De zaak betreft een kort geding tussen Stichting Lefier en de bewindvoerder van een huurder die verantwoordelijk is voor overlast en vervuiling in een gehuurde woning. Lefier vordert ontruiming wegens ernstige tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst, waaronder geluidsoverlast, bedreigingen, en belemmering van onderhoudswerkzaamheden.
De kantonrechter stelt vast dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege de vele overlastmeldingen in korte tijd en de belemmering van werkzaamheden. De bewindvoerder betwist de ernst en recentheid van de klachten en voert aan dat de honden inmiddels zijn verwijderd.
Uit het dossier blijkt dat de huurder met zijn honden structureel ernstige geluidsoverlast heeft veroorzaakt en het gehuurde onvoldoende schoon hield, wat de uitvoering van onderhoud belemmert. De kantonrechter acht echter onvoldoende aannemelijk dat de huurder zelf overlast veroorzaakt door schreeuwen of bedreigingen. Door het ingrijpen van de dierenpolitie zijn de honden verwijderd, waardoor de belangrijkste oorzaak van overlast is weggenomen.
Gezien de kwetsbare positie van de huurder en de toezeggingen omtrent het niet terugnemen van honden, is de kantonrechter van oordeel dat de ontbinding van de huurovereenkomst niet met grote waarschijnlijkheid zal worden toegewezen in een bodemprocedure. Daarom wijst hij de vordering tot ontruiming en de nevenvordering tot incassokosten af.
De kantonrechter veroordeelt de bewindvoerder tot betaling van de proceskosten aan Lefier, omdat de procedure terecht is gestart gezien de eerdere overlast en pogingen tot verbetering.