Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1792

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
LEE 25/485 en 486
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:16 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling overschrijding opbrengstlimiet riool- en afvalstoffenheffing gemeente Midden-Groningen

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 12 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen over de aanslagen rioolheffing 2024 en afvalstoffenheffing 2023. Eiser betoogde dat de opbrengstlimiet was overschreden en dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht had gegeven in de toerekening van overhead, personeelslasten en btw.

De heffingsambtenaar had uitgebreide specificaties en detailoverzichten overgelegd waaruit bleek hoe de kosten waren toegerekend aan de verschillende heffingen. De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar ruimschoots had voldaan aan zijn verplichting om inzicht te verschaffen in de raming van baten en lasten. Eiser had onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom er redelijke twijfel zou bestaan over de lastenposten.

De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad over de bewijslastverdeling bij overschrijding van de opbrengstlimiet. De bewijslast ligt bij eiser, die onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de opbrengstlimiet was overschreden. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard, de aanslagen bleven in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en handhaaft de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/485 en LEE 25/486

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 mei 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Vrolijk),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: [naam 1] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 december 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het jaar 2024 een aanslag rioolheffing, en voor het jaar 2023 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft nadere stukken overgelegd.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam 2] .

Feiten

2.1.
De aanslag rioolheffing is gebaseerd op de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing van de gemeente Midden-Groningen 2024.
2.2.
De aanslag afvalstoffenheffing is gebaseerd op de Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing van de gemeente Midden-Groningen 2023.
2.3.
Ter zake van de geraamde opbrengsten en kosten van de rioolheffing voor het jaar 2024 heeft de heffingsambtenaar onder meer de volgende gegevens overgelegd (bedragen in euro’s):
2.4.
Ten aanzien van de begrote salariskosten voor de rioolheffing heeft de heffingsambtenaar per team verdere specificaties overgelegd. Daarin zijn steeds de totale begrote loonkosten van die teams begroot op basis van de formatie van personeel. Vervolgens is per team per functiegroep aangegeven welk deel van de totale kosten zijn toegerekend aan de verschillende taakgebieden, waaronder de riolering.
2.5.
Ten aanzien van de aan de rioolheffing toegerekende btw heeft de heffingsambtenaar twee overzichten overgelegd waarin de btw is uitgesplitst op detailniveau. De btw op exploitatie is totaal € 534.111, en de btw op investeringen is € 880.904.
2.6.
Ter zake van de geraamde opbrengsten en kosten van de afvalstoffenheffing voor het jaar 2023 heeft de heffingsambtenaar onder meer de volgende gegevens overgelegd (bedragen in euro’s):
2.7.
Ten aanzien van de begrote salariskosten voor de rioolheffing heeft de heffingsambtenaar per team dat betrokken is bij de werkzaamheden waarvoor de rioolheffing wordt geheven specificaties overgelegd. Daarin zijn steeds de totale begrote loonkosten van die teams begroot op basis van de formatie van personeel. Vervolgens is aangegeven welk deel van de totale kosten van elk team zijn toegerekend aan de verschillende taakgebieden, waaronder de taakgebieden waarvoor de afvalstoffenheffing wordt geheven.
2.8.
Ten aanzien van de aan de afvalstoffenheffing toegerekende btw heeft de heffingsambtenaar twee overzichten overgelegd waarin de btw is uitgesplitst op detailniveau. De btw op exploitatie is totaal € 932.553, en de btw op investeringen is € 47.250.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing moeten worden vernietigd in verband met een overschrijding van de opbrengstlimiet. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat ter zake van de rioolheffing en de afvalstoffenheffing de opbrengstlimiet niet is overschreden
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is ten aanzien van de rioolheffing en de afvalstoffenheffing de opbrengstlimiet overschreden?
5. Eiser stelt ten aanzien van de rioolheffing en de afvalstoffenheffing dat sprake is van een opbrengstlimiet en dat deze is overschreden. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar ten aanzien van beide heffingen geen duidelijkheid heeft gegeven over hoe de toerekening van de posten overhead, personeelslasten en btw heeft plaatsgevonden over de verschillende heffingen. Door het ontbreken van stukken op grond waarvan controleerbaar is hoe de verdeling van de loonkosten over de heffingen heeft plaatsgevonden zijn deze posten niet controleerbaar. Volgens eiser is de heffingsambtenaar er daarom niet in geslaagd om de redelijke twijfel dat ten aanzien van deze posten sprake is van een last ter zake weg te nemen.
6. De heffingsambtenaar stelt dat met de in de bezwaarfase verstrekte gegevens en stukken en de toelichting in de uitspraak op bezwaar voldoende inzicht is verschaft in de ramingen, ook ten aanzien van de door eiser genoemde posten. De toerekening van de door eiser genoemde posten aan de verschillende heffingen volgt uit de overgelegde stukken. Volgens de heffingsambtenaar heeft eiser vervolgens niet voldoende gemotiveerd gesteld waarom ten aanzien van die posten redelijke twijfel bestaat dat sprake is van een last ter zake.
7. De rechtbank overweegt als volgt. Bij zowel de rioolheffing als de afvalstoffenheffing is sprake van een opbrengstlimiet en deze mag niet worden overschreden.
8. De Hoge Raad heeft in een aantal arresten uiteengezet welke bewijsregels van toepassing zijn bij de beoordeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden. [1] Die regels kunnen als volgt worden samengevat. Uitgangspunt is dat de bewijslast wat betreft de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding op eiser rust. Als eiser een overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde stelt, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar om inzicht te verschaffen in de raming van de baten en de lasten die in de begroting zijn opgenomen. Hierbij hoeft niet over alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht te bestaan. Van de heffingsambtenaar mag niet worden verlangd dat hij van alle in de verordening onderscheiden categorieën afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe de kosten ter zake daarvan zijn geraamd. Omdat op eiser de bewijslast rust van de feiten die een overschrijding van de opbrengstlimiet onderbouwen, moet eiser vervolgens voldoende gemotiveerd stellen waarom naar zijn oordeel over een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake. De heffingsambtenaar moet dan voor die posten verdere inlichtingen verschaffen. Aan die inlichtingen mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat de heffingsambtenaar naar vermogen duidelijk maakt op grond waarvan hij de stellingen van eiser betwist en waarom dus naar zijn oordeel de door eiser opgeworpen twijfel ongegrond is. Met naar vermogen wordt bedoeld de mate waarin de heffingsambtenaar daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is. Als eiser vervolgens stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, komt bewijslevering aan de orde en draagt eiser de bewijslast. Na de bewijslevering moet de rechtbank de rechtsvraag beantwoorden welke posten kunnen worden beschouwd als een last ter zake en in het licht daarvan beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden. Bij deze beoordeling moet de rechtbank uitgaan van de feiten die zij bewezen vindt.
9. Uit de begrotingsstukken (zie 2.3. en 2.6.) volgt dat de baten van de rioolheffing en de afvalstoffenheffing de lasten van die heffingen niet overtreffen. Op basis van de begrotingen dekt de rioolheffing 100% van de kosten, en de afvalstoffenheffing 77%. Uit de door de heffingsambtenaar overgelegde stukken is op te maken hoe de door eiser genoemde begrotingsposten (overhead, personeelslasten, en btw) opgebouwd zijn. Voor wat betreft de overhead is daarbij duidelijk dat de toerekening heeft plaatsgevonden op basis van de loonsommen per heffing. Voor wat betreft de begrote loonkosten is per heffing uitgesplitst hoe die kosten zijn geraamd. De heffingsambtenaar heeft daarbij ter zitting toegelicht dat dat is gedaan op basis van de formatie en de verwachte te bestede uren per taakgebied. In de detailoverzichten van de btw is voorts per heffing uitgesplitst wat er aan btw toegerekend is. Hiermee heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank (ruimschoots) voldaan aan zijn verplichting om inzicht te verschaffen in de raming van de baten en de lasten die in de begroting zijn opgenomen.
10. Gelet op het voorgaande is het dan aan eiser om voldoende gemotiveerd te stellen waarom ten aanzien van bepaalde posten in de begroting redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dat niet gedaan. De rechtbank motiveert dat oordeel als volgt.
11. Met wat eiser aanvoert stelt hij eigenlijk dat er ten aanzien van de posten overhead, persoonslasten en btw nog een stuk(je) onzekerheid zit in de omvang van die posten. Eiser stelt dus niet dat deze posten an sich geen last ter zake zijn, enkel dat dat mogelijk voor een deel zo is. Deze beroepsgrond treft geen doel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De rechtbank is van oordeel is dat de heffingsambtenaar voldaan heeft aan zijn verplichting om inzicht te verschaffen in de raming van de baten en de lasten die in de begroting zijn opgenomen (zie 9.). Daarbij is van belang dat, gelet op voorgenoemde arresten van de Hoge Raad, de bewijslast van de heffingsambtenaar niet zo ver gaat dat over alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht hoeft te bestaan. In dit geval kon de heffingsambtenaar voor het verlenen van inzicht in de ramingen daarom volstaan met de (vergaande) uitsplitsing van de salariskosten en btw, en de berekening voor de toerekening van de overhead, die hij gegeven heeft. Om vervolgens redelijke twijfel te laten ontstaan over die posten is meer vereist dan enkel stellen dat niet controleerbaar is hoe de precieze toerekening van kosten heeft plaatsgevonden. Eiser heeft dus niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast ten aanzien van feiten die een overschrijding van de opbrengstlimiet onderbouwen.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 12 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In onder andere de arresten van 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777 en 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:938.