Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1807

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
25/374
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 234 GemeentewetArt. 2 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingArt. 3 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingArt. 9 Verordening Parkeerbelastingen Leeuwarden 2024Art. 6:22 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling kosten naheffingsaanslag parkeerbelasting zonder voorafgaande kostenraming

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 12 mei 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan eiser wegens het niet betalen van parkeerbelasting op 17 juli 2024. De heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag op van €77,90, waarvan €76,70 aan kosten. Eiser betwistte alleen de kostenpost en stelde dat deze niet in rekening mocht worden gebracht omdat de kostenraming achteraf was opgesteld.

De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar in bezwaar en beroep verschillende onderbouwingen van de kostenraming had overgelegd, waarbij de juiste raming voor 2024 pas in de beroepsfase werd gepresenteerd. De rechtbank oordeelde dat het niet verplicht is jaarlijks een nieuwe kostenraming vast te stellen en dat de bewijslast bij de heffingsambtenaar ligt om aan te tonen dat het kostenbedrag niet hoger is dan de geraamde kosten voor het betreffende jaar.

Hoewel de motivering in de uitspraak op bezwaar gebrekkig was omdat de onderbouwing over 2023 niet volstond, werd dit gebrek gepasseerd omdat eiser in beroep alsnog een juiste onderbouwing ontving en daardoor niet werd geschaad. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de naheffingsaanslag en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser vanwege de onhandige gang van zaken.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting inclusief kosten van €76,70 wordt gehandhaafd, het beroep is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/374

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Leeuwarden, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 16 december 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft eiser op 14 september 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 77,90 (€ 1,20 naheffing parkeerbelasting en € 76,70 kosten).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hij heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Eiser heeft op 6 januari 2026, voorafgaand aan de zitting van 7 januari 2026, nadere stukken overgelegd en vanwege de weersomstandigheden gevraagd om een digitale zitting.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft hier niet aan deelgenomen (1.4.). Namens de heffingsambtenaar is [naam 1] verschenen.
Het onderzoek is ter zitting geschorst.
1.6.
Bij brief van 3 februari 2026 heeft de heffingsambtenaar gereageerd op de nadere stukken van eiser (1.4.).
1.7.
Eiser heeft voorafgaand aan de nadere zitting van 17 april 2026 een pleitnota overgelegd.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: een kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser: [naam 2] en namens de heffingsambtenaar: [naam 3] .
Feiten
2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
2.1.
De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag aan eiser opgelegd omdat zijn auto met kenteken [kenteken] op 17 juli 2024 op het Noordvliet in Leeuwarden stond geparkeerd terwijl daarvoor geen parkeerbelasting was betaald.
2.2.
Op het verzoek van eiser om een onderbouwing van de hoogte van de in rekening gebrachte kosten bij de naheffingsaanslag (1.1.) heeft de heffingsambtenaar in de bezwaarfase een onderbouwing overgelegd van die kosten in de zin van artikel 2, tweede lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelasting (6.2.) met betrekking tot 2023.
2.3.
In zijn verweerschrift heeft de heffingsambtenaar een onderbouwing overgelegd van de hoogte van de in rekening gebrachte kosten in de zin van artikel 2, tweede lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelasting (6.2.) met betrekking tot 2024.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de onder 1.1. vermelde naheffingsaanslag. Op de nadere zitting heeft eiser verklaard dat in verband met het niet betalen van de parkeerbelasting terecht het parkeertarief van € 1,20 is nageheven. In geschil is dus uitsluitend het antwoord op de vraag of terecht een bedrag van € 76,70 aan kosten in rekening is gebracht.
4. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht en tot het juiste bedrag, inclusief een bedrag van € 76,70 aan kosten, is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunten van partijen
5.1.
Eiser is van mening dat de heffingsambtenaar bij het opleggen van de naheffingsaanslag parkeerbelasting (in 2024) geen kosten in rekening mag brengen, omdat de raming na de vaststelling van het kostenbedrag is opgesteld. Dit kan volgens hem tot geen andere conclusie leiden dan dat geen kosten in rekening kunnen worden gebracht. Eiser heeft ter zitting bevestigd dat zijn standpunt dat de heffingsambtenaar de waarheidsplicht heeft geschonden een motiveringsgebrek in de uitspraak op bezwaar betreft. De heffingsambtenaar heeft in bezwaar en in beroep verschillende onderbouwingen voor de vaststelling van de kosten overgelegd. Eiser heeft ten slotte ter zitting verklaard dat de door de heffingsambtenaar bij het verweerschrift overgelegde raming een juiste onderbouwing van de in rekening gebrachte kosten is.
5.2.
De heffingsambtenaar is van mening dat het niet verplicht is om jaarlijks een nieuw kostenbesluit te nemen op basis van nieuwe ramingen en dat aan eiser bij het verweerschrift ten slotte een juiste nadere onderbouwing van de kosten van de naheffingsaanslag is overgelegd.
Wettelijk kader
6.
6.1.
In artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting kosten in rekening worden gebracht. Die kosten zijn onderdeel van de naheffingsaanslag. Het bedrag ervan dient op grond van artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet in de gemeentelijke belastingverordening te worden bepaald met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
6.2.
Artikel 2 van Pro het Besluit gemeentelijke parkeerbelasting (tekst 2024) luidt als volgt:

1. De gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, vijfde lid, van de wet kunnen ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen:
a. vaste informatieverwerkingskosten;
b. variabele informatieverwerkingskosten;
c. kosten van afschrijving;
d. kosten van interest;
e. personeelskosten;
f. overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.
2. Op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten stelt de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vast dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.
6.3.
Artikel 3, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelasting (tekst 2024) luidt:

Het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid, bedraagt met ingang van 1 januari 2024 ten hoogste € 76,70.
6.4.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Verordening Parkeerbelastingen Leeuwarden 2024, die op 13 november 2023 is vastgesteld, bedragen de kosten van de naheffingsaanslag voor de parkeerbelasting € 76,70.
Heeft de heffingsambtenaar terecht kosten in rekening gebracht?
7.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2002 (Zutphen-arrest) [1] is, voor zover relevant, het volgende over artikel 2, tweede lid, van het Besluit overwogen:

Die bepaling eist, anders dan het Hof daarin heeft gelezen, niet dat de gemeenteraad voor elk kalenderjaar daarna een nieuw kostenbesluit neemt op basis van nieuwe ramingen. Wel vloeit uit het Besluit voort dat het in enig jaar geldende kostenbedrag niet mag overtreffen het bedrag dat zou zijn berekend op basis van ramingen voor het desbetreffende jaar. Indien de gemeenteraad heeft nagelaten voor een bepaald jaar het kostenbedrag vast te stellen op basis van ramingen voor dat jaar, en de belastingplichtige zich beroept op zodanig nalaten, rust op de gemeente de bewijslast dat aan die eis is voldaan.
7.2.
De stelling van eiser dat een kostenraming niet achteraf kan worden opgemaakt heeft naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de hiervoor aangehaalde overweging uit het Zutphen-arrest, geen steun in het recht. Als het kostenbedrag voor 2024 niet is vastgesteld op basis van een raming, en zoals hier het geval is eiser zich daarop beroept, rust op de heffingsambtenaar de bewijslast dat het in 2024 geldende kostenbedrag niet mag overtreffen het bedrag dat zou zijn berekend op basis van ramingen voor het desbetreffende jaar. Nu eiser ter zitting niet meer heeft bestreden dat het kostenbedrag de geraamde kosten heeft overtroffen, heeft de heffingsambtenaar, naar het oordeel van de rechtbank, aan die bewijslast voldaan en zijn de kosten terecht in rekening gebracht.
Is het motiveringsbeginsel geschonden?
8.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een schending van het motiveringsbeginsel en overweegt daartoe als volgt. De heffingsambtenaar heeft in de fase van het bezwaar de onder 2.2. vermelde onderbouwing aan eiser overgelegd. Die onderbouwing is, naar het oordeel van de rechtbank, een onderdeel van de motivering in de uitspraak op bezwaar. Omdat die onderbouwing op 2023 ziet, kan deze motivering de beslissing niet dragen. Eiser was dus genoodzaakt om in beroep te gaan en eerst in die fase is de juiste onderbouwing, die ziet op 2024, overgelegd (2.3.).
8.2.
Met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht zal de rechtbank dit gebrek in de uitspraak op bezwaar passeren en het beroep toch ongegrond verklaren. Zij heeft vastgesteld dat eiser uiteindelijk geen nadeel heeft ondervonden door het gebrek in de motivering van de uitspraak op bezwaar. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de heffingsambtenaar in de loop van de beroepsprocedure alsnog een wél draagkrachtige motivering c.q. juiste toelichting heeft gegeven.
8.3.
De conclusie van de rechtbank is daarom dat eiser uiteindelijk niet is geschaad door de gebrekkige motivering in de uitspraak op bezwaar, omdat de heffingsambtenaar in beroep alsnog aan zijn bewijslast heeft voldaan.
8.4.
Dat neemt niet weg dat de gang van zaken voor eiser wel onhandig is geweest, zoals de heffingsambtenaar ter zitting ook heeft erkend. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank aanleiding gezien te bepalen dat de heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt en de heffingsambtenaar te veroordelen in de gemaakte proceskosten in beroep.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting ten bedrage van € 77,90 (inclusief aan € 76,70 kosten) in stand blijft.
10. Gelet op hetgeen is overwogen onder 8.4. moet de heffingsambtenaar het griffierecht ten bedrage van € 53 aan eiser vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De zitting waar eiser aan deel heeft genomen, betreft weliswaar een nadere zitting, maar omdat de rechtbank niet tijdig op het verzoek van eiser om een digitale eerste zitting heeft kunnen reageren, wordt hiervoor een vol punt gerekend in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Haanstra, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 12 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.