Uitspraak
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Groningen, de inspecteur
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
- het schip wordt te allen tijde vaarklaar gehouden;
- er is continu een complete, gekwalificeerde bemanning aanwezig;
- alle certificering (als passagiersschip) wordt up-to-date gehouden;
- het schip heeft geen vaste ligplaats, maar steeds een voor zes maanden aangewezen – en dus tijdelijke – ligplaats;
- het schip ligt niet de gehele tijd stil: zo moeten de motoren bij harde wind in werking worden gesteld en heeft het schip haar ligplaats ook tijdens Sail Amsterdam verlaten. Daarnaast liggen andere schepen die varen ook regelmatig (langere) periodes stil, bijvoorbeeld om te laden en lossen.
47. Wat de onderhavige zaak betreft, artikel 14, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/96 bepaalt dat de lidstaten, op voorwaarden die zij vaststellen met het doel een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen, met name vrijstelling verlenen voor energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de vaart op wateren van de Unie en niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen.
Het eerste lid, onderdeel a, bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling van accijns kan worden verleend ter zake van de uitslag en de invoer van minerale oliën die worden gebruikt voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen. Deze vrijstelling is van toepassing voor minerale oliën die worden verbruikt aan boord van schepen die Nederland uitgaan dan wel aan boord van schepen die gebruik maken van de waterwegen in Nederland anders dan bij het uitgaan. Voor eerstbedoelde schepen wordt vrijstelling verleend ten einde het gebruik van minerale oliën buiten Nederland onbelast te laten plaatshebben. De vrijstelling voor de vaart in Nederland houdt verband met de volkenrechtelijke verplichtingen die voortvloeien uit de Herziene Rijnvaartakte van 1868 (Trb. 1955, 61) en de Overeenkomst van 16 mei 1952 betreffende het douane– en belasting regime voor gasolie die in de Rijnvaart als boordvoorraad wordt verbruikt (Trb. 104).