Uitspraak
RECHTBANK Noord-Nederland
hierna te noemen: Open Line,
1.De procedure
- de producties van CGI, waaronder producties die niet kenbaar zijn voor Open Line;
- de conclusie van antwoord, waarbij een versie met passages die niet kenbaar zijn voor Open Line;
- de producties van de Gemeente, waaronder productie 10 die niet kenbaar is voor Open Line;
- de mondelinge behandeling van 21 april 2026;
- de pleitnota van CGI;
- de pleitnota van de Gemeente, waarbij een versie met passages die niet kenbaar zijn voor Open Line;
2.De feiten
Aangaande Governance is in punt SM-20 van het Programma van Eisen (PvE) opgenomen dat de inschrijver zich conformeert aan de werkwijze zoals uiteengezet in Bijlage Q – Governance, in welke bijlage onder meer wordt beschreven aan welke processen en vereisten Governance moet voldoen.
3.Het geschil
4.De beoordeling
Het kenmerkende verschil tussen voeging en tussenkomst is dat een gevoegde partij geen zelfstandige, eigen vordering jegens de anderen instelt en een tussenkomende partij wel.
De voorzieningenrechter overweegt dat een gevoegde partij in eerste aanleg als procespartij wordt aangemerkt en uit dien hoofde in beginsel het recht heeft een rechtsmiddel aan te wenden tegen een in die procedure gewezen vonnis, zodat dit evenmin reden is Open Line toe te laten om tussen te komen.
Tijdens de mondelinge behandeling is dat verder niet nodig gebleken.
De aanbestedende dienst dient zich in te spannen om aanbestedingsdocumenten duidelijk, precies en ondubbelzinnig te doen zijn, opdat enerzijds de inschrijvers de draagwijdte kunnen begrijpen en gelijk interpreteren, anderzijds de dienst in staat is de offertes naar behoren te beoordelen; een en ander is verwoord in het Succhi di Frutta-arrest [3] .
Uit het Grossmann-arrest en de mede daarop gebaseerde jurisprudentie volgt evenwel dat in het belang van een snelle en effectieve aanbestedingsprocedure, van een meedingende onderneming een pro-actieve houding mag worden verwacht: als deze inschrijver onduidelijkheden of onvolkomenheden in de aanbestedingsstukken signaleert in een stadium waarin deze nog ongedaan kunnen worden gemaakt, dient hij daarin in dat stadium tegen op te komen. Van een inschrijver mag worden verwacht dat hij bezwaar maakt tegen de procedure of de daarin te hanteren gunningscriteria op een moment dat deze zo nodig nog kunnen worden gecorrigeerd met zo gering mogelijke consequenties voor het verloop van de aanbestedingsprocedure.Met dit een en ander staan aanbestedende dienst en mededingende onderneming in een zodanige relatie met elkaar dat zij beide, in het eigen belang en dat van de ander, voortdurend gespitst moeten zijn op het zo mogelijk verhelpen van onvolkomenheden. De potentiële inschrijver kan niet volstaan met een verwijzing naar de verantwoordelijkheid van de dienst voor goede informatievoorziening; bij die inschrijver berust – uiteraard – niet de verantwoordelijkheid om de aanbestedingsdocumenten op te stellen, maar wel degelijk de mede-verantwoordelijkheid om deze voldoende duidelijk, precies en ondubbelzinnig te doen zijn, op straffe van het later niet meer ontvangen worden in klachten die voortvloeien uit eigen onwetendheid.
CGI heeft echter na de Nota’s van Inlichtingen en vóór de inschrijving geen aanvullende vragen gesteld, geen nadere bezwaren aangevoerd en geen kort geding aanhangig gemaakt. CGI heeft gesteld dat zij de kwestie heeft aangeroerd (‘
We moeten dit goed afstemmen’) tijdens de onderhandelingen met de Gemeente. Maar hierin is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen klacht te lezen. Evenmin is gesteld of gebleken dat CGI haar inschrijving onder protest en/of voorbehoud heeft gedaan.
de economisch meest gunstige aanbiedingeen ruime beoordelingsmarge hebben bij de vergelijking van ingediende offertes, mits deze beoordeling is gebaseerd op objectieve en transparante criteria, die expliciet en uitputtend in de aankondiging of het bestek dienen te worden vermeld.