ECLI:NL:RBNNE:2026:1806

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
24/1001
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet waardering onroerende zakenArt. 6:11 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijk verklaard beroep op WOZ-waarde wegens niet-tijdige indiening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Westerkwartier inzake de WOZ-waarde van een onroerende zaak. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €483.000 voor het belastingjaar 2023 en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Het beroepschrift werd digitaal ingediend op 16 januari 2024, één dag na het verstrijken van de beroepstermijn op 15 januari 2024. Eiser en zijn gemachtigde stelden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege drukte op kantoor en een onverwacht ziekenhuisbezoek van de echtgenote van de gemachtigde.

De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden geen grond voor verschoonbaarheid vormden. De keuze van de gemachtigde om het beroepschrift pas op de laatste dag op te stellen en na kantooruren in te dienen, bracht het risico van niet-tijdige indiening met zich mee. Dit risico komt voor rekening van eiser, aangezien het handelen van zijn professionele gemachtigde aan hem wordt toegerekend.

De rechtbank wees het verzoek tot heropening van het onderzoek af en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij de indiening van het beroepschrift.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/1001

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde eiser] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westerkwartier, de heffingsambtenaar

(gemachtigde [gemachtigde van de heffingsambtenaar] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 4 december 2023, dat eisers gemachtigde op 16 januari 2024 digitaal (via Digitale Toegang) heeft ingediend.
1.1.
Bij besluit van 24 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak (de WOZ-waarde), plaatselijk bekend als [adres] , per waardepeildatum 1 januari 2022, vastgesteld voor het belastingjaar 2023 op € 483.000.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar van 4 december 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Bij berichten van 21 april 2026 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat ter zitting eerst de ontvankelijkheid van het beroepschrift zal worden besproken. Ingeval van een ontvankelijk beroep zal de inhoudelijke behandeling op een nadere zitting plaatsvinden.
1.5.
Naar aanleiding van de berichten van de rechtbank (1.4.) hebben partijen hun standpunten, inclusief die ten aanzien van de ontvankelijkheid, met indiening van stukken nader toegelicht.
1.6.
Bij bericht van 22 april 2026 heeft de rechtbank partijen meegedeeld zij op het punt van de ontvankelijkheid voldoende is geïnformeerd.
1.7.
Onder verwijzing naar het onder 1.6. vermelde bericht heeft de rechtbank het ingediende stuk van eiser van 24 april 2024 niet tot de gedingstukken gerekend.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Met kennisgeving aan de rechtbank is van de zijde van eiser niemand verschenen. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen: haar gemachtigde, bijgestaan door [bijstand] .
1.9.
Eiser heeft op 30 april 2026 een nader stuk ingediend. Voor zover eiser met dit stuk heeft willen verzoeken om heropening van het onderzoek, wijst de rechtbank dit verzoek af. De rechtbank heeft in het stuk geen aanleiding gezien het onderzoek op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te heropenen. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek volledig geweest. Het stuk blijft daarom buiten beschouwing.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of het beroep van eiser ontvankelijk is. Zij doet dat aan de hand van de standpunten van partijen.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De rechtbank stelt op voorhand vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de beroepstermijn voor het indienen van een beroepschrift in dit geval eindigde op 15 januari 2024. Het op 16 januari 2024 digitaal ingediende beroep van eiser is aldus na afloop van buiten de beroepstermijn en daarom niet tijdig ingediend. Wat partijen in dit geval verdeeld houdt is de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. [1]
5. Eiser is van mening dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Zijn gemachtigde voert daartoe het volgende aan. Vanwege drukte op kantoor lukte het de gemachtigde niet om het, op 15 januari 2026 opgestelde, beroepschrift tijdens kantooruren digitaal in te dienen bij de rechtbank. Vanwege onverwacht ziekenhuisbezoek door zijn echtgenote ten behoeve van haar zieke dochter, is de gemachtigde van eiser uit het oog verloren om het beroepschrift vanuit huis alsnog in te dienen. Onder verwijzing naar de voorgenomen Wet versterking waarborgfunctie Awb, waarbij (onder meer) gemeld artikel 6:11 wordt Pro verruimd en mede in verband met de conclusie van de Advocaat-Generaal van
het College van Beroep voor het bedrijfsleven [2] , is de gemachtigde van eiser van mening dat de situatie aangemerkt kan worden als een bijzondere persoonlijke omstandigheid, waardoor niet-ontvankelijkheid achterwege dient te blijven.
6. De rechtbank overweegt dat in de door eiser aangehaalde conclusie de Advocaat-Generaal onder 1.4. heeft overwogen:
Als de burger zich laat vertegenwoordigen door een professionele rechtshulpverlener of een andere deskundige adviseur, komt het procesrechtelijke handelen van deze persoon, en dus ook een eventuele termijnoverschrijding, voor rekening van de burger die de persoon heeft ingeschakeld. Wel zouden bezwareninstanties en rechters ernstige ziekte van zo’n gemachtigde of andere ingrijpende gebeurtenissen die zich op een laat moment in de procedure manifesteren, vaker als grond voor verschoonbaarheid moeten aanmerken. Dat geldt voor rechtshulpverleners en adviseurs die werkzaam zijn als eenmansbedrijf of bij een klein kantoor, maar onder omstandigheden ook voor medewerkers van een groot kantoor.
7. Wat betreft de conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven, overweegt de rechtbank dat deze stelt dat een termijnoverschrijding door een gemachtigde in beginsel onverschoonbaar is.
8. De rechtbank overweegt verder dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) op 30 januari 2024 uitspraak heeft gedaan in de zaken waarin Advocaat-Generaal Widdershoven heeft geconcludeerd. [3] Het College is van oordeel dat bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden. Bij de beoordeling moet volgens het College een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering worden toegepast. Dat neemt echter niet weg dat een minder strikte benadering bij de handhaving van bezwaar- en beroepstermijnen maar zeer beperkt toelaatbaar is.
9. De rechtbank overweegt dat in dit geval de professioneel gemachtigde van eiser het beroepschrift van eiser pas op de laatste dag van de beroepstermijn heeft opgesteld en vanwege drukte op kantoor niet tijdens kantooruren heeft verzonden. De rechtbank is van oordeel dat dit geen omstandigheden zijn die als grond voor verschoonbaarheid kunnen worden aangemerkt. De keus van de gemachtigde om pas op de laatste dag van de beroepstermijn een beroepschrift op te stellen, in plaats van al eerder een pro/forma beroepschrift in te dienen of een kantoorgenoot te vragen dit te doen, dient voor zijn rekening te komen. De gemachtigde heeft daarmee bewust het risico aanvaard en gelopen dat bij de geringste tegenslag op kantoor het beroepschrift niet tijdig zou kunnen worden ingediend.
10. De professioneel gemachtigde heeft uiteindelijk de keuze gemaakt om het beroepschrift van eiser na kantooruren thuis in te dienen en daarmee heeft hij het risico genomen dat het, vanwege onverhoopte omstandigheden, niet meer zou lukken om tijdig (digitaal) een beroepschrift in te dienen. De consequenties van deze handelwijze van de gemachtigde, die zich in dit geval hebben geopenbaard, blijven daarom voor zijn rekening en dienen aan eiser te worden toegerekend.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank zal het onderzoek niet heropenen voor een inhoudelijke behandeling. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Haanstra, griffier.
w.g. griffier
w.g. rechter
Uitgesproken op 7 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
3.Onder andere College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:34.