Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1854

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
25/2575
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10oa Besluit Tijdelijke wet GroningenArt. 4:81 AwbArt. 8:3 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toekenning schadevergoeding mijnbouwschade woning en schuur op basis van bewijsvermoeden

Eisers hebben een aanvraag ingediend voor vergoeding van schade aan hun woning en vrijstaande schuur als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen wees de aanvraag grotendeels af, met uitzondering van een beperkte vergoeding voor enkele schades aan de woning.

De rechtbank oordeelt dat het bewijsvermoeden terecht niet is toegepast op de schades aan de schuur, omdat deze buiten het effectgebied vallen en gebouwd zijn na 2012. Voor de schades 1 tot en met 4 aan de woning is het bewijsvermoeden niet weerlegd, waardoor eisers gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor deze schades en kent een vergoeding toe van €7.125,26 inclusief btw, met wettelijke rente vanaf de datum van schademelding. Het Instituut moet tevens het griffierecht vergoeden. De aanvullende voorwaarde van bouwjaar 2012 door het Instituut wordt als een redelijke en niet onredelijke beleidsregel beoordeeld.

Uitkomst: Het beroep is gegrond voor vier schades aan de woning met toekenning van vergoeding, terwijl schades aan de schuur buiten het bewijsvermoeden blijven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2575

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[naam] en [naam] , uit [woonplaats] , eisers

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut

(gemachtigden: mrs. I. Pijper en B.C. Rots).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag tot vergoeding van schade wegens mijnbouwactiviteiten aan de woning en de vrijstaande schuur van eisers. Eisers zijn het niet eens met deze beslissing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut het bewijsvermoeden terecht niet heeft toegepast op de schades aan de schuur. Het bewijsvermoeden met betrekking tot schades 1 tot en met 4, aan de woning, is niet weerlegd. Eisers krijgen dus gedeeltelijk gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 23 september 2023 een aanvraag ingediend voor een vergoeding van schade aan hun woning en vrijstaande schuur. Het Instituut heeft deze met het besluit van 6 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 juni 2025 op het bezwaar van eisers is het Instituut gedeeltelijk bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift, voorzien van een nader advies van deskundige D.H. Kiestra van deskundigenbureau 10BE. Op 4 februari 2026 hebben eisers hierop gereageerd met aanvullende beroepsgronden.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van het Instituut en deskundige Kiestra.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eisers zijn sinds 1999 eigenaar van de in 1930 gebouwde vrijstaande woning aan [adres] , te [woonplaats] . In 2014 is naast de woning een vrijstaande schuur gebouwd. Eisers hebben eerder in 2020 en 2021 schade aan hun woning en schuur gemeld. Naar aanleiding van deze schademeldingen hebben eisers op basis van vaststellingsovereenkomsten schadevergoedingen ontvangen voor zowel de woning als de schuur.
3.1.
Naar aanleiding van de schademelding op 23 september 2023, is er op 3 mei 2024 een schadeopname uitgevoerd. Vervolgens is op 12 november 2024 een adviesrapport opgeleverd door deskundige J. van Donselaar van deskundigenbureau CED. Hij komt ten aanzien van de schades aan de woning, schades 1 tot en met 7, tot de conclusie dat er andere oorzaken zijn aan te wijzen dan mijnbouwactiviteiten. Met betrekking tot de schades aan de schuur, schades 8 tot en met 26, komt hij tot de conclusie dat het bewijsvermoeden niet van toepassing is. Hij verwijst daarbij naar het bouwjaar van de schuur, 2014. Deskundige van Donselaar heeft het Instituut geadviseerd om eisers geen schadevergoeding toe te kennen.
3.2.
Vervolgens hebben eisers de gelegenheid gekregen om hun aanvraag op een andere manier dan via maatwerk af te handelen. In dit kader is door deskundigenbureau 10BE een calculatie opgesteld voor de schades waarop het bewijsvermoeden is toegepast, schades 1 tot en met 7. Eisers hebben gekozen om hun aanvraag via maatwerk af te handelen, waarbij zij hebben laten weten het niet eens te zijn met het adviesrapport van deskundige van Donselaar.
3.3.
Met het primaire besluit van 6 februari 2025 heeft het Instituut de aanvraag voor een vergoeding van schade van eisers afgewezen.
3.4.
Eisers hebben op 14 februari 2025 beroep ingesteld tegen het primaire besluit bij deze rechtbank. Op verzoek van het Instituut is het beroepschrift terugverwezen naar het Instituut, met daarbij het verzoek dit in behandeling te nemen als zijnde bezwaar.
3.5.
Het Instituut heeft deskundige H. Rocks van deskundigenbureau 10BE gevraagd om nader advies. Hij heeft dit gegeven in de vorm van het adviesrapport van 11 april 2025. Op 29 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Daarbij was ook deskundige Rocks aanwezig.
3.6.
Op 26 juni 2025 heeft het Instituut het bezwaar van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard en een vergoeding toegekend voor schades 5 tot en met 7 van € 9.126,57. Voor het overige is het Instituut bij de eerdere afwijzing gebleven.
Toetsingskader
4. Op grond van het bewijsvermoeden wordt vermoed, bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of de gasopslagen bij Norg of Grijpskerk zou kunnen zijn, dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk. [1]
4.1.
Artikel 10oa van het Besluit Tijdelijke wet Groningen (het Besluit) bepaalt dat het hiervoor genoemde bewijsvermoeden in ieder geval geldt in het gebied dat valt:
binnen de reikwijdte van de beweging van de bodem als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg of de Gasopslag bij Grijpskerk waar een minimale trilling van 2 millimeter per seconde met een overschrijdingskans van 1 procent is berekend; of
binnen 6 kilometer van de grens van het Groningenveld of gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
Schades 1 tot en met 4
5. Eisers menen dat het bewijsvermoeden niet is weerlegd voor schades 1 tot en me 4, waarbij eisers de door de deskundigen aangewezen andere oorzaak betwisten.
5.1.
Het Instituut heeft de rechtbank laten weten bij nader inzien tot het oordeel te zijn gekomen dat schades 1tot en met 4 alsnog voor vergoeding in aanmerking komen, omdat de autonome oorzaak van deze schades niet met voldoende zekerheid kan worden onderbouwd. Aan deskundige Kiestra is gevraagd om de calculaties die eerder zijn opgesteld voor schades 1 tot en met 4 opnieuw te beoordelen. Deskundige Kiestra heeft daarop in het nader advies van 23 december 2025 een schadevergoeding gecalculeerd van € 7.125,26 (incl. btw). Het Instituut verzoek de rechtbank dit bedrag toe te kennen en op dit punt zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit verzoek niet toe te kennen en zal conform het nader advies oordelen dat een schadevergoeding moet worden toegekend van
€ 7. 125,26 voor de schades 1 tot en met 4.
5.2.
Omdat de rechtbank van oordeel is dat voor de schades 1 tot en met 4 alsnog schade moet worden vergoed, is het beroep gegrond.
Schades 8 tot en met 26
6. Schades 8 tot en met 26 bestaan uit verschillende scheuren in het metselwerk van de binnengevels van de schuur. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of deze schades afgewezen kunnen worden op grond van het hierna nader te bespreken beleid van het Instituut, namelijk de (aanvullende) voorwaarde dat sprake moet zijn van een gebouw of werk met als grenswaarde een bouwjaar van 2012 of eerder.
6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat na de bouw van de schuur in 2014 op die locatie geen trillingssnelheid is opgetreden van 2 mm/s of hoger, als gevolg van aardbevingen door mijnbouwactiviteiten. De hoogst berekende trillingssnelheid vanaf 2014 is 1,47 mm/s geweest.
Standpunten eisers
7. Volgens eisers is het bewijsvermoeden ten onrechte niet toegepast op de schades aan de schuur, schades 8 tot en met 26. Eisers menen dat het Instituut met het stellen van de aanvullende voorwaarde die ziet op het bouwjaar, een beperkte en juridisch onjuiste uitleg hanteert van artikel 10oa van het Besluit. Eisers wijzen daarbij op de totstandkoming van laatstgenoemd artikel. In 2021 is het toepassingsgebied van het bewijsvermoeden beperkt, op basis van onderzoeken van TNO en TU Delft. Na kritiek hierop, hebben TNO en
TU Delft aanvullend onderzoek uitgevoerd. [2] Naar aanleiding hiervan en het amendement van Agnes Mulder c.s. [3] , wilde de wetgever de gebieden vastleggen waar het bewijsvermoeden van toepassing is. Dit om de positie van de schademelder te versterken en deze te beschermen tegen beleidsmatige willekeur en telkens veranderende wetenschappelijke inzichten. Om onuitlegbare verschillen te voorkomen is gekozen voor een geografische afbakening. Daarbij werd de oorspronkelijke afbakening van het effectgebied als uitgangspunt genomen en zo zijn met de invoering van artikel 10oa van het Besluit, de 6 km-gebieden weer opgenomen binnen het toepassingsgebied van het bewijsvermoeden. Met het invoeren van een aanvullende voorwaarde handelt het Instituut in strijd met de bedoeling van de wetgever om het oorspronkelijke effectgebied weer te hanteren. Bovendien heeft het Instituut eerder (in 2020) wél schade vergoed aan de schuur.
7.1.
Eisers stellen vervolgens dat het jaartal 2012 in relatie tot de 6 km-gebieden geen wetenschappelijke en juridische grondslag heeft. De wetgever heeft in de toelichting op artikel 10oa van het Besluit toegelicht dat de 6 km-gebieden zijn opgenomen in verband met mogelijke effecten van bodemdaling en -stijging. Het gaat dus om een ander schademechanisme dan bodembeweging door aardbevingen, terwijl het jaartal 2012 [4] wel suggereert dat het hier om een vorm van aardbevingsschade zou gaan. De bodembeweging door het vullen en leeghalen van de gasopslag Norg is niet gestopt in 2012, dit is een continue proces dat ook op dit moment nog steeds plaatsvindt. Het Instituut baseert zich telkens op eenzijdige wetenschappelijke inzichten, waarbij voornamelijk modelmatige benaderingen worden gehanteerd. Volgens eisers is er geen sprake van vaststaande wetenschappelijke kennis op dit gebied, de academische discussie op dit punt is nog gaande. Ook voor het standpunt van het Instituut dat diepe bodembeweging niet tot directe schade aan gebouwen kan leiden, ontbreekt een onderbouwing in de onderzoeken van TNO en
TU Delft. Uit de geactualiseerde versie van het onderzoek blijkt juist dat in bepaalde gebieden de kans op directe schade groter is. Afgezien daarvan, hanteren TNO en TU Delft in hun berekeningen een gebouwlengte van 10 meter, terwijl veel gebouwen rond de gasopslag Norg groter zijn. Zo ook de schuur van eisers. Dit is één van de vele factoren die invloed kan hebben, maar waarmee in de onderzoeken geen rekening is gehouden. De resultaten geven daarmee structureel een onderschatting van het werkelijke schadepotentieel.
7.2.
Daarnaast zijn eisers van mening dat het hanteren van het jaartal 2012 juist wel zorgt voor een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen, omdat gebouwen binnen dezelfde straal van invloed worden uitgesloten van het bewijsvermoeden op basis van het bouwjaar. Dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Standpunten Instituut
8. Het Instituut verwijst naar de nota van toelichting op het Besluit, waarin is uitgelegd dat voor een nieuw gebouw of werk waar sinds de oplevering geen bodembeweging heeft plaatsgevonden, geen schadevergoeding wordt toegekend. Omdat met artikel 10oa van het Besluit gebieden onder het bewijsvermoeden werden geschaard waar geen trilling van 2 mm/s was opgetreden én was vastgesteld dat diepe bodemdaling niet tot schade kon leiden, heeft het Instituut besloten voor de 6 km-gebieden de voorwaarde op te nemen dat het gebouw of werk een bouwjaar van 2012 of eerder moet hebben. Daarmee is aansluiting gezocht bij de beving van Huizinge op 16 augustus 2012. Deze beving is bepalend voor de afbakening van het toepassingsbereik van het bewijsvermoeden indien naar de trillingssnelheid wordt gekeken. Er heeft daarmee geen wijziging in het gebied plaatsgevonden, enkel is er een voorwaarde toegevoegd. Hiermee wordt voorkomen dat bewoners in ‘de lobjes’ [5] anders zouden worden behandeld dan bewoners binnen de cirkel van Huizinge.
8.1.
Daarnaast merkt het Instituut op dat de koppeling tussen bodemdaling en -stijging en het jaartal 2012 niet gemaakt wordt door het Instituut. Volgens het Instituut kan het op en neer gaan van de bodem als gevolg van diepe bodemdaling namelijk niet direct leiden tot schade. Een uitzondering hierop is zettingsschade, maar daarvan is bij de schuur van eisers geen sprake. Naar de directe effecten van diepe bodemdaling is uitvoerig onderzoek gedaan en er is geconcludeerd dat het onderzoek van TNO en TU Delft goed is uitgevoerd en geen evidente fouten bevat. Enkel is naar voren gekomen dat de kans op schade door diepe bodemdaling en -stijging op specifieke plekken mogelijk wordt onderschat. Het Instituut merkt daarbij op dat de kans op schade in die gebieden nog steeds erg klein is, bovendien staan de woning en schuur van eisers niet in die specifieke gebieden. De conclusie dat diepe bodemdaling niet direct leidt tot schade, is niet veranderd. Bovendien heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat het Instituut uit mag gaan van deze conclusie. [6]
8.2.
Het Instituut meent dat met het invoeren van de voorwaarde dat het moet gaan om een gebouw met een bouwjaar 2012 of eerder, juist een ongelijke behandeling wordt voorkomen tussen nieuwe gebouwen of werken binnen de cirkel van het effectgebied van de beving bij Huizinge en de 6 km-gebieden.
8.3.
Los van het standpunt van het Instituut dat het bewijsvermoeden niet van toepassing is, heeft het Instituut over de schades aan de schuur naar voren gebracht dat deze een bouwkundige oorzaak hebben. Er zou sprake zijn van ongelijkmatige belasting van de boogconstructies boven de deuren.
Mocht het Instituut een bouwjaar van 2012 of eerder als aanvullende voorwaarde stellen bij artikel 10oa, onder b van het Besluit?
9. De aanvullende voorwaarde is opgenomen in de Praktische Uitwerking Tijdelijke wet Groningen voor Deskundigen van 18 april 2024. Het is een beleidsregel in de zin van artikel 4:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze bepaling regelt dat een bestuursorgaan, zoals het Instituut, beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot zijn bevoegdheid. Tegen een beleidsregel kan geen direct bezwaar en beroep worden ingesteld, zo bepaalt artikel 8:3 van Pro de Awb. Wel kan de bestuursrechter de rechtmatigheid van een beleidsregel indirect toetsen, als de beleidsregel ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Dat is in deze zaak het geval.
9.1.
De rechtbank overweegt als volgt.
9.2.
Allereerst handelt het Instituut met het stellen van de aanvullende voorwaarde die ziet op het bouwjaar van een gebouw of werk, niet in strijd met de bedoeling van de wetgever. Uit de nota van toelichting op het Besluit blijkt dat de bedoeling van de wetgever met de invoering van artikel 10oa van het Besluit, ten eerste was om duidelijkheid te geven over het gebied waar schade wordt vergoed. Ten tweede was het doel om ‘de lobjes’ weer binnen het toepassingsbereik van het bewijsvermoeden te trekken. [7] De rechtbank concludeert dat de aanvullende voorwaarde niet zorgt voor onduidelijkheid over het gebied en dat het doel om ‘de lobjes’ weer te betrekken bij het effectgebied nog steeds wordt behaald. Het Instituut mag onafhankelijk, binnen de kaders van de Tijdelijke wet Groningen, zijn werkwijze bepalen. [8] Met het stellen van de aanvullende voorwaarde is van een beperkte of onjuiste uitleg van artikel 10oa van het besluit, niet gebleken.
9.3.
Vervolgens moet de rechtbank antwoord geven op de vraag of het Instituut specifiek het jaartal 2012 mocht stellen als grenswaarde. Het Instituut heeft voldoende duidelijk uitgelegd dat het jaartal 2012 een politieke keuze is geweest. Er is terecht op gewezen dat de woning van eisers niet ligt op een locatie waar zich indirecte effecten van diepe bodemdaling voordoen. Daarnaast hebben de onderzoeken van TNO en TU Delft aangetoond dat er op de locatie van eisers ook geen schade kan ontstaan door directe effecten van diepe bodemdaling. Dit zou wel kunnen in het geval van zettingsschade, maar de schades aan de schuur van eisers zijn dat niet. Eisers hebben geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die maken dat getwijfeld moet worden aan deze conclusies. Eisers hebben wel hun vraagtekens gezet bij de uitgevoerde onderzoeken en erop gewezen dat vele factoren een rol spelen, maar hebben hetgeen zij stellen niet geobjectiveerd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het eerste onderzoek van TNO en TU Delft na kritiek is herzien, waarbij de conclusie dat directe effecten van diepe bodemdaling geen schade kunnen veroorzaken hetzelfde is gebleven. [9]
9.4.
Het Instituut heeft terecht gesteld dat het niet stellen van een aanvullende voorwaarde in de vorm van een bouwjaar, zou leiden tot onwenselijke situaties. [10] Dit zou namelijk betekenen dat de enkele ligging binnen een 6 km-gebied voldoende zou zijn om het bewijsvermoeden van toepassing te laten zijn. Nu er in de 6 km-gebieden naast bodembeweging door aardbevingen geen ander schademechanisme kan worden aangetoond, acht de rechtbank het stellen van een aanvullende voorwaarde in de vorm van een bouwjaar, geschikt. Dat het Instituut daarbij heeft gekozen voor 2012 en daarmee aansluiting heeft gezocht bij de beving van Huizinge op 16 augustus 2012 -die bepalend is voor de toepasselijkheid van het bewijsvermoeden als naar de trillingssnelheid wordt gekeken- is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment niet onredelijk.
9.5.
Daarnaast heeft het Instituut daarmee ook niet gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Juist het niet stellen van een aanvullende voorwaarde, zou zorgen voor grotere ongelijkheid tussen gebouwen of werken binnen het effectgebied met een bouwjaar van na 2012. Het gaat dan om gebouwen of werken op locaties waar geen sprake is geweest van een opgetreden trillingssnelheid van minimaal 2 mm/s en het bewijsvermoeden dus niet op basis van artikel 10oa, aanhef en onder a, van het Besluit van toepassing is. Op schade aan gebouwen of werken buiten de 6 km-gebieden zou het bewijsvermoeden dan niet van toepassing zijn, terwijl dit wel het geval zou zijn bij gebouwen of werken die wel binnen het 6 km-gebied liggen. In de 6 km-gebieden zou daardoor meer schade worden vergoed dan in de rest van het effectgebied. De aanvullende voorwaarde zorgt voor gelijke behandeling van alle gebouwen of werken met een bouwjaar van na 2012, binnen het hele effectgebied.
9.6.
Eisers hebben in dit kader ook gewezen op ‘de lobjes’, buiten de cirkel van Huizinge. Op gebouwen of werken binnen deze twee gebieden wordt het bewijsvermoeden wel toegepast indien het een bouwjaar van 2012 of eerder heeft, terwijl het Instituut heeft erkend dat er in die gebieden geen schademechanisme gerelateerd aan mijnbouwactiviteiten is. Nu dit laatste ook het geval is ten aanzien van de schuur van eisers, wensen zij op dezelfde manier te worden behandeld en dient het bewijsvermoeden dus toegepast te worden. Hierin ziet de rechtbank geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat het bewijsvermoeden om die reden toegepast moet worden op de schuur van eisers. Het Instituut heeft er immers op gewezen dat het weer betrekken van ‘de lobjes’, een politieke keuze is geweest.
9.7.
Ook het feit dat naar aanleiding van een eerdere schademelding wel één schade aan de schuur is vergoed, leidt niet tot een ander oordeel. Het Instituut heeft er namelijk op gewezen dat dit in het kader van een minnelijke overeenkomst was.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 van Pro de Awb. Dit betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, omdat het Instituut het bewijsvermoeden na het bestreden besluit alsnog als weerlegd heeft geacht ten aanzien van schades 1 tot en met 4. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dit ziet op schades 1 tot en met 4.
10.1.
De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf voorzien op dit onderdeel door eisers voor schades 1 tot en met 4 een vergoeding toe te kennen conform het voorstel van het Instituut van € 7.125,26 (incl. btw). Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het Instituut het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- herroept het besluit van 25 juni 2025 voor zover daarin is beslist over schades 1 tot en met 4;
- vernietigt het besluit van 6 februari 2025 voor zover daarin is beslist over schades 1 tot en met 4;
- bepaalt dat de aan eisers toe te kennen schadevergoeding dient te worden aangevuld met een bedrag van € 7.125,26 (incl. btw), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 23 september 2023, tot en met de dag van betaling en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- bepaalt dat het Instituut het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Gans, voorzitter, en mr. L.M. Praamstra en mr. J.Y.B. Jansen, leden, in aanwezigheid van mr. A. Huizenga-Bergsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:177a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.TNO & TU Delft, ‘Response to the review comments. Summarizing report on additional studies into the direct effects of deep subsidence’, 13 november 2023.
3.Kamerstuk II, 2022/23, 36 094, nr. 18.
4.Het jaar waarin de beving bij Huizinge plaatsvond.
5.De twee gebieden die wel binnen een 6 km-gebied vallen, maar buiten de cirkel van de beving bij Huizinge in 2012.
6.AbRvS 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2132, r.o. 34 en 35.
7.Stb. 2023, 389.
8.Stb. 2023, 389.
9.Met uitzondering van zettingsschade en mogelijk schade aan een zeer gering aantal gebouwen in de buurt van Warffum en Bedum. Zie TNO & TU Delft, ‘Response to the review comments. Summarizing report on additional studies into the direct effects of deep subsidence’, 13 november 2023.
10.Zie hieromtrent ook de brief van de Staatssecretaris van 5 september 2025, Kamerstuk II, 2024/25, 33 529, nr. 1336.