Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1886

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
11825940 BU VERZ 25-1787
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen boete voor vasthouden mobiel tijdens fietsen ongegrond verklaard

Aan betrokkene is een boete opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het fietsen op 12 december 2024 in Groningen. Betrokkene stelde dat de constatering onjuist was, onder meer omdat de weg niet 500 meter lang zou zijn en hij in een groep fietste waarvan anderen niet beboet werden, wat volgens hem rechtsongelijkheid veroorzaakte.

De kantonrechter oordeelde dat deze beweringen onvoldoende onderbouwd waren en dat de verklaring van de verbalisant betrouwbaar was. Betrokkene ontkende niet het vasthouden van de mobiel, en de kantonrechter zag geen reden om aan de vastgestelde gedraging te twijfelen.

Verder werd geoordeeld dat er geen aanleiding was om de boete te matigen of te vernietigen. De bewering dat de verbalisant andere fietsers niet beboette, was onvoldoende om het gelijkheidsbeginsel te schenden. Ook de klacht over het niet geven van de cautie werd verworpen, omdat de verbalisant dit naar het oordeel van de kantonrechter wel had gedaan.

De kantonrechter benadrukte dat de procedure zich beperkt tot de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden en of de boete terecht is opgelegd. Klachten over de handelswijze van de verbalisant kunnen elders worden ingediend. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete voor het vasthouden van een mobiel tijdens het fietsen wordt ongegrond verklaard en de boete blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 270892892
zaaknummer: 11825940 BU VERZ 25-1787
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 23 april 2026
in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] .

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden’, verricht op 12 december 2024, om 14:54 uur, op de Crematoriumlaan in Groningen, met een fiets. De opgelegde boete bedraagt € 169,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 23 april 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. F. Buddingh.
1.3.
Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de kantonrechter

Beslissing

2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Betrokkene voert aan dat de weg waar hij fietste niet 500 meter lang is. De constatering van de verbalisant klopt daarom niet en dit ondermijnt de betrouwbaarheid van het proces-verbaal. De verbalisant geeft namelijk aan dat hij zag dat betrokkene over een afstand van ongeveer 500 meter fietste met zijn mobiel in de rechterhand. Dit kan niet, want betrokkene reed de verbalisanten tegemoet. Daarnaast is de pleeglocatie niet de Crematoriumlaan. Dat is slechts de plaats waar hij staande is gehouden. Verder reed betrokkene in een groep, waarvan ten minste zes tot acht mensen eveneens de mobiele telefoon vasthielden. Deze mensen zijn niet bekeurd. Dit roept bij betrokkene een gevoel van rechtsongelijkheid op.
4. Vervolgens stelt betrokkene dat de verbalisant hem op een agressieve en intimiderende manier heeft benaderd. De agent dreigde met overbrenging naar het politiebureau. De verbalisant heeft betrokkene ook niet de gewezen op de cautie.
5. De vertegenwoordigster is van mening dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De gedraging kan worden vastgesteld, gelet op de verklaring van de verbalisant. Dat meerdere mensen tijdens het fietsen een mobiel vasthielden, maar niet iedereen een boete kreeg, kan afhangen van wat de verbalisanten hebben waargenomen. Het is onmogelijk om op alle fietsers tegelijk te focussen. Bovendien beschikt de verbalisant over een discretionaire bevoegdheid.
Overwegingen
6. De kantonrechter stelt allereerst vast dat niet is gebleken dat de pleeglocatie onjuist is. De enkele niet onderbouwde bewering dat dit het geval zou zijn, is hiervoor onvoldoende. Zelfs als dat wel zo zou zijn, heeft dit geen rechtsgevolgen, omdat betrokkene hierdoor niet in enig belang is geschaad. Betrokkene is staande gehouden en weet waartegen hij zich moet verdedigen.
7. De gegevens waarop deze ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn ook opgenomen in het zaakoverzicht; daaruit haalt de kantonrechter het volgende aan:
“Wij, verbalisanten, zagen betrokkene over een afstand van een meter of 500 fietsen met in zijn rechterhand een mobiel apparaat. Wij reden achter en parallel aan betrokkene.”
8. De kantonrechter ziet geen reden om te twijfelen aan deze verklaring. Betrokkene ontkent niet dat hij zijn mobiel heeft vastgehouden. De enkele beweringen dat de weg niet 500 meter lang zou zijn en dat de verbalisanten hem tegemoet kwamen, roepen dan ook geen twijfel op. De gedraging kan daarom worden vastgesteld.
9. Vervolgens is de vraag of er feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven tot een wijziging van de boete.
10. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de boete te matigen of te vernietigen. Daarbij is allereerst van belang dat niet is gebleken dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. De enkele bewering dat de verbalisant andere fietsers niet zou hebben beboet, is daarvoor onvoldoende.
11. Vervolgens is ook niet gebleken dat de verbalisant betrokkene de cautie niet heeft gegeven. Betrokkene verklaarde tijdens de staandehouding: “
Ik ben niet op mijn rechten gewezen.” Daartegenover staat de verklaring van de verbalisant: “
Ik heb betrokkene verteld waar hij van verdacht werd en ik heb hem de cautie verteld(…)”. Aan de verklaring van de verbalisant komt doorgaans doorslaggevende betekenis toe. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de verbalisant de cautie heeft verleend. Verder is de vraag of de cautie is gegeven alleen van belang als de verklaring van de betrokkene wordt gebruikt om vast te stellen dat de gedraging is verricht. [1] Dit is in deze zaak niet het geval.
12. De manier waarop betrokkene door de verbalisant is behandeld valt niet onder deze procedure. Daarin wordt alleen beoordeeld of de gedraging heeft plaatsgevonden en of hiervoor terecht een boete is opgelegd. [2] Als betrokkene het niet eens is met de handelswijze van de verbalisant, kan hij hierover een klacht indienen bij de politie.

Conclusie

De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Waarvan proces-verbaal,
mr. W.B. Jongsma, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6326.
2.Artikel 9 van Pro de Wahv.