Partijen, ex-partners, sloten in 2023 gezamenlijk een huurovereenkomst voor een woning. In 2024 werd hun zoon geboren. Na het beëindigen van hun relatie in het voorjaar van 2025 verliet gedaagde met hun zoon de woning, terwijl eiser bleef wonen. In januari 2026 escaleerde een incident tussen partijen, wat de verstandhouding verder verslechterde.
Beide partijen vorderden in kort geding het exclusieve gebruiksrecht van de woning. De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van de minderjarige zoon zwaarwegend is bij de belangenafweging. Gedaagde is hoofdverzorger en verzorgt het kind doordeweeks, terwijl het verblijf bij eiser niet duurzaam is. Tevens zijn er voor eiser betere alternatieven beschikbaar dan voor gedaagde.
De voorzieningenrechter wees de vordering van eiser af en kende gedaagde het exclusieve gebruiksrecht toe, met ingang van een week na betekening van het vonnis, om eiser de gelegenheid te geven een alternatieve verblijfplaats te regelen. De proceskosten werden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.