat ook van belang is welke zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en wat zij van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan ook betekenis kan worden toegekend aan latere gedragingen van partijen. [5]
4.14.
De rechtbank is, met in achtneming van deze maatstaf, met A-Garage van oordeel dat onder ‘vervreemding’ moet worden begrepen dat de percelen worden overgedragen aan een derde. Aangezien voor overdracht op grond van artikel 3:84 BW Pro van een (onroerende) zaak levering is vereist, behelst ‘vervreemden’ in de zin van artikel 3.3 van de vaststellingsovereenkomst de (ver)koop én levering van de percelen. Dit oordeel is onder meer gebaseerd op de constatering dat in artikel 3.6 van de vaststellingsovereenkomst – kort gezegd – is bepaald dat voor zover A-Garage een bedrag op grond van artikel 3.3 aan [eiser] verschuldigd is, [eiser] dat bedrag niet kan opeisen in het geval voor A-Garage uit de transactie onvoldoende liquiditeit resteert, vanwege uitoefening van de rechten door de eerste hypotheekhouder. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank bedoeld – en daar zijn partijen het ook over eens – dat van de koopsom die voor het perceel [adres 1] zou worden betaald eerst een (eventuele) vordering van de eerste hypotheekhouder moet worden voldaan en voor zover het restant van de verkoopopbrengst onvoldoende liquiditeit voor A-Garage oplevert, [eiser] zijn vordering niet kan opeisen. De betaling van de meerwaarde aan [eiser] is dus afhankelijk gesteld van de hoogte van de (liquide) verkoopopbrengst. Daaruit volgt al dat met ‘vervreemden’ de (ver)koop én levering is bedoeld, aangezien de verkoopopbrengst pas bij levering van de percelen wordt verkregen.
4.15.
Deze uitleg sluit ook aan bij de afspraken die partijen tijdens een kort geding op
22 mei 2018 hebben gemaakt over vordering van [eiser] ter zake van perceel [adres 1] . Dat kort geding vond plaats omdat A-Garage het perceel [adres 2] had verkocht aan [koper 1] en [koper 2] , maar levering niet mogelijk was vanwege het beslag dat [eiser] op dat perceel had gelegd. Op dat moment was al bekend dat het perceel [adres 1] (hoogstwaarschijnlijk) ook zou worden verkocht aan [koper 1] en [koper 2] . Uit het proces-verbaal dat in dat verband is opgemaakt volgt dat partijen het tijdens die mondelinge behandeling erover eens zijn geworden dat de vordering van [eiser] op grond van artikel 3.3. (de meerwaardeclausule) tot en met 2018 € 170.000,00 bedroeg. Dit bedrag had, daar zijn partijen het ook over eens, zowel betrekking op de meerwaarde ten aanzien van perceel [adres 2] als perceel [adres 1] . Verder is in dat proces-verbaal bepaald dat A-Garage de vordering uit hoofde van de meerwaardeclausule aan [eiser] verschuldigd is
op het moment van de leveringvan het onroerend goed aan de [adres 1] , vermeerderd met de indexering vanaf medio maart 2018. De betaling vindt plaats
gelijktijdig aan de levering van dit onroerend goed. Anders dan [eiser] stelt, zijn partijen daarmee naar oordeel van de rechtbank niet alleen overeengekomen wanneer het bedrag moet worden voldaan (bij levering), maar ook wanneer het bedrag verschuldigd is (ook bij levering). Tot slot staat niet ter discussie dat ook uit de
e-mails van mr. Tiddens uit september en oktober 2018, waar [eiser] naar verwijst, volgt dat partijen overeenstemming hadden over de hoogte van de vordering ter zake van de meerwaardeclausule van [eiser] (€ 170.000,00), maar nergens volgt uit dat partijen afstand hebben genomen van de gemaakte afspraak dat dit bedrag (pas) verschuldigd zou zijn bij levering van het perceel [adres 1] en op dat moment moet worden voldaan.
4.16.
De uitleg die [eiser] aan de bepaling geeft, te weten dat met vervreemding (slechts) het sluiten van de koopovereenkomst is bedoeld, acht de rechtbank ook overigens onbegrijpelijk en niet redelijk. Partijen hebben kennelijk een meerwaardeclausule in de vaststellingsovereenkomst opgenomen omdat zij het redelijk vonden om [eiser] te laten delen in de winst die eventueel zou ontstaan doordat A-Garage in de 15 jaren na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst de percelen zou verkopen. Indien van de uitleg wordt uitgegaan die [eiser] voorstaat, zou A-Garage al een bedrag aan [eiser] verschuldigd zijn vanwege de verkoop terwijl zij de koopsom nog niet heeft ontvangen. In zoverre zou A-Garage al ‘de winst’ met [eiser] moeten delen alvorens daarvan daadwerkelijk sprake was. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat partijen dat hebben bedoeld, althans dat A-Garage de afspraak zo moet hebben begrepen, aangezien A-Garage daarmee een behoorlijk (financieel) risico zou lopen. A-Garage ontvangt immers geen koopsom op het moment dat levering – om welke reden dan ook – uiteindelijk niet doorgaat (terwijl zij de helft van de meerwaarde die met levering gerealiseerd zou worden dan wel aan [eiser] verschuldigd zou zijn).
4.17.
[eiser] stelt vervolgens dat [koper 2] en [koper 1] economisch eigenaar zijn en
A-Garage ook om die reden op grond van artikel 3.3 een vergoeding aan hem verschuldigd is. Dat betwist A-Garage. De rechtbank stelt voorop dat iemand als economisch eigenaar van een zaak kan worden aangemerkt, waarbij de eigendom van die zaak naar burgerlijk recht aan een ander toebehoort, indien economisch het belang bij die zaak geheel aan hem toekomt, hetgeen insluit dat het risico van de waardeveranderingen en het eventuele tenietgaan van de zaak ten volle door hem wordt gedragen. [6]
4.18.
[eiser] heeft bij conclusie van repliek omstandigheden opgesomd op grond waarvan volgens hem de rechtbank tot het oordeel zou moeten komen dat [koper 2] en [koper 1] het economische eigendom hebben verkregen. Die omstandigheden hebben allemaal betrekking op de stelling van [eiser] dat het nog steeds de intentie van A-Garage is dat [koper 2] en [koper 1] het juridische eigendom verkrijgen. [koper 2] en [koper 1] zouden het plan hebben om aan de [adres 1] een appartementencomplex te bouwen, waarvan het perceel [adres 1] onderdeel uitmaakt. De rechtbank overweegt dat voor zover dat het geval is, dat nog niet betekent dat [koper 2] en [koper 1] op dit moment economisch eigenaar zijn van perceel [adres 1] . Daarvoor is nodig dat, zoals hiervoor is overwogen, het economisch belang bij perceel [adres 1] aan [koper 2] en [koper 1] toekomt en het risico van waardeveranderingen en het tenietgaan van de zaak door [koper 2] en [koper 1] wordt gedragen. [eiser] heeft niet onderbouwd dat daarvan sprake is.
4.19.
Nu perceel [adres 1] niet is vervreemd (als bedoeld in de vaststellingsovereenkomst) en ook het economisch eigendom daarvan niet is overgedragen, is A-Garage op grond van artikel 3.3. van de vaststellingsovereenkomst geen vergoeding aan [eiser] verschuldigd. De vraag of de beëindiging van de de koopovereenkomst een schijnhandeling betreft, zoals [eiser] stelt, kan onbeantwoord blijven. Voor zover dat het geval is, blijft de koopovereenkomst in stand. In dat geval is echter nog steeds geen sprake van levering, zodat ook dan op de voet van artikel 3.3 geen vergoeding verschuldigd is voor perceel [adres 1] .
subsidiair: onrechtmatige daad
4.20.
[eiser] stelt subsidiair dat A-Garage onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, waardoor hij schade heeft geleden. Die schade begroot [eiser] op het bedrag dat hij op grond van artikel 3.3 en artikel 3.4. van de vaststellingsovereenkomst zou hebben verkregen indien het perceel [adres 1] aan [koper 2] en [koper 1] zou zijn geleverd. De rechtbank begrijpt dat [eiser] stelt dat het onrechtmatige handelen van A-Garage uit het volgende bestaat:
A-Garage had afdoende rekening moeten houden met het belang van [eiser] bij levering van het perceel [adres 1] , gelet op de afspraak die partijen ten aanzien van de vergoeding op grond van de meerwaardeclausule hebben gemaakt (artikel 3.3. van de vaststellingsovereenkomst, het proces-verbaal van 22 mei 2018 en de e-mails van mr. Tiddens van 24 september 2018 en 3 oktober 2018). Dat heeft A-Garage niet, althans onvoldoende gedaan, nu zij – naar zij stelt – er onverplicht mee heeft ingestemd dat de met [koper 2] en [koper 1] gesloten koopovereenkomst zou komen te vervallen, althans [koper 2] en [koper 1] niet heeft aangesproken tot naleving van de verplichting om levering plaats te laten vinden;
A-Garage, [koper 2] en [koper 1] zijn overeengekomen om de levering van het perceel [adres 1] uit te stellen tot ná 1 november 2024, met als doel dat A-Garage geen vergoeding aan [eiser] verschuldigd is ter zake van de verkoop van perceel [adres 1] .
Volgens [eiser] heeft A-Garage hierdoor in strijd gehandeld met hetgeen in het maatschappelijk verkeert betaamt. A-Garage betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld.
moest A-Garage rekening houden met het belang van [eiser] ?
4.21.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze stellingen het volgende voorop.
4.22.
Als uitgangspunt geldt dat een overeenkomst alleen de partijen bij die overeenkomst bindt, zodat derden daaraan in beginsel geen rechten kunnen ontlenen. Onder omstandigheden doen zich echter uitzonderingen voor op dit uitgangspunt. Zo geldt dat wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden, die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, het diegene niet onder alle omstandigheden vrij staat de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben. [7] Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen zulks meebrengen, zal de rechter de terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling. [8]
4.23.
Vervolgens is eveneens van belang dat de Hoge Raad expliciet heeft geoordeeld dat genoemd beoordelingskader niet enkel van toepassing is in gevallen waarin sprake is van een tekortschieten in een overeenkomst. Bepalend is steeds of de aangesproken partij haar verklaringen en gedragingen ter zake van de overeenkomst waarbij zij partij is mede diende te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde, en dus is niet mede vereist dat de aangesproken partij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is en waarmee de belangen van die derde verbonden zijn. [9]
4.24.
De rechtbank heeft aldus te beoordelen of in dit geval sprake is van een geval is dat binnen het aldus geschetste kader valt. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.
4.25.
In de eerste plaats stelt de rechtbank ten aanzien van de hoedanigheid van partijen en aard van de voorliggende contractuele relaties vast dat deze niet los kunnen worden gezien van de familieband tussen [eiser] en [commercieel directeur] , destijds bestuurder van
A-Garage. De in de vaststellingsovereenkomst tussen de broers gemaakte afspraken strekten er feitelijk toe om te komen tot een verdeling van het vermogen van hun ouders, in het bijzonder de door hun vader opgerichte onderneming. Beide broers waren na het overlijden van vader enige tijd samen bestuurder, maar raakten gebrouilleerd. Het was tegen die achtergrond dat afgesproken werd dat [eiser] het bedrijf zou verlaten, maar onder voorwaarden bijvoorbeeld wel aanspraak zou kunnen maken op een met het vastgoed gerealiseerde overwaarde. Dit maakt dat [eiser] ten opzichte van A-Garage niet zomaar een willekeurige derde was, maar iemand wiens positie en belangen nauw betrokken waren bij die van de onderneming.
4.26.
[eiser] was geen partij bij de tussen A-Garage enerzijds en [koper 2] en [koper 1] anderzijds gesloten koopovereenkomst ten aanzien van het pand aan de [adres 1] . Hij had er evident wel een groot en nauw verbonden belang bij dat de koopovereenkomst tussen A-Garage, [koper 2] en [koper 1] in stand zou blijven en zou worden nageleefd. Indien A-Garage het pand vóór 1 november 2024 aan [koper 2] en [koper 1] had geleverd tegen betaling van de overeengekomen koopsom van € 1.250.000,00, zou [eiser] immers op grond van de vaststellingsovereenkomst op grond van dat enkele feit recht hebben op een zeer substantiële vergoeding ter zake van de gerealiseerde meerwaarde.
4.27.
Vaststaat dat levering voor genoemde datum niet heeft plaatsgevonden, en uit hetgeen de rechtbank hiervoor over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst heeft geoordeeld volgt dat [eiser] (daardoor) geen contractuele aanspraak kan maken op effectuering van de in de overeenkomst opgenomen meerwaardeclausule. Daarmee staat ook vast dat het feit dat de in de koopovereenkomst overeengekomen levering niet heeft plaatsgevonden aan de zijde van [eiser] tot substantieel nadeel heeft geleid. Vast staat ook dat aan hem geen vergoeding terzake dit nadeel is aangeboden, en dat niet is gebleken van mogelijkheden die [eiser] had om zich tegen dit nadeel in te dekken.
4.28.
Dat A-Garage zich terdege bewust was van de belangen van [eiser] wordt bevestigd door de afspraken die partijen rond het sluiten van de koopovereenkomst over de vergoeding ter zake van de meerwaardeclausule hebben gemaakt. A-Garage is in mei 2018 een kort geding tegen [eiser] gestart omdat [eiser] beslag had gelegd op het perceel [adres 2] en A-Garage dit pand wilde (en moest) leveren aan [koper 2] en [koper 1] . Tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 22 mei 2018 zijn partijen overeengekomen dat A-Garage een bedrag van € 170.000,00 aan [eiser] zou betalen ter zake van de meerwaardeclausule. Deze vergoeding had betrekking op de verkoop van het perceel [adres 2] en het perceel [adres 1] . Dat laatste perceel was destijds nog niet verkocht, maar verwacht werd dat die (ver)koop doorgang zou vinden. A-Garage wist destijds dus dat zij [eiser] een vergoeding van
€ 170.000,00 zou moeten betalen voor (onder meer) de verkoop van de [adres 1] bij levering van dat perceel. De afspraak is bij e-mails van mr. Tiddens van 24 september 2018 en 3 oktober 2018 bevestigd.
4.29.
Naar oordeel van de rechtbank is eveneens afdoende komen vast te staan dat [eiser] er op mocht vertrouwen dat A-Garage zijn belang bij levering van het pand aan de [adres 1] zou betrekken bij haar handelen. De rechtbank leidt uit de overgelegde stukken en gang van zaken af dat in de weken voorafgaand aan en direct na 1 oktober 2018 uitgebreid contact heeft plaatsgehad tussen partijen. Daarbij gold tussen partijen – voor zover kenbaar – als vaststaand dat levering daadwerkelijk plaats zou hebben. Partijen bereikten vooruitlopend op die levering immers reeds overeenstemming over het concrete bedrag dat aan [eiser] toe zou komen, en de wijze waarop dat zou worden voldaan. Op geen enkele manier is gebleken dat zij daarbij rekening hielden met de mogelijkheid dat levering geen doorgang zou vinden. Na 1 oktober hield de raadsman van A-Garage de raadsman van [eiser] op de hoogte van ontwikkelingen rondom de datum van levering. Op 15 oktober 2018 schreef hij dat nog niet duidelijk was wanneer levering plaats zou hebben, maar ‘
zodra deze duidelijkheid is verkregen zal ik u dat laten weten’, en op 20 november 2018: ‘
Zoals u bemerkt hebt, heeft de levering van de [adres 1] enige vertraging opgelopen. Dit vanwege omstandigheden die zijn gelegen aan de zijde van de kopers. Naar het zich laat aanzien zal de levering thans per (omstreeks) 1 januari as. plaatshebben’.
4.30.
De rechtbank kan aan dit geheel geen andere conclusie ontlenen dan dat A-Garage jegens [eiser] in de relevante periode structureel de indruk heeft gewekt dat levering daadwerkelijk plaats zou hebben, dat A-Garage zich bewust was van het belang dat [eiser] daarbij had, dat A-Garage zonder meer bereid was afspraken te maken over de omvang van zijn vordering en hem op de hoogte hield van relevante ontwikkelingen. Daaraan mocht [eiser] vertrouwen ontlenen dat A-Garage zijn belang bij daadwerkelijke levering zou betrekken bij haar handelen rondom de koopovereenkomst.
4.31.
Dit geheel in ogenschouw nemende, en toetsend aan het onder ro. 4.22 en 4.23 geschetste kader, is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [eiser] in ieder geval vanaf 1 oktober 2018 zo nauw verbonden waren met de tussen A-Garage en [koper 2] en [koper 1] gesloten koopovereenkomst, dat A-Garage gehouden was haar handelen rondom die overeenkomst mede door de belangen van [eiser] te laten bepalen. Dit betekent ook dat voor zover vast zou komen te staan dat A-Garage dit niet of onvoldoende heeft gedaan, dat een onrechtmatige daad jegens [eiser] oplevert.
4.32.
Daaraan doet niet af de omstandigheid dat in de vaststellingsovereenkomst geen verplichting voor A-Garage was opgenomen om het perceel [adres 1] vóór
1 november 2024 te verkopen, en evenmin een inspanningsverplichting daartoe was opgenomen. Dat feit zegt naar oordeel van de rechtbank wellicht iets over de vraag in hoeverre de belangen van [eiser] betrokken moesten worden bij de vraag om al dan niet tot verkoop over te gaan, maar doet er niet aan af dat er een andere situatie ontstond toen er eenmaal een daadwerkelijke koopovereenkomst was gesloten, waarbij A-Garage zich jegens de kopers verplichtte over te gaan tot levering, en het belang van [eiser] daarmee wél kwam te liggen bij uitvoering van een concrete op -Garage rustende verplichting.
heeft A-Garage afdoende rekening houden met het belang van [eiser] ?
4.33.
De rechtbank komt daarmee toe aan beoordeling van de vraag op welke wijze A-Garage invulling heeft gegeven aan deze verplichting, meer concreet beantwoording van de vraag of A-Garage bij haar handelen rondom de koopovereenkomst de belangen van [eiser] afdoende heeft betrokken, in het bijzonder het belang van [eiser] dat er daadwerkelijk geleverd zou worden.
4.34.
Vaststaat dat levering niet plaats heeft gehad. A-Garage heeft aangevoerd dat dit is omdat zij op enig moment heeft ingestemd met een voorstel van de kopers om de koopovereenkomst ‘met wederzijds goedvinden te beëindigen’. [eiser] heeft dit betwist, volgens hem is hier sprake van een schijnhandeling, maar bij haar beoordeling zal de rechtbank (veronderstellenderwijs) uitgaan van de juistheid van de stelling van A-Garage.
4.35.
De rechtbank stelt bij de beoordeling vervolgens voorop dat het enkele feit dat A-Garage op enig moment heeft besloten in te stemmen met beëindiging van de koopovereenkomst op zichzelf nog niet hoeft te betekenen dat de belangen van [eiser] zijn veronachtzaamd. Er zijn omstandigheden denkbaar waarin deze keuze ook na meewegen van die belangen gerechtvaardigd was, ook al ondervindt [eiser] daar nadeel van.
4.36.
Het komt er naar oordeel van de rechtbank dan wel op aan dat A-Garage toelicht en waar nodig onderbouwt op welke wijze zij de belangen van [eiser] heeft meegewogen, en waarom zij meent desalniettemin te hebben mogen besluiten tot beëindiging van de koopovereenkomst.
4.37.
A-Garage heeft zelf aangevoerd dat de reden om in te stemmen met het voorstel van [koper 2] en [koper 1] de koopovereenkomst te beëindigen was gelegen in de omstandigheid dat zij niet anders kon, omdat in redelijkheid niet van A-Garage kon worden verwacht dat zij [koper 2] en [koper 1] hield aan de naleving van de koopovereenkomst. Daartoe voert A-Garage aan dat de financier van [koper 2] en [koper 1] enkel een financiering wilde verstrekken indien de verkoop van de [adres 1] tegelijkertijd met de levering van een ander perceel op 1 oktober 2018 plaatsvond. Aangezien levering van het perceel [adres 1] op 1 oktober 2018 niet kon plaatsvinden omdat het door [eiser] op dat perceel gelegde beslag op die datum nog niet was opgeheven, kon A-Garage [koper 2] en [koper 1] niet aanspreken op de afspraak om op 1 oktober 2018 te leveren en vond A-Garage dat zij vanwege deze aan haar toe te rekenen (door [eiser] veroorzaakte) omstandigheid geen andere keuze had dan te gaan met de beëindiging van de koopovereenkomst.
4.38.
De rechtbank acht deze stelling in de eerste plaats feitelijk ongeloofwaardig. [koper 2] en [koper 1] hebben volgens A-Garage bij brief van 16 maart 2021 te kennen gegeven dat zij van de koop af wilden zien. Indien [koper 2] en [koper 1] de koopovereenkomst wilden beëindigen omdat het perceel niet op 1 oktober 2018 kon worden geleverd vanwege het beslag dat [eiser] daarop had gelegd, had het voor de hand gelegen dat [koper 2] en [koper 1] A-Garage daar rond oktober 2018 over zouden hebben bericht en niet pas in maart 2021. A-Garage heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat zij tussen oktober 2018 en maart 2021 [koper 2] en [koper 1] niet heeft aangesproken op nakoming van de koopovereenkomst.
4.39.
Ook overigens roept de stelling dat de financier van kopers enkel en alleen wilde financieren wanneer op 1 oktober 2018 geleverd zou worden bijzonder veel vragen op, die niet van een antwoord zijn voorzien. De rechtbank wijst erop dat uit de e-mail van mr. Tiddens van 3 oktober 2018 blijkt dat mr. Kroon hem ‘
gistermiddag’ (dus 2 oktober) door A-Garage geaccepteerde voorwaarden had gesteld waaronder het beslag zou worden opgeheven. Dat betekent dat al vanaf 2 oktober 2018 het beslag in ieder geval niet meer aan levering in de weg stond, althans hoefde te staan. A-Garage heeft ook niet toegelicht waarom levering op 1 oktober 2018 voor de financier van [koper 2] en [koper 1] zó cruciaal was, dat levering letterlijk geen dag later kon plaatsvinden.
4.40.
Daar komt bij dat de hele verdere gang van zaken rondom de brief van 16 maart 2021 zoals A-Garage die stelt ook overigens bijzonder moeilijk in te passen lijkt te zijn in de verdere feiten zoals die vaststaan. Zo is de brief van [koper 2] en [koper 1] van 16 maart 2021 pas in november 2023 met [eiser] gedeeld. [eiser] wijst er terecht op dat in geen van de brieven die (de advocaat van) A-Garage aan [eiser] heeft gestuurd tussen
16 maart 2021 (datum brief van [koper 2] en [koper 1] ) en 21 november 2023 (datum brief van A-Garage aan [eiser] waarin is aangegeven dat [koper 2] en [koper 1] zich hadden teruggetrokken) melding is gemaakt van het feit dat [koper 2] en [koper 1] geen financiering konden verkrijgen vanwege het door [eiser] gelegde beslag en daarom is besloten om de koopovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen. In de brief van mr. Veldman van 6 februari 2023 is aangegeven dat levering nog niet had plaatsgevonden vanwege het beslag dat nog rustte op het perceel, terwijl op dat moment de koopovereenkomst volgens de stellingen van A-Garage in deze procedure al lang en breed met wederzijds goedvinden was beëindigd en levering dus helemaal niet meer aan de orde zou zijn. Daarnaast is de rechtbank met [eiser] van oordeel dat het opmerkelijk is dat A-Garage tijdens het deskundigenonderzoek in de verdelingsprocedure de informatie over de beëindiging van de koopovereenkomst in eerste instantie niet met de deskundige heeft gedeeld. [eiser] wijst op het verslag van de deskundigen van 13 oktober 2022, waaruit volgt dat de deskundigen vragen hebben gesteld aan A-Garage over de levering van het bedrijfspand en A-Garage op 13 oktober 2022 heeft geantwoord dat
‘het de bedoeling was om af te bouwen, maar zolang de verkoop niet is gerealiseerd de exploitatie doorging’. Daarnaast is in dat verslag te lezen: ‘
In 2018 kon de koper niet afnemen vanwege een beslaglegging. Dhr. [commercieel directeur] kan niet duidelijk aangeven waarom een transactie op waarderingsdatum (juni 2020) ook nog niet is gepasseerd.’Pas in reactie op het concept-deskundigenrapport van
21 november 2023 heeft A-Garage – zo staat tussen partijen vast – voor het eerst aangegeven dat de koopovereenkomst was beëindigd. A-Garage heeft tot 21 november 2023 steeds de indruk gewekt dat er zou worden geleverd en aan [eiser] de overeengekomen vergoeding van € 170.000,00 zou worden betaald.
4.41.
Geconfronteerd met al deze vragen en kennelijke ongerijmdheden heeft A-Garage geen afdoende verklaring kunnen geven. A-Garage heeft nog wel geopperd dat een verslechterde gezondheid van [commercieel directeur] in de jaren waar het hier over gaat mogelijk een rol heeft gespeeld. Die zou dan in algemene zin moeten verklaren, zo begrijpt de rechtbank, dat soms tegenstrijdige of onjuiste mededelingen zijn gedaan, en dat relevante stukken niet of pas jaren later zijn gedeeld. Maar ook dit is weinig concreet gemaakt, en ziet bovendien met name op de gang van zaken rondom de verdelingsprocedure. Niet is toegelicht op welke wijze deze gezondheidsproblemen hebben bijgedragen aan het besluit van A-Garage om in te stemmen met het voorstel om de koopovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen. Vervolgens heeft A-Garage erop gewezen dat haar huidige bestuurder zelf niet betrokken is geweest, en het om die reden ook voor haar moeilijk is om nu te achterhalen hoe zaken zijn gelopen. De rechtbank acht dit echter een omstandigheid die voor rekening en risico van A-Garage komt, en die niet afdoet aan haar verplichting om haar verweer waar nodig toe te lichten en te onderbouwen.
4.42.
Daar komt vervolgens in de tweede plaats nog bij dat zelfs al zou de stelling dat de financier van [koper 2] en [koper 1] ná 1 oktober 2018 niet meer wilde financieren feitelijk juist zijn, daarmee niet gezegd is dat A-Garage levering niet af had kunnen dwingen. Gesteld noch gebleken is dat in de koopovereenkomst een financieringsvoorbehoud was opgenomen, zodat de rechtbank aan heeft te nemen dat een omstandigheid als een afhakende financier in beginsel volledig in de risicosfeer van [koper 2] en [koper 1] viel. Dat afhaken doet onder die omstandigheden niet af aan het recht van A-Garage om nakoming van de in de koopovereenkomst vastgelegde leverings- en betalingsverplichting te vorderen.
4.43.
A-Garage heeft op dat laatste punt echter aangevoerd dat zij geen nakomingsvordering had, omdat de reden dat op 1 oktober 2018 niet was geleverd aan haar zijde was gelegen: zij kon toen immers niet leveren ten gevolge van het beslag van [eiser] . De rechtbank ziet – in ieder geval niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt – echter niet in waarom die omstandigheid zou maken dat A-Garage vanaf het moment dat overeenstemming was bereikt over opheffing van het beslag (op 2 oktober) niet alsnog kon vorderen dat zou worden nagekomen. Voor zover schuldeisersverzuim (waar A-Garage kennelijk op doelt) daar aanvankelijk al aan in de weg zou staan, kon zij dat moment vanaf dat moment immers zuiveren door aan te bieden zelf ook alsnog na te komen. Gesteld noch gebleken is dat de kopers op dat moment de ontbinding van de koopovereenkomst hadden ingeroepen, laat staan dat een dergelijk beroep rechtsgevolg had gehad.
4.44.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de centrale stelling van A-Garage, namelijk dat zij gedwongen was om in te stemmen met beëindiging van de koopovereenkomst omdat levering op 1 oktober 2018 niet mogelijk was ten gevolge van het door [eiser] beslag, zowel in feitelijke als inhoudelijke zin onvoldoende onderbouwd acht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om op dit punt gelegenheid te geven voor nadere bewijslevering: daarvoor zou allereerst nodig zijn dat de feitelijke stellingen beter onderbouwd waren. Maar ook al zou aan die voorwaarde zijn voldaan, en aanvullend geleverd bewijs de gestelde feitelijkheden ondersteunen, ook dan zou blijven staan dat de rechtbank van oordeel is dat niet duidelijk is gemaakt waarom een zich terugtrekkende financier in de weg zou hebben gestaan aan een vordering tot nakoming van A-Garage jegens kopers.
4.45.
Voor de beantwoording van de vraag óf en op welke wijze A-Garage zich bij de keuze om in te stemmen met beëindiging van de koopovereenkomst rekenschap heeft gegeven van de belangen van [eiser] betekent dit dat de rechtbank daarbij geen acht zal slaan op de stelling dat A-Garage ten gevolge van de beslaglegging door [eiser] niet anders kon dan instemmen.
4.46.
Van de zijde van [eiser] is aangevoerd dat de werkelijke reden om (voorlopig) af te zien van levering was gelegen in de wens hem dwars te zitten. De werkelijke bedoeling van het handelen van A-Garage en kopers zou zijn geweest om levering pas ná
1 november 2024 pas te laten vinden, om op die manier te voorkomen dat [eiser] aanspraak zou kunnen maken op een deel van de koopsom. Het spreekt voor zich dat wanneer deze stelling juist zou zijn, zonneklaar zou zijn dat A-Garage de belangen van [eiser] heeft veronachtzaamt, en daarmee onrechtmatige gehandeld. Echter, A-Garage heeft een dergelijke motivatie voor haar handelen uitdrukkelijk bestreden, zodat de rechtbank evenmin uit kan gaan van de juistheid van deze stelling.
4.47.
Vervolgens moet opgemerkt worden dat waar A-Garage in deze procedure consequent en uitsluitend de afhakende financier en het beslag als reden gaf voor de beëindiging van de koopovereenkomst, zij bij conclusie van dupliek (opeens) nog heeft aangevoerd dat het afblazen van de verkoop meerdere redenen had, waaronder (ook) de ontdekking van vervuilde grond en gemeentelijke ontwikkelingen (MER). A-Garage heeft deze opmerkelijke draai niet verder toegelicht, en bovendien is deze stelling tardief. Ook daar zal de rechtbank dus geen acht op slaan.
4.48.
Andere feiten of omstandigheden waaruit zou moeten (of kunnen volgen) dat A-Garage bij haar handelen de belangen van [eiser] heeft betrokken zijn gesteld noch gebleken.
4.49.
De slotsom dient daarmee te zijn dat, wanneer A-Garage wordt gevolgd in haar eigen stelling dat zij met [koper 2] en [koper 1] is overeenkomen de koopovereenkomst te ‘beëindigen’, vaststaat dat deze keuze voor [eiser] tot substantieel nadeel heeft geleid. Omstandigheden waaruit volgt dat A-Garage, het belang van [eiser] in afdoende mate meewegend, daartoe desalniettemin kon of moest overgaan zijn niet komen vast te staan. Sterker nog, dat A-Garage het belang van [eiser] op enige wijze heeft meegewogen bij haar handelen is op geen enkele manier gebleken.
4.50.
Daarmee is de conclusie dat A-Garage door in te stemmen met beëindiging van de koopovereenkomst haar gedrag onvoldoende heeft laten bepalen door het (bij haar bekende) belang van [eiser] bij naleving van de koopovereenkomst. Daarmee heeft zij onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld en dient zij de schade die [eiser] daardoor lijdt te vergoeden. De vraag of A-Garage, [koper 2] en [koper 1] zijn overeengekomen om de levering van het perceel [adres 1] uit te stellen tot ná
1 november 2024 met als doel dat A-Garage geen vergoeding aan [eiser] verschuldigd is ter zake van de verkoop van perceel [adres 1] (r.o. 4.20 onder 2) kan daarbij onbeantwoord blijven.
begroting van schade
4.51.
Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of [eiser] ten gevolge van dit onrechtmatig handelen schade heeft geleden. Deze schade moet worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen de huidige situatie en de hypothetische situatie waarin de onrechtmatige gedraging niet zou hebben plaatsgevonden. [eiser] stelt dat hij in dat laatste geval aanspraak zou kunnen maken op een bedrag van € 214.739,75 [10] , zoals bepaald in artikel 3.3. en artikel 3.4. van de vaststellingsovereenkomst. Dat wordt door A-Garage niet betwist. Nu op grond van artikel 3.1. van de vaststellingsovereenkomst al een bedrag van € 78.737,91 verschuldigd is – zo staat tussen partijen vast – en dit bedrag op grond van artikel 3.2. in mindering sterkt op de vergoeding als bedoeld in artikel 3.3. van de vaststellingsovereenkomst, is de rechtbank met [eiser] van oordeel dat zijn schade € 136.001,84 bedraagt. De rechtbank wijst de subsidiaire vordering onder III dan ook toe. De wettelijke rente is ook toewijsbaar (vordering IV).
Verweer tegen uitvoerbaar bij voorraad, proceskosten
4.52.
A-Garage heeft bij conclusie van antwoord verzocht om dit vonnis voor wat betreft de (eventuele) veroordelingen niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, dan wel te bepalen dat A-Garage de geldsommen pas over zes maanden aan [eiser] moet voldoen. Daartoe voert zij aan dat [eiser] vrij snel na het overlijden van [commercieel directeur] deze procedure is gestart en destijds nog geen nieuwe bestuurder was aangesteld.
4.53.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling omtrent het al dan niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis de belangen van partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven.
4.54.
De rechtbank zal voorbij gaan aan het verzoek van A-Garage. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de dochter van [commercieel directeur] inmiddels A-Garage bestuurt. De rechtbank ziet niet in welk belang A-Garage heeft bij het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen, anders dan het behoud van de bestaande toestand tot op een rechtsmiddel is beslist. Dat geldt ook voor een betalingstermijn. Het belang van A-Garage weegt niet zwaarder dan het belang dat [eiser] heeft om op dit moment dit vonnis ten uitvoer te leggen.
4.55.
A-Garage is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
139,42
- griffierecht
2.626,00
- salaris advocaat
8.142,00
(3,0 punten x € 2.714,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.096,42

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
veroordeelt A-Garage tot betaling aan [eiser] van een bedrag ter hoogte van € 1.500,00 krachtens het bepaalde in artikel 2.1 jo. artikel 2.2 van de vaststellingsovereenkomst d.d. 2 november 2009, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2024 tot de dag der algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt A-Garage tot betaling aan [eiser] van een bedrag ter hoogte van € 214.739,75, bestaande uit een bedrag van € 78.737,91 op grond van artikel 3.1 jo. artikel 3.2 jo. artikel 3.3. van de vaststellingsovereenkomst d.d. 2 november 2009 en € 136.001,84 op grond van onrechtmatige daad, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2024 tot de dag der algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt A-Garage in de proceskosten van € 11.096,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als A-Garage niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Huizinga en in het openbaar uitgesproken op
13 mei 2026.
710/mh

Voetnoten

1.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158
2.HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112 (https://www.inview.nl/document/id9d22a08e971b4317bea643dbd899618f) en HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741 (https://www.inview.nl/document/idb6f20f62553347078087cfcf46f3048a)
3.(€ 1.250.000,00 - € 340.000,00) x 37,5%
4.€ 150.000,00 vermeerderd met de consumenteprijsindex
5.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158
6.HR 24 december 1957, ECLI:NL:HR:1957:AY1099
7.HR 3 mei 1946, ECLI:NL:HR:1946:4
8.HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069
9.HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1355
10.€ 18.750,00 ter zake van de [adres 2] en € 341.250,00 ter zake van [adres 1] , gemaximeerd tot het bedrag van € 150.000,00 plus de consumentenprijsindex (artikel 3.4. van de vaststellingsovereenkomst)