Eiseres is eigenaar van een woning die zij op 16 augustus 2025 heeft verkocht aan gedaagde sub 1. Partijen spraken af dat eiseres en haar zoon tijdelijk in de woning mochten blijven wonen. Gedaagde sub 1 heeft de sleutels eind augustus 2025 ontvangen en zijn onderneming op het adres gevestigd. Eiseres vordert in kort geding ontruiming van de woning omdat de onderlinge verhoudingen ernstig zijn verstoord en zij de koopovereenkomst wil laten ontbinden wegens dwaling.
De voorzieningenrechter beoordeelt dat eiseres onvoldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Gedaagde sub 1 verblijft sinds 31 oktober 2025 niet meer in de woning en eiseres kan er met haar zoon blijven wonen. Het vermeende incident in februari 2026 waarbij eiseres zou zijn bedreigd is niet onderbouwd. Bovendien is er een bodemprocedure aanhangig waarin dezelfde vordering is ingesteld, zonder dat is toegelicht waarom die niet kan worden afgewacht.
Zelfs bij voldoende spoedeisend belang zou de vordering worden afgewezen omdat de koopovereenkomst contractueel bindend is en het beroep op dwaling onvoldoende aannemelijk is in kort geding. Er is nader feitenonderzoek nodig dat niet in kort geding kan plaatsvinden. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde sub 1.